Joodse eisen zijn terecht

Een nieuw denken over aansprakelijkheid vormde de aanzet tot de joodse claims op hun geroofd bezit, stelt CJO-voorzitter Rob Wurms....

GELD is een mamzer, een bastaard, zegt een joods spreekwoord. Oftewel, een bron van ruzie (overigens, niet alleen voor joden). De joodse tegoeden die nu door banken, verzekeraars, beurzen en overheden worden gerestitueerd en de schadevergoedingen die worden betaald, vormen tezamen veel geld. De controverses zijn dan ook niet van de lucht.

Volgens oud-parlementariër Hanneke Gelderblom (D66) heeft het Centraal Joods Overleg zich ten onrechte de rol van onderhandelaar en executeur-testamentair aangemeten. Het CJO zou slechts 40 procent van de joden in Nederland vertegenwoordigen, ondemocratisch zijn, ten onrechte gelden voor joodse doelen willen bestemmen en zelf niet-onafhankelijke kandidaten voor de stichtingen die de concrete verdeling gaan uitvoeren, naar voren schuiven.

Gelderblom vergeet dat de regering indertijd slechts één onderhandelingspartij wenste. Dat werd het CJO, bijgestaan door een Adviescollege van organisaties en actiegroepen van overlevenden en samenwerkend met de Nederlandse koepelorganisatie in Israël, het Platform Israël. Bovendien: wat uiteindelijk telt is niet de representativiteit van het CJO, maar of de belangen van alle joden in Nederland zijn behartigd. Dat had zelfs gekund door één persoon zonder organisatie achter zich.

Zij vergeet ook dat de onderhandelaars niet zomaar 10 tot 20 procent voor joodse doelen willen bestemmen. Ten eerste zijn immers niet alleen individuen, maar ook joodse stichtingen en verenigingen (zo'n tweeduizend) beroofd. Ten tweede behoorde 10 procent van de vermoorde Nederlandse joden tot families waarvan niemand de nazi-vervolging overleefde. En ten derde wilden de nazi's niet alleen individuele joden vernietigen, maar de hele joodse cultuur. Redenen te over geld aan collectieve doelen te geven.

Gelderbloms kritiek is echter heilig bij de vileine duit die Norman Finkelstein in het zakje doet. In zijn artikel 'Holocaust als handel' nagelt hij allen die met de gevolgen van de holocaust op een andere wijze omgaan dan hij gepast vindt, aan de schandpaal als profiteurs van en afpersers voor wat hij noemt de 'holocaust-industrie'. Alleen degenen die, zoals zijn ouders, de concentratiekampen overleefden, erover zwegen en bovendien de ethische grootheid opbrachten ook het leed van anderen in deze van misdaden vervulde wereld te zien, zijn een voorbeeld van hoe je met de holocaust moet omgaan.

Alleen wetenschappelijk onderzoek vindt genade in Finkelsteins ogen. Ieder die iets anders wil, deugt niet. Zelfs kampoverlevenden die tot nu toe veelvuldig over hun ervaringen hebben verteld, worden door hem veroordeeld. En passant wordt zelfs Elie Wiesel bekritiseerd en als leugenaar gebrandmerkt, omdat hij zich bepaalde dingen verkeerd herinnert. En iedere verwijzing naar oorlogsleed van joden die niet in de kampen zaten, vindt Finkelstein helemaal abject.

Wat gebeurt hier?

Finkelstein ziet over het hoofd dat het aan mensen als Wiesel te danken is en niet aan zwijgende kampoverlevenden, dat de shoah niet is vergeten en dat daardoor wereldwijd meer gevoeligheid is ontstaan voor genocides op andere volkeren.

Met zijn kritiek op alle slachtoffers die zelf niet in de kampen hebben gezeten, grijpt hij terug op de zogenoemde 'hiërarchie van het leed' die de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog bepaalde hoe er over oorlogservaringen mocht worden gesproken. Onderduikers hadden geluk gehad en degenen die naar bevrijd gebied konden vluchten, hadden helemaal niets meegemaakt. (Overigens gold bijna hetzelfde voor mensen die Theresiënstadt hadden overleefd, in vergelijking met degenen die in Auschwitz hadden gezeten.)

Pas langzaam drong het besef door dat de holocaust de hele joodse gemeenschap diepgaand heeft beschadigd. Jarenlang opgejaagd wild zijn, familie en vrienden door moord verliezen, terugkomen in een vernietigde leefwereld, beroofd zijn, van (pleeg)ouders te zijn gescheiden als kind, is weliswaar niet te vergelijken met de gruwelen in de vernietigings- en concentratiekampen, maar heeft wèl trauma's voor het leven opgeleverd. Finkelstein ontkent glashard dat ook deze joden doelwit - en dus slachtoffers - waren van die Endlösung, van de shoah.

Finkelsteins pleidooi voor in stilte lijden, zoals zijn ouders deden, en zijn verzet tegen iedere andere vorm van omgaan met de holocaust is niet nieuw. Het denken over de aansprakelijkheid voor wat er in de oorlog is aangericht, kent diverse stadia met bijbehorende protesten.

In de jaren vijftig organiseerde Menachem Begin, Israëls latere premier, demonstraties tegen de onderhandelingen die de toenmalige Israëlische premier David Ben Goerion voerde met West-Duitsland over Wiedergutmachung. Begin was een van de vele joden die nooit meer iets met Duitsland te maken wilden hebben en geen dubbeltje 'bloedgeld' wilden aannemen.

Verzet was er ook tegen Simon Wiesenthal, vooral in de jaren zeventig. Decennialang was hij, vanwege het opsporen van nazi-oorlogsmisdadigers, in veler ogen - ook joodse - een verbeten lastpak. Door zijn acties veranderde echter de publieke opinie, zodat het tegenwoordig vanzelfsprekend is om oorlogsmisdadigers alsnog ter verantwoording te roepen. Denk aan Pinochet, het Joegoslavië Tribunaal en de Waarheidscommissies in Zuid-Afrika.

De problematiek van de 'tweede generatie' die in de jaren tachtig actueel werd, veroorzaakte eveneens taaie ontkenningen en verzet. Ook toen klonk het verwijt van 'toe-eigening en exploitatie van oorlogsleed'. Inmiddels weten we beter.

Een volgende fase is nu aangebroken. Nu staat de roof centraal. Dit is mede mogelijk doordat na 1989 de archieven in Oost-Europa beschikbaar kwamen, andere archieven werden 'ontdekt') of vrijkwamen. En weer klinkt protest. Degenen die teruggave willen, worden verbaal neergemaaid door criticasters als Finkelstein. Dat er op grote schaal geroofd is, wil hij blijkbaar niet tot zich laten doordringen. Hij vindt het schandelijk deze geroofde bezittingen terug te eisen, maar op de vraag waarom het niet schandelijk is dat overheden, banken, beurzen en verzekeraars deze tegoeden decennia lang achterhielden, blijft hij het antwoord schuldig.

Finkelstein drijft weg van dit historisch probleem en focust zich op de in zijn ogen verderfelijke actuele politiek van Israël en de Verenigde Staten. Bovendien doet hij het voorkomen alsof de joodse oorlogsclaims typisch zijn voor de in zijn ogen hebzuchtige joodse organisaties. Dat nu pas de laatste joodse claims worden erkend, komt doordat een heel nieuw bewustzijn over aansprakelijkheid en een hele nieuwe aansprakelijkheidscultuur is ontstaan.

De Filipijnse regering eist de door generaal Marcos gestolen miljarden op van de Zwitserse banken. Indonesië wil hetzelfde van de familie Soeharto. De banken in landen met een bankgeheim hebben opening van zaken moeten geven aan overheden die tegen drugsbaronnen strijden. Rokers claimen geld van de tabaksindustrie.

Dat Finkelstein zijn vader en moeder eert en hun houding tot voorbeeld stelt, strekt hem tot eer. Maar er is ook nog het achtste gebod: Gij zult niet stelen. Ook niet van joden, zou ik zeggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden