Joods leven in Amsterdam

Voor de oorlog woonden in Amsterdam tachtigduizend joden. Ze waren diamantbewerker, kleermaker, rabbijn, leraar, journalist. Overlevenden van de holocaust hebben hun herinneringen aan het joodse leven in Amsterdam verteld....

HET BOEK Herinnering aan joods Amsterdam verscheen voor het eerst in 1976. De schrijver en filmer Philo Bregstein, die onder meer een indrukwekkend filmportret van de joodse historicus Jacques Presser heeft gemaakt, ging bij gelegenheid van het zevenhonderdjarig bestaan van Amsterdam 'op zoek naar joods Amsterdam', zoals ook de titel van zijn film luidde. Hij interviewde de laatste overlevenden van de tachtigduizend joden die vóór de oorlog in Amsterdam woonden, over het joodse leven in die stad.

De grens van de herinnering lag aan het begin van de eeuw; er kwamen zeer oude getuigen aan het woord. De herinneringen liepen tot de eerste jaren na de oorlog. Joods Amsterdam bestond toen niet meer.

Deze week werd opnieuw de leegte herdacht in de monument geworden Hollandse Schouwburg, waar veel joden werden samengedreven alvorens op transport te worden gesteld. In Berlijn las men in een lange herdenkingszitting de namen voor van alle 56 duizend Berlijnse joden die omkwamen.

De film moest korter worden dan beoogd. Er bleef veel materiaal over. Men heeft toen het grootste deel van het materiaal voor een boekuitgave bewerkt: splinters orale geschiedenis. Salvador Bloemgarten, de biograaf van Henri Polak, maakte samen met Bregstein de keuze, bewerkte de teksten ook. Zij werkten samen met Joka Bloemgarten-Barends.

De herinneringen en getuigenissen werden van de geluidsband afgeschreven. Er werd getracht de spreektaal en daarmee het persoonlijk karakter van de herinneringen weer te geven. Dat geeft aan heel wat van de teksten een door onhandigheid ontroerend karakter, dat misschien wel het mooist zichtbaar wordt in de laatste woorden van de vaak kleine herinneringen. Die zijn een toevoeging die na een kleine stilte gegeven moet zijn. Het gaat om overbodige zinnetjes als 'Dat was niet leuk.', of 'Na de oorlog is het natuurlijk allemaal veranderd.'

De herinneringen zijn geordend naar een aantal hoofdgegevens die het leven in het joodse Amsterdam hebben bepaald. Een aantal van de geïnterviewden komt enkele keren aan het woord. De 'vertellers', zoals ze door de auteurs worden genoemd, komen uit verschillende maatschappelijke klassen, maar van de alleronderste laag, het joodse proletariaat - en dat was de grootste groep - lijkt niemand de oorlog te hebben overleefd. Het proletariaat moet het hebben van de herinneringen van anderen aan hun ellende.

Er zijn in de herinneringen enkele allesoverheersende gegevens. De twee belangrijkste lijken de armoede, met de vaak ontstellende sociale toestanden, en het socialisme. Waar een geschiedenis, zeker een die in een reeks herinneringen is geschreven, zich concentreert op één stad en dan nog op één groep uit die stad, dreigen sommige algemene gegevens uit de maatschappij verbijzonderd, zelfs uniek te worden.

De sociale ellende onder het joodse proletariaat was heel groot. Maar die was niet groter dan die van de laagste klassen in Nederland. De woningtoestanden in de Amsterdamse jodenbuurt waren in enkele delen ervan tot na de Eerste Wereldoorlog erbarmelijk, maar dat waren ze ook in andere armoewijken in de Nederlandse steden (en op het platteland).

De wervende kracht van het opkomend socialisme was onder de joodse Amsterdammers groot, maar werkte op gelijke wijze onder de 'christelijke' arbeiders (de maatschappij werd vanuit het jodendom eenvoudig verdeeld in joden en christenen en dat waren alle niet-joden). Door de verbijzondering het boek eigen, lijken alle socialisten joden te zijn geweest. Men krijgt in elk geval in de herinneringen die ook de geschiedenis van het socialisme betreffen, de historie van de arbeidersbeweging onder de joden met bijna gelijke gegevens verteld als de 'algemene' geschiedenis. Men moet daaruit natuurlijk wel de 'ontjoodsing', en daarmee bedoel ik vooral het loskomen van het joodse geloof, van het Amsterdamse jodendom betrekken.

Misschien is voor die 'veralgemening' ook de figuur van Henri Polak verantwoordelijk. Hij was de oprichter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, een vakbond. Bijna alle diamantbewerkers waren joden, vaak van vader op zoon of dochter. Maar de bond was niet joods - algemeen, Nederlands - en de zeer grote Polak was als voorzitter in de eerste plaats SDAP'er.

Polak is in de herinneringen de meest genoemde en meest bewonderde figuur. Hij staat ook voor de sociale opkomst van de joden, die zich onder de diamantbewerkers het opvallendst manifesteert. Sociale opkomst is ook culturele ontwikkeling, deelname aan hogere vormen van onderwijs en het culturele leven - er staan prachtige voorbeelden van in de herinneringen, maar ze zijn nauwelijks anders dan die van de 'opgekomen' niet-joodse arbeiders uit de jaren twintig en dertig. Al blijft er natuurlijk dit grote verschil: ondanks alle assimilatie kwamen de joden toch uit een min of meer gesloten, in elk geval zeer eigen maatschappij. Men kan misschien van een dubbele vorm van vrijmaking spreken.

Heel mooi is te lezen - en het gegeven komt vaak terug - hoe joden die buiten de eigen kring gingen werken, moesten kiezen tussen wat ik maar noem hun maatschappelijke carrière en hun jood-zijn. Velen wilden of konden op zaterdag niet werken, waarmee bijna alle banen die een normale werkweek vroegen, voor hen afgesloten bleven; daardoor bleven zij op werk binnen de eigen kring aangewezen. Maar de herinneringen laten ook zien dat het aantal 'vromen' (de joden die geheel leefden in de grote religieuze tradities van het jodendom) steeds kleiner wordt, al houden de niet-vromen wel een aantal uiterlijke praktijken in ere.

Er is een hoofdstuk dat 'Socialisme en religie' heet. Het begint met een herinnering van Joannes Juda Groen, de later naar Israël geëmigreerde bekende psychosomaticus. Dit is het begin van zijn verhaal: 'Mijn vader is geboren in 1875, dus hij was negentien jaar toen de SDAP en de ANDB opgericht werden, in 1894. Kort voor die tijd was hij tot het inzicht gekomen van de geweldige misdeeldheid van de arbeiders en het maakte hem enorm verbitterd dat de joodse rabbijnen niets, maar dan ook niets deden om de joodse werkgevers tot wat meer medeleven met hun joodse arbeiders te brengen.'

Hierop volgt een passage over de neerbuigende filantropie van rijke tegenover arme joden. De vader maakt zich los van de synagoge, werd zelfs later heel sterk anti-geloof (mede onder invloed van Multatuli, die grote vrijmaker, ook van de arbeidersklasse). Een passage als deze dringt de parallellen met andere confessionele groeperingen in Nederland vanzelf op, inclusief de afval van het geloof. De joodse geschiedenis is in heel veel opzichten een algemene Nederlandse.

Maar er zijn ook herinneringen, vaak zeer treffende, aan de blijvende diep-gelovigheid van veel joden, van hun gehechtheid aan de oude tradities (en de moeite die het vaak kostte die te onderhouden). Een van de mooiste herinneringen is van Mozes Heiman Gans, de auteur van het schitterende Memorboek, de geschiedenis van de Nederlandse joden. Hij vertelt vooral de herinneringen van zijn vader, een groot sociaal voorman in het Amsterdamse jodendom en medestichter en directeur van de Joodse Invalide. Een van die herinneringen is deze: 'In 1937, 1938 zou Prinses Juliana naar Duitsland gaan en ze wilde demonstreren dat ze absoluut niets voor het Duitse antisemitisme voelde. En de beste manier was in die dagen, de Joodse Invalide te bezoeken. (. . .). Ze ging toen rond door het gebouw en plotseling vraagt ze: 'Wat is daar in die kamer?' Toen zei mijn vader: 'Daar ligt een stervende man die geïsoleerd is.' En toen zei ze: 'Die wil ik graag bezoeken.' Toen gingen ze naar binnen en toen zei mijn vader: 'Mijnheer Groen, dat is de Prinses, Mijnheer Groen, dat is de Prinses.' Waarop die zich plotseling oprichtte, z'n hand op z'n hoofd legde, en de lofzegging zei voor het zien van een vorstelijk persoon. En dat is het laatste woord dat hij ooit gezegd heeft.'

Het verhaal is haast symbolisch voor de sterke band die er tussen de joden en Oranje is geweest. In de loop van het boek, waarin ook een chronologische lijn zit, ziet men de joden steeds meer Nederlanders worden. Toen het proces zijn voltooiing begon te naderen, werden die Nederlanders alleen nog maar joden. Het vervolg is de leegte waarin alle geschiedenissen over de Europese joden eindigen.

Van de vertellers worden in een klein register de biografische gegevens vermeld. Die lijst dateert van de eerste druk in 1976. Het was wel fijnzinnig geweest, als de gegevens waren bijgewerkt. Want bijna allen moeten de laatste kwarteeuw zijn gestorven. Melchisedech blijft ook onder de joden een uitzondering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden