Jongkind schildert met de sleetse routine van een popster

Kunst (beeldende kunst) - Jongkind & Vrienden

In Dordrecht zien we fragmenten die het enthousiasme van Jongkinds tijdgenoten verklaren en invoelbaar maken. Jongkind schildert vaak met de routine van een popster die voor de honderdste keer dezelfde vraag beantwoordt.

Jongkind: Canal à Rotterdam, 1873

Johan Barthold Jongkind (1819-1891), de productieve landschapschilder aan wie het Dordrechts Museum een groot overzicht wijdt, deed me aan mezelf twijfelen. Of beter gezegd: de waarderingsgeschiedenis van Jongkind deed me twijfelen. Zij was dermate juichend dat ik me afvroeg of ik iets gemist had.

Jongkind was de zoon van een douaneambtenaar uit Maassluis, een verlegen doch sociabele jongeman die dankzij een koninklijke toelage aan de slag kon in kunststad Parijs. Daar sloot hij vriendschappen met zo'n beetje alle jonge wilden du jour: Rousseau, Monet, Boudin, Nadar. Toen Jongkind noodgedwongen naar het vaderland was teruggekeerd, organiseerden zijn Franse makkers een veiling die hem in staat stelde een doorstart te maken in Parijs. Sympathiek.

Als kunstenaar maakte Jongkind de ontwikkeling door van veel 19de-eeuwse schilders: van romantiek naar realisme. Zijn landschappen verloren, zogezegd, hun 'zondagse jasje'. Ze getuigden van een grote gevoeligheid voor lichteffecten en weersgesteldheden. Kent u dat moment waarop de zon net niet sterk genoeg is om de wolken open te scheuren? Jongkind ook. Hij schilderde het met dezelfde gretigheid als waarmee hij het 'paarlemoeren licht' en de 'straling van een vochtige atmosfeer' (De Goncourt) schilderde.

Jongkind & Vrienden

Beeldende kunst

Met Boudin, Monet, Daubigny. Dordrechts Museum, t/m 7/5.

Jongkind had daar indertijd veel succes mee, zowel kritisch als commercieel. Hij werd gretig vervalst, altijd een goede indicator, en gold als wegbereider voor een generatie jonge schilders. Een van hen, Claude Monet, beschouwde Jongkind als zijn 'daadwerkelijke leermeester'. Tot op heden geldt Jongkind als een 'schilders-schilder'.

Is hij ook een kijkers-schilder? De aap moet uit de mouw: ik vind Jongkind een buitengewoon vervelende kunstenaar. Priegelig. Onuitgesproken. Jongkind schildert bomen, huizen, schippers, molens, schaatsers en maannachten en negen van de tien keer doet hij dat met de sleetse routine van een popster die voor de honderdste keer dezelfde vraag beantwoordt. Op de tentoonstelling in Dordrecht, waar Jongkind gezelschap heeft van tijdgenoten als Boudin en Monet, springt het hart regelmatig op van een fraai geschilderde partij. Zelden, echter, is die partij van de hand van Jongkind.

Een enkele keer is zo'n partij wél van Jongkind. De zonnebadende kade op Vue du Quai d'Orsay bijvoorbeeld, een Corot-achig doek met hijsbalken en zwoegende trekpaarden; de wolken op De pier van Honfleur; de sloepjes in maanlicht op Notre-Dame de Paris. Het zijn fragmenten die het enthousiasme van Jongkinds tijdgenoten niet enkel verklaren, maar ook invoelbaar maken. Deze zorgvuldig ingerichte, maar vaak repetitieve tentoonstelling, kent er daarvan te weinig.