Jonge Nederlandse architecten trekken naar Vlaanderen

Tentoonstelling 30 jaar architectuur in België en Nederland

Nu te zien in Frankfurt am Main: een overzicht van dertig jaar Nederlandse en Belgische architectuur. We moeten eerlijk zijn: onze zuiderburen zijn beter.

Het VPRO-gebouw in Hilversum. Beeld Karin Borghouts

Wat doet een tentoonstelling over bouwkunst in de Lage Landen in Frankfurt? De Buchmesse, waar Nederland en Vlaanderen eregast waren, inspireerde het Deutsches Architekturmuseum om een expositie te maken over de architectonische oogst van de afgelopen dertig jaar. De ondertitel had kunnen luiden: een schoolvoorbeeld van de wet van de remmende voorsprong.

De Gouden Jaren worden ze in Nederland wel genoemd. Na een periode waarin het draaide om snel veel bouwen, kwam de politiek tot het inzicht dat architectuur meer kon zijn dan de volgende woonwijk uitrollen. Het moest mooier, duurzamer, en - je bent handelsland of niet - er ontstond het idee om van architectuur een exportproduct te maken. Onder het bewind van Hedy d'Ancona, minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (van 1989 tot 1994), en het gunstige economisch tij nam het bouwen een vlucht. Het Nederlands Architectuurinstituut (1989) werd opgericht, gevolgd door de eerste Nota Architectuur (1991) en het Stimuleringsfonds voor Architectuur (1993). In dit vruchtbare architectuurklimaat bloeide een nieuwe generatie architecten op: Superdutch.

Deze groep stond voor een conceptuele manier van ontwerpen, die steevast uitmondde in een spectaculaire vorm, waarvoor opdrachtgevers als een blok vielen. Denk aan de Erasmusbrug. UN Studio wilde meer dan een oeververbinding maken; de knik in de pyloon, richting de Kop van Zuid, belichaamde het geloof van Rotterdam in dit nieuwe stadsdeel. Tegelijk ontstond door die knik het beeld van een zwaan, dat de stad mooi kon gebruiken als marketingmiddel.

De Kunsthal, Rotterdam. Beeld Karin Borghouts

Radicale concepten

Met hun radicale concepten, zoals het idee van bureau MVRDV voor varkensflats (als alternatief voor varkensstallen), zetten de Superdutch architecten het denken over architectuur op z'n kop. Dankzij hun spectaculaire gebouwen, zoals Rem Koolhaas' Kunsthal Rotterdam, veranderde Nederland in een bedevaartsoord voor architectuurtoeristen. Totdat de economische crisis in 2008 toesloeg, waarvan we nog steeds aan het bijkomen zijn.

In Vlaanderen spreken ze over de afgelopen dertig jaar als de Wonderjaren, waar in de architectonische woestijn die België was, iets begon te ontkiemen. Architectuurbeleid bestond destijds niet in Vlaanderen. Ontwerpers waren voor opdrachten vooral aangewezen op particulieren die hun huis (ver)bouwden en het invullen van 'gaten' in de stad. Beperkt als de opdrachten in omvang waren, boden ze de kans om ontwerpen heel precies uit te werken. Veel geld was er meestal ook niet, maar dat dwong wel tot creativiteit. Een foto van een balletstudio in Gent toont hoe bureau De Vylder Vinck Taillieu met een uitgekiende compositie van een wastafel nog iets poëtisch maakt.

'Normcore' doopte het Duitse architectuurtijdschrift ARCH+ deze radicaal-normale architectuur; er werd vorig jaar een compleet nummer aan gewijd. Jonge Belgische ontwerpers timmeren aan de weg. Want in tegenstelling tot Nederland, waar corporaties en ontwikkelaars hun megaprojecten niet meer gefinancierd kregen, kon Vlaanderen nog altijd terugvallen op de particuliere markt. Eerst maar eens de verrassing van dit feestje: de Nederlandse architectuur blijkt een stervende zwaan, terwijl voormalig lelijk eendje België onze plek in de voorhoede overneemt.

Hoe is dat zo gekomen, en wat hebben Superdutch en Normcore met elkaar te maken? De curatoren vonden een gemene deler in haute-couturebouwwerken die een nieuwe ontwikkeling in de architectuur markeren. De 62 geselecteerde projecten worden getoond aan de hand van maquettes. Een zaal, 62 maquettes, elk met een eigen verhaal. Het is een hoop informatie. De tentoonstelling had gemakkelijk in een kakofonie kunnen ontaarden. Dat is voorkomen door rond elke maquette met witte gordijnen een ruimte af te bakenen - een soort minitheaters. En zo krijgt elk project - groot of klein - het podium dat het verdient.

De maquette die overal bovenuit torent, is die van het Museum Aan de Stroom in Antwerpen (MAS, 2011). Het project onderschrijft de hypothese van de curatoren dat de Lage Landen meer met elkaar delen dan de clichés over Belgen en Hollanders ons doen geloven. Het museum staat in Antwerpen, maar is ontworpen door het Nederlandse bureau Neutelings Riedijk. Het is een 65 meter hoge toren met gevels van rood natuursteen, versierd met 'Antwerpse' handjes van aluminium. Een onmiskenbaar icoon - typisch Superdutch. Omgekeerd zien we dat Neutelings Riedijk zich bekwaamde in de 'Vlaamse' aanpak, waarbij ontwerpen ingezet worden om een stuk stad 'aan te helen'. Een goed voorbeeld is het kunstencentrum STUK in Leuven (2002), haast onzichtbaar in een gerenoveerd universiteitscomplex opgenomen. De oude baksteengevels en het nieuwe metselwerk, bestaande stegen en nieuwe binnenpleinen lopen in elkaar over en vormen een vanzelfsprekend geheel.

Maquette van Mas, Museum Aan de Stroom in Antwerpen. Beeld Karin Borghouts

Uitwisseling

Er bestaat een lange traditie van uitwisselingen tussen Vlaamse en Nederlandse bureaus en architectuurfaculteiten en dat zie je terug in de projecten. Het Moebiushuis van UN Studio in Het Gooi, gebaseerd op een Escherachtige wiskundige figuur, en de zeshoekige patiowoning van De Vylder Vinck Taillieu in Gent. Het kantoorlandschap van Villa VPRO in Hilversum, met zijn glooiende betonnen vloeren, die omkrullen in de wanden (MVRDV) en het glazen kantoorgebouw Villa Voka in Kortrijk (Office KGDVS). Gaandeweg ontdek je de verwantschappen. Je moet er wel je best voor doen. Niet bij elke maquette is duidelijk in welke omgeving het bouwwerk staat. Daarom is, in aanvulling op de schaalmodellen, door de jonge fotografen Stijn Bollaert en Michiel de Cleene een mooie fotoserie gemaakt, die de omgeving en het interieur tonen. Zo krijg je een goed beeld van de inpassing van het gebouw en het gebruik, met mensen, rommel en onkruid - zaken die doorgaans met Photoshop weggepoetst worden voor publicaties in de architectuurglossy's. Nadeel van deze contextuele aanpak is dat soms onduidelijk blijft hoe het gebouw er zelf uitziet; dat moet je bekijken op een piepkleine zwart-witafbeelding.

Beelden kunnen niet alles vertellen. Om de relatie tussen Vlaanderen en Nederland te begrijpen, moet je eigenlijk de teksten in de tentoonstellingscatalogus lezen, die ingaan op de politiek-maatschappelijke achtergrond van de projecten. Simpel gezegd zie je de afgelopen decennia een tegengestelde ontwikkeling in de Lage Landen. Toen de economische bubbel in 2008 barstte, stortte in Nederland de vastgoedmarkt in en werd het aantal architectenbureaus gehalveerd. Zo zorgvuldig als het architectuurklimaat was gecultiveerd, zo snel werd het wegbezuinigd. Het NAi fuseerde in 2013 tot het Nieuwe Instituut, het Stimuleringsfonds voor architectuur ging op in een fonds voor creatieve industrie. Architectuur werd een economische activiteit, de culturele waarde ondergeschikt.

Ondertussen ging Vlaanderen er met het bot vandoor. Naar Nederlands voorbeeld kwam er een architectuurinstituut, een architectuurnota en een Vlaamse Bouwmeester die prijsvragen voor openbare gebouwen organiseert, waarbij geselecteerd wordt op basis van kwaliteit.

Topstuk

Nooit gebouwd, maar vanwege zijn revolutionaire karakter toch geselecteerd voor deze expositie: Rem Koolhaas' iconische prijsvraagontwerp voor een ferryterminal in Zeebrugge (1988). Het was een totaal nieuwe benadering van infrastructuur: van een functionele 'halte' maakte Koolhaas een architectonische attractie, die op zichzelf een overtocht met de boot legitimeerde. Dit deed hij door de stromen van auto's, boten en mensen samen te brengen in een theatrale, spiraalvormige ruimte, onder een enorm koepeldak dat doet denken aan een boei. De maquette is het topstuk van de tentoonstelling.

De maquette van het ontwerp van Rem Koolhaas voor de ferryterminal in Zeebrugge. Beeld Karin Borghouts

Het gevolg is zichtbaar in deze expositie. Na 2010 zien we slechts drie gebouwen uit Nederland: het MAS, revalidatiecentrum Groot Klimmendaal, met zijn diepbruine gevels fraai ingepast in de Arnhemse bossen (Koen van Velsen), en het naar de geveldecoraties vernoemde cultuurhuis Rozet - ook in Arnhem (Neutelings Riedijk). Daar tegenover staan twintig projecten uit Vlaanderen, waaronder veel werk van jonge bureaus. Alle deelnemende Nederlandse architecten zijn de 50 ruimschoots gepasseerd.

In de jubelstemming over Superdutch-bureaus die nog altijd succesvol zijn, is Nederland vergeten om na te denken over de opvolging. Jonge Nederlandse architecten trekken tegenwoordig naar Vlaanderen om aan werk te komen. En dat is niet het enige probleem. 'Het discours in Nederland is doodgebloed', ziet Christoph Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut. Hij kent Nederland goed vanuit zijn docentschap aan de TU Delft. Veelzeggend is dat we voor deze tentoonstelling naar Duitsland moeten, terwijl het Vlaams Architectuurinstituut de curatoren levert. De bijdrage van Het Nieuwe Instituut is beperkt tot acht bruikleenmaquettes.

Het goede nieuws is dat er in Frankfurt uiteindelijk toch nog werk van Hollands talent te zien is, in een kleine deelexpositie over een nieuwe generatie ontwerpers. Grafe hoopt hiermee de discussie over de toekomst van de architectuur op gang te brengen. Hij denkt dat deze tentoonstelling ook 'een breekijzer' kan zijn.

MAATWERK/MASSARBEIT, Custom Made Architecture from Flanders and the Netherlands. Deutsches Architekturmuseum, Frankfurt am Main, t/m 12/2.

De Warmtekracht Koppeling Centrale in Utrecht. Beeld Karin Borghouts

De Weefgeneratie

Hoe is het met de generatie na Superdutch? Ook het werk van 32 jonge Belgische en Nederlandse bureaus is te zien.

In een hoek van de grote expositieruimte bevindt zich de zogenoemde Wunderkammer, aangekleed met dezelfde witte gordijnen als de maquettes. Hier wordt werk van 32 jonge Nederlandse en Vlaamse architectenbureaus getoond.

De Wunderkammer roept het gevoel op dat je krijgt in een Franse supermarkt, waar je op vakantie lokale lekkernijen inslaat. Het begint met begeerte: je wilt al die wijnen en kazen wel proeven. Na tien minuten begint het je te duizelen door het overdadige aanbod. Uiteindelijk ben je geneigd je mandje terug te zetten en de winkel zonder boodschappen te verlaten.

Liefst 162 objecten - maquettes, vormstudies, foto's - staan in de kleine ruimte opeengepakt, als blikken in schappen. Je werpt er een blik op en denkt: mooi materiaal, fascinerende vorm. Zo is er een indrukwekkende maquette van Prix de Rome-winnares Donna van Milligen Bielke, met een plattegrond in de vorm van Mondriaan's Victory Boogie Woogie. Maar voordat je je er verder in kunt verdiepen (lastig, want buiten de naam van de ontwerper, is er geen toelichting), word je aandacht getrokken door het volgende object.

Curatoren Marius Grootveld en Jantje Engels hebben hoog ingezet met deze expositie. Begrijpelijk, want hoe trek je als nieuwe generatie de aandacht in een zaal vol topstukken van gevestigde bureaus? 'De weefgeneratie' noemen ze deze groep jonge ontwerpers, die wordt gepresenteerd als de tegenbeweging van Superdutch. Zij moeten 'de rommel van het Superdutch-feestje opruimen'. Ofwel: zij moeten de spektakelgebouwen uit de jaren negentig en nul, die vaak als ruimteschepen in de stad zijn geland, tot een samenhangend geheel zien te breien. Al komt het besef dat het 'anders' moet, ook voort uit de economische crisis.

Superdutch stond voor revolutie, voor radicale concepten: een brug als een zwaan, een gebouw als een landschap. Het idee stond voorop, hoe het gebouw gemaakt werd, was een tweede. De weefgeneratie laat juist een voorliefde voor materiaal en traditie zien. Er is een doos met proefstukken van baksteen, en een stuk hout dat met de hand is bewerkt tot een deurgreep.

Het aantrekkelijke van deze expositie is dat na de crisisjaren, waarin architecten tot papieren plannen en kruimelopdrachten veroordeeld waren, er nu weer over bouwen wordt nagedacht. De ontwerpers maakten voor deze gelegenheid ieder een 'object of desire'. Maar wat zijn hun verlangens, welke dromen streven zij na? Dat komen we niet te weten.

Grootveld en Engels zeggen bewust terughoudend te zijn met tekst. Ze voelen 'een sterke behoefte om gebouwen voor zichzelf te laten spreken'. Toch bekruipt je het gevoel dat ze hier iets proberen te vertellen dat ze zelf (nog) niet helemaal onder woorden kunnen brengen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.