‘Jong talent moet kunnen groeien’

Nieuwe theatermakers naar de grote zaal brengen: gaat in Antwerpen gebeuren wat in Nederland bijna niemand lukt? Guy Cassiers over zijn duurzame verbond met zes jonge talenten....

Theatermaker Guy Cassiers kijkt om zich heen in het fraaie café-restaurant van zijn nieuwe artistieke thuisbasis, het Antwerpse Bourla-theater. ‘Het is gerestaureerd, maar wel als een museum’, vertelt hij. ‘Alle toneeltrekken zijn nog helemaal van hout. Een prachtige constructie.’ Dan breekt zijn gulle lach door: ‘Helaas maken ze zo’n lawaai dat ze onbruikbaar zijn!’

In het Bourla, een versleten parel uit 1827, legt Cassiers (1960) dinsdag uit waarvoor hij het Ro Theater in Rotterdam gaat verlaten. Met ingang van het seizoen 2006-2007 wordt hij artistiek leider van het Toneelhuis, de vaste bespeler van het Bourla. Tot die tijd neemt Josse De Pauw voor hem waar, zodat Cassiers zijn grote project alvast in de steigers kan zetten: een duurzame brug slaan tussen jonge talenten en de grote zaal. Het Toneelhuis sloot daartoe een verbond voor vier jaar (2006-2009) met zes jonge talenten: de danser Sidi Larbi Cherkaoui, de theatermakers Wayn Traub, Lotte van den Berg en Benjamin Verdonck, de theatergroep Olympique Dramatique en het arthouse-collectief de Filmfabriek.

Deze zes hebben geen eigen subsidie aangevraagd onder de diverse Belgische kunstenplannen, maar ‘besloten om hun artistieke ontwikkeling aan die van het Toneelhuis te verbinden’, zoals Cassiers’ beleidsplan het formuleert. Het Toneelhuis helpt hen door geld, begeleiding en de Bourla-podia ter beschikking te stellen, zij maken in ruil daarvoor een aantal producties voor het Toneelhuis – voor grote en kleine zaal en op locatie.

Alle zes hebben nauwe banden met Antwerpen. ‘Dat was een voorwaarde voor hun selectie’, aldus Cassiers. ‘Het Toneelhuis is een stadsgezelschap. Ons nieuwe engagement moet wortelen in de Antwerpse cultuur.’ Van daaruit gaat het Toneelhuis op tournee met het eigen werk en dat van de zes ‘cellen’ – in Vlaanderen, Nederland en daarbuiten. ‘Wij hebben de plicht om het Nederlandstalige theater uit te dragen tot over de landsgrenzen’, vindt Cassiers.

Even belangrijk als de lokale roots is de vierjarige duur van het verbond. Cassiers: ‘Je moet jonge makers de kans geven geleidelijk te groeien in de grote zaal. Meestal krijgen ze alle ruimte voor één project. Als dat tegenvalt, is het weer over.’ Hij spreekt uit ervaring. In Rotterdam had hij succes met zijn voorstellingen, zoals de vierdelige Proust-bewerking Op zoek naar de verleden tijd. ‘Maar de aansluiting met de lokale jonge talenten heb ik nooit tot stand kunnen brengen. Terwijl ze er toch moeten zijn.’

Zonder die band raakt een groot stadsgezelschap in een isolement, meent Cassiers. ‘Er komt een muur om zo’n club te staan.’ Dat overkwam de grote Vlaamse toneelhuizen zo’n vijftien jaar geleden. Doordat jonge talenten daar niet aan bod kwamen, verdroogde uiteindelijk ook hun traditionele repertoire. Het publiek bleef weg en in de Vlaamse media regende het genadeloze kritieken. Het Toneelhuis ontstond in 1998 uit een fusie tussen het oude versleten KVS en het jonge gezelschap van de hemelbestormer Luk Perceval.

Het voorbeeld vond navolging, en Cassiers kan nu voortbouwen op Percevals erfenis. ‘In Antwerpen staat iedereen open voor samenwerking tussen jong en oud’, zegt hij. ‘Er heerst hier een geweldige nieuwe dynamiek.’ Waarom dat in het Nederlandse toneel veel minder het geval is? ‘Dat weet ik eigenlijk niet. Nederland liep ooit voorop in het kleine-zaaltheater, en de makers daarvan zetten nu de toon op de toneelopleidingen. Misschien dat zij een anti-stemming helpen kweken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden