JOHN ZORN

Van zijn kwartet Masada verschenen in korte tijd zes cd's. Een box met twaalf live-opnamen is onderweg. Een set van honderd cd's kan worden besteld....

AAN INTERVIEWS en persconferenties doet John Zorn al lang niet meer. Zonder opgave van reden; net als zijn muziek moet die beslissing maar voor zichzelf spreken. Maar toen de saxofonist (New York, 1953) vorig jaar zes concerten in een Amsterdamse club zou geven, wilde de organisator toch een ontmoeting met de muziekpers organiseren. Zorn gaf toe, zij het dat hij er een voorwaarde aan verbond. Het interview moest plaatsvinden terwijl de kunstenaar zich op weg begaf naar het podium in de Voetboogstraat. 'Lopend, of anders misschien in de tram.'

John Zorn is een pestkop. De criticus Peter Watrous - in Zorns woorden medewerker van 'The New York Nazi Times' - werd onthaald op een luid 'Fuck you Peter Watrous', zodra de altsaxofonist hem in een club ontwaarde. Toch noemen zijn vrienden hem zonder aarzelen 'een goed mens'. Hooguit voegen ze er lacherig aan toe dat die provocaties er nu eenmaal bijhoren. Nog sprekender is de trouwe band die Zorn onderhoudt met talrijke namen uit de Amerikaanse jazz, onder wie zachtaardige geesten als Bill Frisell en Joey Baron.

De ideeënuitwisseling is voor Zorn van levensbelang. 'Of we het leuk vinden of niet, het tijdperk van de componist als autonome, muzikale geest is vrijwel aan zijn einde gekomen', schreef hij in 1987. 'De afgelopen veertig jaar hebben de grootste componisten hun arbeid verricht in samenwerking met anderen.' Hij wees op de combinatie Duke Ellington-Billy Strayhorn, en somde in één adem de belangrijkste medewerkers op van John Cage, Stockhausen, Kagel en Steve Reich, om te eindigen bij de studioprodukties van George Martin en The Beatles.

Het is een veelzeggend rijtje. Zorn is een geducht jazzimprovisator. Als hij wil doet zijn altsax harten smelten, al snijdt hij liever elk sentiment aan repen. Maar allereerst ziet hij zichzelf als componist. In die hoedanigheid kiest hij met zorg zijn voorbeelden, in de populaire muziek, en in de avantgarde.

Hoezeer hij ook als brutale eenling poseert, zonder zijn collega's is John Zorn nergens. Zijn ideeën ontstaan via trial and error, in de praktijk van het spelen. Een voorbeeld zijn de 'spelletjesstukken' waarmee hij in de jaren tachtig de aandacht trok. In Cobra introduceerde hij een pakkende vorm van 'geleide' groepsimprovisaties. Met zijn medemuzikanten perfectioneerde hij een transparant systeem van coderingen, die een improvisatie onvoorziene kanten op dwingen.

De Cobra-uitvoering op de Groningse Jazzmarathon was een onvergetelijke kennismaking. Zorn zat als scheidsrechter met een arsenaal aan signaalbordjes op het podium en de theatrale aanblik van spelers die met allerlei handgebaren Zorns aanwijzingen probeerden te doorkruisen, gaf een vermakelijk extra aan de muziek.

Met deze flexibele tactiek maakte Zorn school - ook in Nederland, waar de speelse improvisatie-regie dank zij Misha Mengelberg al een eigen traditie kende. De bandleiders Maarten Altena, Guus Janssen en Jacques Palinckx hebben op hun eigen manier de vruchten van Zorns werkwijze geplukt. Zoals Altena zei: 'Met Cobra is een gordijn opengegaan. Zorns muziek gaat voornamelijk over snelle wisselingen, en in die zin is hij een trendsetter.'

Maar net toen Cobra een begrip begon te worden, gooide Zorn het roer weer om. De ragebol uit de Lower East Side was te ongedurig om zich aan één succes te hechten. Uit zijn platen rees het beeld op van een onverzadigbare alleseter, die zijn tomeloze bewondering voor wel honderd muzikale helden wilde tonen.

De ruim 15.000 platen tellende collectie in zijn sobere appartement in Manhattan - hetzelfde huis waar ooit Jack Kerouac en Allen Ginsberg woonden - spreekt boekdelen. Die omvat niet alleen een schat aan obscure bebop-platen, maar ook volksmuziek, het complete oeuvre van Ornette Coleman, Stravinsky en Bernard Herrmann, tekenfilm-soundtracks, Nederlandse geïmproviseerde muziek, Japanse heavy metal en nog tientallen andere blijken van obsessieve verzameldrift.

Na het succes van Cobra braken jaren van explosieve produktiviteit aan, waarin de saxofonist heel die van informatie verzadigde voedingsbodem met geweld omploegde. Zijn inspiratiebronnen keerden terug in hommages met een onuitwisbaar Zorn-stempel, zoals de liefdevol aan de vergeten bop-pianist Sonny Clark gewijde lp Voodoo.

Zorn had zijn vorm gevonden. Na Cobra volgde zijn eerste succesgroep Naked City, genoemd naar een zompige film noir uit 1948. Dit baldadige kwintet verenigde de talenten van Fred Frith, Bill Frisell, Wayne Horvitz en Joey Baron, bijgestaan door de grafstem van de Japanner Yamatsuka Eye.

Naked City werd een crowd pleaser van de internationale festivals. In heftige montages bracht de groep een virtuoos eclecticisme, waarin een thema van Messiaen hand in hand ging met de herkenningsmelodie van James Bond.

Ook in het duister verborgen thema's kwamen in het volle licht. Zorn woelde de onderste lagen van zijn obsessies bloot, en wat hij er aantrof liet hij zonder gêne zien. Beelden van martelingen, knekelvelden en sm-rituelen verschenen op zijn cd-hoezen, en kregen een pikzwarte pendant in loodzware muziek.

Het strak geregisseerde kabaal in titels als Guts of a Virgin roept de mengeling van afschuw en genot op die een goede horrorfilm kan bewerkstelligen. Al zou Zorn waarschijnlijk liever schrijvers als Sade en Bataille noemen, want wie een filosofische verdediging van zijn principes verlangt kan óók bij hem terecht.

Dat Zorns beladen voorkeur nauwelijks onderwerp van politiek correct- discussies werd, valt misschien te verklaren uit de obscure labels waarop zijn extreemste werk verscheen. En er was zoveel meer dat aandacht vroeg. Zoals de cd's met zijn filmmuziek, waarin wellicht zijn grootste liefde schuilt.

Niet voor niets wordt deze maand in Leuven een festival rond zijn filmmuziek gehouden. Naast een tiental films waarvoor Zorn de muziek schreef - van de komedie She Must Be Seeing Things tot underground-porno - toont Leuven films die een sleutelrol spelen in het Zorn-universum, You Only Live Twice evengoed als Pasolini's Salo.

Het bewijs van zijn meesterschap in dit genre leverde Zorn al in 1986 op de lp The Big Gundown, met strakke herscheppingen van Morricone-thema's als Once Upon A Time in the West. De platenfirma Elektra Nonesuch was er verrukt van, en bood de saxofonist een contract voor zes lp's aan. Zorn zag een nieuwe toekomst voor zich. Hij voelde zich serieus genomen en smeedde ambitieuze plannen met Gidon Kremer, Astor Piazzolla, Tom Waits en de metal-band Metallica. 'Met Prince wordt het misschien wat moeilijker, maar onmogelijk is het niet, nu ik een grote firma achter me heb.'

Er kwam niets van. Nonesuch liet Zorn snel weer vallen, de verwachte opdrachten voor grote films bleven uit ('Hollywood kijkt nooit verder dan het tuinhek', schamperde hij toen zijn muziek kansloos bleek voor een nieuwe Batman) en toen Camel zijn compositie voor een advertentie afkeurde, was het pleit beslecht. Zorn leek voorgoed veroordeeld tot een wereldfaam in cult-kringen.

De componist trok zijn conclusies. Hij verdubbelde zijn inzet, leverde zich aan niemand meer uit, maar verzamelde gelijkgestemden om zich heen, voor wie hij vooral als platenproducer belangrijk werd.

Zijn band met Japan (hij woonde er lange tijd zes maanden per jaar), bewees nu zijn waarde: voor zijn platen gaf het Japanse Avant-label hem de vrije hand. Zorn verzekerde zich van een anonieme mecenas en introduceerde nog een label onder zijn bewind: Tzadik.

De releases zijn inmiddels niet meer bij te houden. Alleen al van zijn kwartet Masada verschenen in korte tijd zes cd's. Een Masada-box met twaalf live-cd's is onderweg. En de grenzen van het betamelijke zijn definitief overschreden met de aankondiging van een set van honderd Zorn-cd's, te bestellen bij voorintekening.

Ook Zorns Nederlandse distributeur Huib Bergman begint het te duizelen. 'Ik ben een bewonderaar van Zorn, maar dit kan de markt onmogelijk verwerken. Als je met hem praat begrijp je wel dat hij die uitlaatklep nodig heeft. Ik denk dat hij bang is dat hij vergeten wordt. Hij voelt zich slecht behandeld door de grote platenmaatschappijen. Die woede uit zich in creativiteit.'

Misschien is er nog iets anders. Juist toen het allemaal mooi genoeg leek, kwam Zorn met een verbazingwekkend nieuw thema - dit keer met een ongebruikelijk grimmige ondertoon. Het begon met een compositie-opdracht van een Duits muziekfestival. In september 1992 presenteerde Zorn in München zijn nieuwe compositie Kristallnacht.

Kristallnacht is een letterlijk pijnlijk stuk. Een verklanking van het onheil van 9 op 10 november 1938, waarbij de nazi's in heel Duitsland synagogen en joodse bezittingen in brand staken. In zijn collage-achtige stuk laat Zorn klaaglijke klezmermuziek en brullende Duitse toespraken uitmonden in een zenuwslopende orgie van brekend glaswerk.

Alsof zijn boodschap zo al niet duidelijk genoeg was, droeg de componist een gele ster met het woord Jude op zijn jas. Een provocatie die de gealarmeerde douane op het Münchense vliegveld uiteindelijk maar negeerde.

Zorn had zijn joodse wortels ontdekt. Hoewel zijn moeder joods is, groeide hij op in een niet-gelovig gezin, waarin joodse tradities geen enkele rol speelden. Over zijn 'bekering' heeft Zorn zich zelden uitgelaten, maar muzikanten in New York herinneren zich hoe hij eens terugkeerde uit Duitsland, woedend over de anti-semitische teksten die hij er op wc-muren las.

De cd Kristallnacht werd een keerpunt. Zorn formeerde een nieuw kwartet, en noemde het naar de laatste vesting van het joodse verzet tegen de Romeinen: Masada. In Masada brengt Zorn een serene fusie tussen avantgarde-jazz en joodse klezmertradities tot stand. Niet langer via botsende montages, maar in een harmonieuze concentratie, waaruit de behoefte aan een nieuw begin spreekt. Het kabaal van Naked City lijkt lang geleden.

Is in Zorns muziek de storm gaan liggen, om hem heen lijkt die des te sterker te loeien. Geïnspireerd door Zorns voorbeeld scharen muzikanten in New York zich onder de vlag van zijn Radical Jewish Culture, een hevig betwiste, maar groeiende beweging, waarin een onorthodox gezelschap joden een nieuwe identiteit zoekt.

Zelfs Misha Mengelberg, wiens cd Who's Bridge Zorn produceerde, moest er aan geloven. Zorn spoorde de pianist tevergeefs aan zich ook eens in zijn joodse oorsprong te verdiepen. 'Met Zorns jewish culture heb ik niet veel op. Maar het moet gezegd: het levert leuke muziek op, frisser dan je op grond van de bronnen zou denken.'

De man die de hele wereld in zijn muziek wilde samenpersen, heeft de blik naar binnen gekeerd. Een vriend feliciteerde hem laatst: zelfs Zorns bejaarde moeder heeft nu plezier in zijn werk. 'Probeer jij me soms te beledigen?', vroeg de componist verbolgen.

Filmworks van en voor John Zorn. Kunstencentrum Stuc, Leuven. 13 januari tot en met 7 februari. Informatie: 00-32-16-236773.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden