interview John de Bever

John de Bever: levensliedzanger en de enige openlijk homoseksuele Nederlandse profvoetballer die er ooit is geweest

John de Bever: ‘Over m’n moeder zou ik kunnen zingen, maar niet over een vent.’ Beeld Ivo van der Bent

Hij is succesvol levensliedzanger en oud-profvoetballer. Het motto van John de Bever: normaal doen en niet zeuren. 

Wie een interview met levensliedzanger John de Bever wil aanvragen, belt even met Kees Stevens, zijn manager en echtgenoot, dan is het zo geregeld. Kees neemt altijd op en Kees hoeft nooit te overleggen. Hij zegt gewoon: ‘Je bent altijd welkom. Wanneer wil je mee? Woensdag? Prima. John haalt je op van Station Den Bosch. Daarna kun je meerijden naar Loosdrecht, daar treedt hij op bij een voetbalclub.’

Zo’n soort artiest is John de Bever (54): benaderbaar. Of, zoals hij het zelf noemt, ‘een mens-mens’. Vandaar ook dat hij elk jaar een fanreis organiseert. Hij vliegt dan samen met honderd man naar Benidorm, waar hij met de fans in een hotel verblijft, samen met ze aan het zwembad ligt en elke dag activiteiten met ze onderneemt of voor ze zingt op het hotelterras. De rest van het jaar treedt hij op: een paar honderd keer, al wil hij niet zeggen hoe vaak precies. ‘Dat vind ik opschepperig.’

Feit is wel dat het aantal optredens sinds 2015 zo ongeveer verdubbelde. Toen scoorde hij een landelijke hit met Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht. De clip werd bijna 17 miljoen keer bekeken op YouTube, dus kent iedereen in Nederland Die lach, concludeert De Bever. Het nummer werd geadopteerd door het Nederlands vrouwenvoetbalelftal tijdens het gewonnen EK in 2017, en in 2018 maakte De Bever ook een PSV-versie van het lied, ter ere van het landskampioenschap.

Die lach is dan ook een geschikt voetballied, zegt De Bever, de tekst is toepasselijk bij winst én verlies. Onlangs bracht hij, samen met Jan Smit, Wij zijn Nederland uit, een aanmoedigingslied voor het vrouwenvoetbalelftal tijdens het WK, waarop ook André Rieu (‘een grootheid’) en Jack van Gelder te horen zijn. Wij zijn Nederland is de laatste weken ook dagelijks op televisie als Blokker-commercial, met een bijrol voor Ronald de Boer die een koekenpan koopt.

Twintig jaar geleden kende bijna niemand John de Bever als zanger. Hij was namelijk voetballer. Hij speelde jarenlang in de Belgische tweede en derde divisie, maar een echte grootheid was hij in de zaal, in 1997 werd hij zelfs uitgeroepen tot beste zaalvoetballer ter wereld. Zijn profcarrière in Nederland beperkte zich tot zes Eredivisiewedstrijden, bij Dordrecht ‘90, in het seizoen 1992-1993. Daarmee is hij nog steeds de enige openlijk homoseksuele Nederlandse profvoetballer die er ooit is geweest.

Zijn succes als voetballer, dat was een kwestie van talent. ‘Niet iedereen houdt van mijn muziek. Maar voetballen, dat kan ik gewoon. Het is een gave. Je kunt het een bietje bijschaven, maar niet leren. Ik had ook een winnaarsmentaliteit, en nog steeds. Toen ik laatste meedeed met het SBS-programma Helden door de modder wilde ik ook winnen. Ik moest samen met Sieneke (zangeres, red.) door een obstacle run parcours. Helemaal geslóópt, was ik, niet goed voor mijn rikketik. En ik hoor nu ook heel slecht, omdat ik zoveel water in mijn oren heb gekregen.’

Zijn winnaarsmentaliteit maakte John de Bever als voetballer ‘geen leuke man’, zegt De Bever. ‘Wij moeten samen geen spelletje doen, want dan vind jij mij niet meer aardig. Ooit speelde ik een wedstrijd tegen een team van verstandelijk gehandicapten. Die moesten winnen, dat was afgesproken. We stonden met 1-0 achter, er was nog een minuut te spelen, en ik dacht ineens: het gebeurt niet. Toen heb ik de 1-1 gemaakt. Het maakte de verstandelijk gehandicapten overigens niks uit, die sprongen in mijn armen. Na afloop van de wedstrijd heb ik ze allemaal een schnitzel en friet gegeven.’

Beeld Ivo van der Bent

Veldvoetbal en zaalvoetbal, De Bever vond het allebei leuk, maar voor het meer technische, snellere zaalvoetbal, bleek hij bijzondere aanleg te hebben. ‘Als ik de bal had, lag-ie snel in de goal. En je speelt in kleinere teams, dus ik kon makkelijker anderen motiveren.’ Van het voetbal heeft De Bever nooit kunnen leven. ‘Nee joh. Ik ging naar Dordrecht ‘90, in de Eredivisie, en verdiende daar per jaar 25.000 gulden. Maar je moet ook weten dat ik op mijn negentiende eigenlijk ben afgekeurd als profvoetballer. Ik reed op de dag na Kerstmis met tachtig kilometer per uur tegen een tractor, en brak mijn neus, oogkassen, enkel, scheurde mijn kruisbanden. De eerste nacht in het ziekenhuis hoorde ik een pastoor gebeden uitspreken. Ik kreeg mijn ogen niet open, dus dacht ik dat ik bediend werd, dat ik dood zou gaan en dat die pastoor de sacramenten kwam toedienen. Ik zei: ‘Ik ben nog goed! Ik mankeer niks!’ Bleek het om de persoon in het bed naast mij te gaan, maar dat kon ik dus niet zien. Ik was op weg om een contract te tekenen bij FC Antwerp. De schadevergoeding bedroeg 400.000 gulden, het bedrag dat ik zou hebben verdiend als profvoetballer. Daar heb ik heel lang op kunnen teren. Die gebroken enkel hadden ze in het ziekenhuis trouwens over het hoofd gezien. Daar heb ik een jaar mee doorgelopen, maar het bleef pijn doen bij het voetballen. Bleek-ie op vier plaatsen gebroken te zijn, er waren overal kalkafzettingen.’

Hij stroopt zijn broekspijp op. ‘Het is helemaal vergroeid. Zie je? Dat ik daar zo lang mee heb doorgelopen, dat is ook weer die winnaarsmentaliteit.’

John de Bever (links) vlak voor zijn optreden op een voetbalclub in Loosdrecht. Beeld Ivo van der Bent

Beetje vreemd misschien, afgekeurd worden als voetballer maar toch doorgaan met voetballen. Maar zaalvoetbal is geen profvoetbal, en bij Dordrecht ‘90 werd De Bever nooit gekeurd. ‘En daar heb ik ook niks van gezegd. Het was geen succes trouwens, na zes wedstrijden heb ik mijn contract ingeleverd. Er speelden daar jongens die hun geld voor dat seizoen al hadden verdiend en zouden vertrekken naar andere clubs. Die hadden hun vakantie al geboekt en geen zin om nacompetitie te spelen, ze wilden liever degraderen. Lachwekkend. En ik had gezegd dat ik er tien zou maken! Ja, dat werd onaangenaam. Er werd gezegd: wacht nou, die rotte appels zijn volgend jaar weg. Maar ik ging met tegenzin voetballen, dus ik stopte ermee. Toen was het weer zoals het was.’

En dan was er nog de omkopingsaffaire in België, in 1999. Westerlo verloor met 4-2 van Kortrijk, en twee spelers van Westerlo bekenden dat ze zich voor 600 euro hadden laten omkopen. Tussenpersoon zou John de Bever zijn geweest. ‘Ik heb een telefoonnummer doorgegeven, meer was het niet. En toen las ik op Teletekst dat ik tot negen maanden cel veroordeeld was. Bij verstek, want ik zat op Ibiza. Allerlei stukken in de krant. In hoger beroep ben ik vrijgesproken, maar dat werd maar een piepklein artikeltje. Ik weet verder helemaal nergens niks van. Ik heb nooit iets fouts gedaan. En voor de rest wil ik er niks over zeggen, want het is twintig jaar geleden. Schei uit.’

Op de avond van het optreden in Loosdrecht rijdt John de Bever zijn Jaguar langs het station in Den Bosch, op tien minuten rijden van de bungalow die hij bewoont met Kees, hun twee honden Jacky en Bentley, en Marianne Weber. Inderdaad - de koningin van het levenslied is vaak op Gran Canaria, maar als ze in Nederland is, woont ze bij Kees en John. ‘Eerst durfde ik nog niet eens hallo tegen haar te zeggen, maar nu woont ze hier alweer vier jaar. We maakten samen een album en moesten best vaak samen optreden. En zij woonde in Voorthuizen in de rimboe, dus ik zei: je kunt hier slapen, want we hebben een kamer over. Ze kan goed overweg met Kees. Met mij ook, maar met Kees nog beter.’

Levenspartner en manager Kees ontmoette hij tien jaar geleden in restaurant Tante Pietje in Den Bosch. ‘Het eerste wat ik tegen hem zei was: ‘Jij bent een homo.’ Hij schrok, want hij had een vriendin. Die avond reed hij naar huis en vertelde hij het voorval aan zijn oma. ‘Dat weten wij toch al lang’, had zijn oma gezegd. Hij maakte het uit met zijn vriendin en sindsdien zijn we samen. Drie maanden later zijn we getrouwd. Kees regelt alles voor mij. Maar op een gegeven moment heb ik wel gezegd, ook omdat hij twintig jaar jonger is, dat hij ook zijn eigen leven moet leiden. Nu heeft hij zijn eigen platenlabel en is hij ook de manager van Marianne Weber en Sieneke. Kees is nu in Benidorm, voorbereidingen aan het treffen voor de fanreis van volgende week. Hij heeft me voor deze week een lijstje gegeven met de optredens die ik moet doen. Ik hoef zelf nergens aan te denken.’

Het podium is een picknicktafel. Beeld Ivo van der Bent
Beeld Ivo van der Bent

Het feit dat hij tot op heden de enige openlijk homoseksuele profvoetballer is, daarover heeft John de Bever eigenlijk maar weinig te zeggen. ‘Ik liep niet met het bordje ‘homo’ op mijn hoofd hoor, zo was het niet. Wat dacht jij dan? Op het veld was ik zo fanatiek en deed ik vaak zo achterlijk, dat ze dachten: hij kan geen homo zijn. Mensen hebben daar toch een ander beeld bij, denken dan toch aan verwijfde mannen, of aan de Gay Pride. Luister: iedereen moet zijn leven leiden zoals-ie wil. Maar persoonlijk vind ik het vreselijk, mannen in een string op een boot. Als je zo graag geaccepteerd wil worden, doe dan lekker normaal. Door de Gay Pride denken veel mensen dat homo’s rare lui zijn. Homobars, ook zoiets raars. Waarom moeten er aparte bars zijn? Dat is toch geen acceptatie? Als er vroeger een feestje was, nam een ander een vriendin mee en ik gewoon een vriend. Warry van Wattum heeft het bij Dordrecht wel eens gevraagd: ‘John, ben jij homo?’ Dat vond ik goed van hem, dat hij dat zo rechtstreeks vroeg. ‘Hoezo dan Warry, zoek je een vriend?’ Ik maakte er een grapje van, de hele kleedkamer lag dubbel.’

Normaal doen en niet zeuren, luidt het motto van De Bever. Normaal doen, dat betekent bijvoorbeeld ook dat hij in zijn nummers zingt over de liefde tussen man en vrouw, en niet over die tussen man en man. ‘O nee zeg, ik zou nooit over een man zingen. Wat is dat nou toch? Ik vind dat hetzelfde als op de Gay Pride gaan staan. Aandachttrekkerij. Over m’n moeder zou ik nog kunnen zingen, maar niet over een vent.’

En niet zeuren, dat betekent bijvoorbeeld dat, als je er aanstoot aan neemt dat er op voetbaltribunes met ‘homo’ wordt gescholden, je er niet moet gaan zitten. ‘Je moet ergens tegen kunnen en niet overal flauw over gaan doen. Homootjes die gaan zeuren over iets wat Johan Derksen bij Veronica Inside heeft gezegd, hou toch op. Dat zijn dezelfde types die op zo’n boot gaan staan in hun onderbroekske. Derksen is een lieve man, ik kus hem als ik hem zie. Hij heeft er totaal geen moeite mee dat ik op mannen val.’

Wel geeft hij toe, na enig aandringen: je moet best sterk in je schoenen staan om naar buiten te treden als homoseksuele voetballer. ‘Natuurlijk, openheid zou gestimuleerd moeten worden. Als ik voetbaltrainer zou zijn, zou ik tegen de groep zeggen: wees wie je bent. En ik zou altijd partij kiezen voor de homoseksuele speler. Ik vind het belachelijk dat sommige profclubs hun spelers afraden om uit de kast te komen (zoals KNVB-voorzitter Michael van Praag onlangs vertelde in de Gaykrant, red.). Dat is echt slecht beleid.’

Zijn eigen rotsvaste zelfvertrouwen op dit gebied, en eigenlijk op elk gebied, heeft hij aan zijn ouders te danken, zegt De Bever. ‘Die maakten er geen probleem van, en dan ben je al een heel eind. Ik wist al toen ik 13 was dat ik me meer aangetrokken voelde tot jongens. Mijn vader zei: ‘Als je maar nooit met een huppeltrutje thuiskomt.’ Dat was het eerste wat hij zei. En het laatste. Er is verder nooit meer over gesproken. Mijn ouders waren te intelligent om er moeilijk over te doen.’

Thuis in Den Bosch. Beeld Ivo van der Bent

Zijn vader was beheerder van een sporthal, zijn moeder vertegenwoordiger in make-upspullen. De Bever heeft drie zussen, hij was ‘uiteraard’ zijn vaders oogappeltje, als enige zoon, en dan ook nog een zoon die kon zingen én voetballen. ‘Een heel lief gezin. Ik lijk erg op mijn vader, ik ga elke ochtend bij hem langs. Mijn moeder had Alzheimer, die is dood - net op tijd, want ze wist niks meer. Ik ging vijf keer in de week met haar kleren kopen in de stad. Elke keer dat ik bij haar kwam zei ze: ‘Ik heb al de hele week hetzelfde aan.’ Eerst ging ik met haar naar Marccain, een dure winkel, maar daar ben ik mee gestopt want mijn moeder wist op een gegeven moment niet meer of ze een jurk droeg of een broek. Het klinkt hard, maar ja. Mijn vader heeft haar altijd thuis gehouden, acht jaar lang heeft hij haar verzorgd. Mijn moeder kwam vijf keer per nacht uit bed en zei dan: ‘Goeiemorregen!’ Mijn vader ging dan mee naar beneden, koffie zetten, doen alsof het ochtend was. Hij wou haar niet kwetsen, denk ik.’

De Bever, ineens op zijn praatstoel: ‘Ik denk dat het net op tijd voorbij was, met mijn moeder, anders was hij eraan onderdoor gegaan. Maar het was niet alleen ellende, wij hebben veel met haar gelachen, in die tijd. Als ik Koningin Beatrix zie, denk ik aan haar. Dat statige. En toch ook normaal. En lief. Iedereen vindt zijn eigen moeder lief. Maar ik had de liefste moeder die er ooit was. Ander onderwerp!’

Dan gaat ineens de bel van de voordeur. Herder Bentley begint te blaffen. De buurvrouw komt vertellen dat het andere hondje, de kleine Jacky, buiten op het uitlaatveldje loopt. Ontsnapt, De Bever heeft de voordeur open laten staan. ‘Och! Is die kleine eruit genaaid? Ben zo terug!’

Hij beent de deur uit, naar het uitlaatveldje. Een paar minuten later zijn ze terug. ‘God, ik ben helemaal overstuur. Ik dacht, straks rijden ze hem dood. Hij is nog nooit weggelopen, ik zit hier gewoon te slapen! Ik had de voordeur openstaan en hij is gewoon naar het veldje gelopen waar-ie altijd wordt uitgelaten. Dat weten ze dan toch, hè. Ik wilde eigenlijk nooit honden, weet je dat? Kees wilde een hond en ik vind altijd alles goed. En ja, dan ga je er ontzettend van houden. Een hond verliezen is verschrikkelijk. Onze eerste herdershond reden ze voor mijn ogen dood, op Eerste Kerstdag. Hij stak de weg over en een vrouw, ze ging niet eens hard, reed hem zo aan. Ze zat te bellen, dat heb ik gezien. De hond leek eerst niks te mankeren, maar ineens kwam er bloed uit zijn mond, inwendige bloeding, dood. ‘s Avonds belde die vrouw, dat haar bumper in elkaar lag, ze vroeg hoe we dat gingen oplossen met de verzekering. Ze vroeg niet eens naar onze hond. Ik zal maar niet herhalen wat ik toen heb gezegd tegen die vrouw, want dan kan ik nooit ergens meer optreden. Maar ik heb haar vervloekt, dat wil je niet weten. De volgende dag hebben we een puppy gehaald, ook een herder.’ Hij wijst naar Bentley. ‘Dat is het beste, dan vergeet je het het snelst. We hebben hem Bentley genoemd, net als de vorige. Bentley 2, dus eigenlijk.’

Beeld Ivo van der Bent

Vijf minuten voor aanvang van het optreden op SVV Loosdrecht heeft De Bever nog geen flauw idee waar hij zo moet gaan zingen. In een tent? De kantine? Is er wel een podium? Er wordt nog gevoetbald, Loosdrecht staat met 9-3 achter. In de kleedkamer, eigenlijk een kantoortje, staan de prijzen voor een benefietloterij opgestapeld: een keukenmachine, barbecuegereedschap, een gesigneerd shirt van Ajax-speler Donny van de Beek. Loosdrecht, dat is niet het makkelijkste deel van Nederland, voor De Bever. In het zuiden en oosten van het land, daar vind je over het algemeen de gezelligste mensen. Als de wedstrijd klaar is, mag hij gelijk gaan zingen, meldt een mevrouw van de organisatie. ‘Moeten die spelers niet eerst douchen? Het maakt mij niet uit, maar ik ben dus opvulling. Ik vind het raar. Dit zou in Brabant nooit kunnen.’

Het podium blijkt een picknicktafel te zijn. John de Bever klimt er bovenop en begint zijn optreden zoals hij elk optreden begint, met Die lach. En zoals altijd eindigt het na 25 minuten zingen ook met Die lach. De tussenliggende nummers zijn afhankelijk van het soort publiek. In dit geval maakt De Bever het niet te moeilijk, en zingt hij bijvoorbeeld zijn houseversie van Het kleine café aan de haven, de meezinger van Vader Abraham - zijn ontdekker. ‘Ik was veertien, ik zong bij een optreden op de Nijmeegse vierdaagse, en daar was Vader Abraham toevallig aanwezig. Hij nodigde me uit bij hem thuis. Ik reed de volgende dag met mijn ouders naar Breda en kreeg daar, dat vergeet ik nooit, een glas melk en een bruine boterham met kaas. Ik zat te trillen van de zenuwen. Toen zei hij: ‘Ga maar bij dat bureau staan, Johnny, en zing een stukje.’ Dus ik zong: Een kind zonder moeder, is als een vaas zonder bloemen. ‘Ho, stop maar’, zei hij. ‘Wij gaan een plaat maken.’ Ik kreeg meteen een tweejarig contract, heb heel Nederland, België en Duitsland gezien. Hij was aardig, maar serieus, hè. Héél serieus. Na twee jaar dacht ik: ik kan ook goed voetballen, dat ga ik eerst proberen. Dan ga ik naderhand wel weer zingen. En zo is het precies gegaan.’

Overleeft een liefde ziekte, een miskraam of vreemdgaan? In Van Twee Kanten interviewt Corine Koole twee partners apart van elkaar over een heftige gebeurtenis in hun relatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden