John Bull heeft een grote

MIJN GROOTOUDERS van vaderszijde trouwden in het begin van de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Het moet een echte onderwijsbruiloft zijn geweest....

JAN BLOKKER

Toen dus al! De 'grote' Boerenoorlog (die van Ladysmith, Kimberley, Mafeking, Magersfontein, Spioenkop en niet te vergeten oom Kruger) lag nog in het verschiet, maar de eerste, die intussen een beetje in de vergetelheid is geraakt en die duurde van 1877 tot 1881, was net achter de rug. En in ieder geval in schoolmeesterskringen was die blijkbaar al intens meebeleefd.

Veel later, toen ik een klein jongetje was, gaf mijn stokoude, gepensioneerde grootvader me nog een keer een raadseltje op, dat zo ging:

John Bull heeft een grote,

Piet Joubert heeft een kleine,

Alle Boeren hebben er een,

Maar koningin Victoria heeft er geen.

Ik begreep onmiddellijk dat het een piemel was, maar ik begreep ook meteen dat mijn grootvader - fatsoenlijke man, we hebben het bovendien over de jaren dertig - dat nooit bedoeld kon hebben, dus ik jokte dat ik het niet wist. Ik wist het ook niet, want de oplossing luidde: de letter B.

Deze even vrolijke als leerzame privé-herinneringen vanwege Holland op zijn breedst, een studie van Martin Bossenbroek over de rol van Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur van rond de eeuwwisseling, en eigenlijk meer precies vanwege de prikkelende centrale these die in dat boek wordt uitgewerkt: 'Door toedoen van Indië en Zuid-Afrika versterkte Nederland zijn nationale zelfbewustzijn en verrijkte het zijn nationale cultuur.'

Het smalle Holland kennen we van z'n letterlijke en z'n overdrachtelijke betekenis: het was letterlijk de minieme strook van amper twintig kilometer tussen Amsterdam en IJmuiden, die tussen 1865 en 1883 werd doorgraven met het Noordzeekanaal, en het was in overdrachtelijke zin de aanduiding van Hollandse zuinigheid en kleingeestigheid, en in die betekenis voor 't eerst gebruikt door het kamerlid Victor de Stuers in een klassiek gebleven Gids-artikel waarin hij de verwaarlozing van het nationale cultuurbezit aan de kaak stelde; niet toevallig natuurlijk dateert dat stuk uit de periode dat het graafavontuur aller aandacht trok: 1873.

Uitgangspunt voor Bossenbroek is dat het 'Holland op zijn smalst' tegen het einde van de negentiende eeuw had afgedaan, en dat Holland zich juist breed maakte. 'Met behulp van Indië en Zuid-Afrika trad het zelfs tijdelijk buiten zichzelf', doordat enerzijds de Afrikaanders in hun heldhaftige verzet tegen het 'perfide Albion' ineens werden geherwaardeerd als stamverwanten, en anderzijds de militaire operaties van het Nederlandsch-Indische Leger (Atjeh, Lombok) de publieke belangstelling stimuleerden voor een kolonie die tot dan toe niet of nauwelijks tot de (volks)verbeelding had gesproken.

Tot zover in grote trekken de stelling, en één ding is zeker: ze heeft de schrijver geïnspireerd tot een veelzijdig, boeiend en rijk boek over krijgsmacht, wetenschap, bedrijfsleven, kunst, politiek en media in de Nederlandse samenleving van omstreeks 1900. De studie maakt deel uit van een 'prioriteitsprogramma' van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) over de nationale cultuur in Europese context, 'in het bijzonder voor het zogenoemde ijkpunt 1900', zoals in een nogal cryptisch voorwoordje wordt onthuld, en je mag hopen dat andere medewerkers aan dat programma gezegend zijn met de stilistische talenten van Bossenbroek, want die schrijft nooit cryptisch, integendeel: die excelleert op basis van een zekere laconieke ondertoon met een verhelderend, trefzeker en beeldend taalgebruik.

Holland op zijn breedst heeft aan de ene kant de adem en de ambitie van Jan Romeins 'Breukvlak', maar lijdt aan de andere kant op geen enkele manier aan de leerstelligheid (en het moeizame Nederlands) waarin de 'integrale geschiedschrijving' van Romein verstrikt raakte. Ook zonder de specifieke these van waaruit Bossenbroek vertrekt - en die hij de lezer niet voortdurend hinderlijk inpepert - zou het boek een waardevolle bijdrage zijn gebleven aan het inzicht in een nog betrekkelijk nabij verleden.

Of de stelling in de loop van het instructieve geschiedverhaal ook metterdaad wordt 'bewezen', is een tweede.

'Aan een mogelijke samenhang tussen beide fenomenen' (de Boeren-hype en het meeleven met Indië) 'is tot nu toe geen systematische aandacht besteed', stelt Bossenbroek in zijn proloog - en aan de vraag of die twee zaken mogen worden gezien als signalen van een opkomend nationalisme, of zelfs imperialisme, al helemaal niet.

Er is natuurlijk ook een nogal fundamenteel verschil tussen beide. Afrika bleef - zie mijn grootvader - misschien wel lang in de herinnering leven, maar was toch een incident geweest. Met Indië daarentegen waren we structureel getrouwd, en dat zouden we graag zijn gebleven als de Indonesiërs niet op een scheiding hadden gestaan. De economische, politieke, en ook culturele invloed die het bezit van de 'Oost' op onze samenleving heeft gehad, dateert van vóór het einde van de negentiende eeuw, maar vóór het uitbreken van de Boerenoorlogen was de Nederlandse interesse voor Zuid-Afrika vrijwel nul, en na het gloriemoment waarop we Paul Kruger in vol ornaat van z'n vluchtadres naar Den Haag verscheepten, is de belangstelling ook weer snel verflauwd.

In het grote handboek van de Nederlandse letteren van Prinsen (eerste druk 1916) kwam de Zuid-Afrikaanse literatuur ondanks de stamverwantschap ook niet aan de orde, en in het kleine vademecum van De Vooys komen de Zuid-Afrikanen pas in de drukken uit de jaren dertig aan bod.

Daar staat tegenover dat de Boerenveldslagen niet alleen in Amsterdamse straatnamen, maar ook in jongensboeken, liederen en overige Sarie-Marijzigheden gekoesterd zijn gebleven, maar dat m'n grootvader me nooit raadsels heeft opgegeven over Van Heutz, zomin als ik me vaderlandse heldenliedjes over Kutaraja of de Lombok-expeditie kan herinneren, en die zijn er misschien wel geweest (Bossenbroek citeert een paar schoolboekjes die er rond 1900 niet om logen), maar klaarblijkelijk zijn ze ook weer snel vergeten, of verdrongen, of onderdrukt.

Hoe 'conjunctureel' of hoe kortstondig was kortom het Nederlandse imperialisme?

Holland op zijn breedst geeft daar niet helemaal antwoord op - de antwoorden op vragen naar met name een in de laatste decennia van de negentiende eeuw opgekomen 'cultureel nationalisme' zijn in ieder geval een stuk duidelijker en bevredigender.

Ik miste in het boek tot slot een verwijzing naar de Bos-atlas, die zelf weer een bijproduct geweest moet zijn van de Wet op het Middelbaar Onderwijs (1863) of meer in 't bijzonder de inrichting van Hogere Burgerscholen. Elke atlas, is mijn stokpaard, is een teken van 'imperialisme', de eerste stap op weg naar de exploratie en exploitatie van vreemde landen. De uitgestudeerde jongelui die in 1900 de maatschappij in gingen, behoorden tot de eerste generatie van kinderen die met een volledig aardrijkskundig programma waren opgevoed - in hun tijd hadden ook de eenvoudige atlassen 'van Nederland en koloniën' hun intrede gedaan.

Drenthe en Brabant in één adem met Borneo en Sumatra: dat moet hun gevoel voor nationale eigenwaarde pas sterk hebben gemaakt.

Martin Bossenbroek: Holland op zijn breedst - Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur omstreeks 1900.

Bert Bakker; 443 pagina's; ¿ 59,90.

ISBN 90 351 1695 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden