Review

Johan Simons lijkt zich met Alceste geen raad te weten

Regisseur Johan Simons lijkt zich met het stuk geen raad te weten en laat het koor, de bediendes en Alceste vooral veel heen en weer draven. De aantrekkingskracht zit 'm vooral in de muziek en dirigent René Jacobs.

Het Music Aeterna Koor in Alceste.Beeld epa

Met een orgie van witplastic tuinstoeltjes opent Johan Simons zijn tweede editie als intendant van de Ruhrtriënnale, het festival dat verlaten fabrieksterreinen tussen Dinslaken en Dortmund omtovert tot tempels van cultuur.

De stoeltjes zijn alom tegenwoordig in zijn enscenering van Alceste, de opera uit 1767 van Christoph Willibald Gluck. Ze liggen op een grote hoop achter het orkest. Ze worden innig omarmd als danspartners van de koorleden. Ze vallen uit de hemel als de wereld siddert onder het besluit van koningin Alceste om haar leven te geven voor dat van haar echtgenoot Admeto. Als ze zich realiseert wat haar belofte inhoudt, komt er bij haar een stortvloed van emoties los. Ze is geen koene heldin, maar vooral een moeder die haar kinderen niet wil missen en een echtgenote die haar man laat beloven haar ook na haar dood trouw te blijven.

Immense pijpenla

Voor de productie is de reusachtige Jahrhunderthalle in Bochum verkleind tot een nog altijd immense pijpenla, die door L-vormige tribunes wordt begrensd en nog eens extra versmald. Het publiek langs de lange wand moet zich in bochten wringen om te zien wat zich op de zwartglanzende toneelvloer afspeelt.

Halverwege zit het Belgische barokorkest B'Rock, dat merkwaardig genoeg speelt in de richting van waar nu net géén publiek zit. Toch word je onmiddellijk aangestoken door de pijlsnel reagerende orkestmusici en het hammerklavier, harp en cello spelende groepje continuospelers daarachter. Met fantasie en een zeldzame verfijning maken ze iedere emotionele schakering in het gemoed van de gekwelde Alceste voelbaar. De koorzangers van MusicAeterna uit Perm, links en rechts naast het orkest, leveren op sublieme wijze commentaar. Aanstichter van die weelde is de dirigent René Jacobs, die je bij de hand neemt door de partituur en je pas na de laatste noot weer loslaat.

Ruhrtriënnale - Alceste

Opera. Van Christoph Willibald Gluck. Regie: Johan Simons. Solisten, MusicAeterna Koor, B’Rock Orchestra o.l.v. René Jacobs. 12/8, Jahrhunderthalle, Bochum. T/m 28/8.

Kitscherig plaatje

Wonderlijk is de combinatie met de enscenering van Johan Simons. Terwijl Jacobs binnen de zwaarte van het verhaal telkens zorgt voor subtiele verrassingen, lijkt Simons zich met Glucks stuk geen raad te weten. Hij laat het kleurig uitgedoste koor, de bediendes en Alceste vooral veel heen en weer draven. Het dochtertje van Alceste mag omhoog klimmen naar een raam en naar buiten staren. Het levert een kitscherig plaatje op.

Een uitzondering maakt hij voor Georg Nigl, de Oostenrijkse bariton die de rollen speelt van een god uit de onderwereld en Apollo. Hij daalt af van een verre, roestige fabriekstrap en wandelt dwars door alle stereotiepe gebaartjes heen - vocaal in topconditie en met een houding van wie-doet-me-wat.

Attractie zit 'm in de muziek

Even lijkt ook de tenor Thomas Walker (koning Admeto) de voorstelling op te tillen. Als hij zich realiseert dat hij verder mag leven, steekt hij met zijn overwinnaarshouding de anderen aan, maar dat duurt niet lang.

Keer op keer draaft koningin Alceste op, diep gebogen onder haar immense verdriet. De Noorse sopraan Birgitte Christensen laat zich er muzikaal niet door van de wijs brengen en blijft tot het eind een donker getimbreerde, gloedvolle, wat zwaarlijvige Alceste.

De attractie van deze productie zit 'm in de muziek. In het koor van MusicAeterna, in B'Rock, in Birgitte Christensen, in Kristina Hammarström (haar dienares Ismene), in Georg Nigl en, vooral, in René Jacobs, die je de nietszeggende enscenering laat vergeten.

Ruhrtriënnale kiest voor de sobere, italiaanse alceste

Gluck schreef deze versie als hervorming van de barokopera met zijn ijdele sterzangers.

De ene Alceste is de andere niet, zelfs als ze beide zijn geschreven door Christoph Willibald Gluck (1714-1787). René Jacobs houdt tijdens de Ruhrtriënnale een pleidooi voor de weinig opgevoerde sobere eerste, Italiaanse versie van het stuk. Die ontstond toen de barokopera was uitgegroeid tot een feest van ijdele sterzangers met immense gages die de dienst uitmaakten op en achter de podia. Gluck ging daar met zijn hervormingsopera's dwars tegenin. In de eerste versie van Alceste vermijdt hij zelfs het kleinste coloratuurtje. Zijn koningin Alceste moest geen bovenaards superwezen worden, maar een vrouw van vlees en bloed. Haar verdriet maakt hij voelbaar in sidderende violen, in de onheilstijding van drie trombones, in het echoënde commentaar van een koor dat teruggrijpt naar het oude Griekse drama.

Toch schreef hij jaren later een nieuwe, Franse versie van het stuk. Daarin blijft hij dichter bij de versie van Euripides en mag de god Herakles wat licht in het duistere verhaal brengen. Niet verwonderlijk dat die latere Alceste de strenge Italiaanse van de podia heeft verdrongen.

Hoe groot de invloed van Alceste was, hoor je al in de ouverture. Je waant je even in Don Giovanni, de opera die Mozart in 1787 schreef, twintig jaar na deze oerversie van Gluck.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden