Column

Johan Derksen? Daar had ik nog een appeltje mee te schillen

Peter Buwalda over zijn tijd bij het literaire poptijdschrift WAHWAH

Nu ook zonder hedendaagse blues.

Johan Derksen. Foto anp

Voor de woonstede stopte een Volvo Station, zo'n groene bak waarmee de Canadezen het strand van Normandië opkwamen. Er zat een baard in die naar me tuurde. Ik ken jou ergens van, dacht ik. Pas toen hij begon te grijnzen en te knikken, wist ik het.

Johan Derksen.

Krijg nou snorharen. Wat moest die hier? En waarom zat hij zo lijp naar me te lachen?

Mijn gedachten schoten naar vroeger, toen ik nog bij WAHWAH zat, het literaire poptijdschrift dat constant bijna failliet ging en op een dag: helemáál.

Tja. Je hebt miljoenen mensen die platen kopen, dachten wij, en je hebt miljoenen mensen die boeken kopen. Al deze mensen sámen gaan WAHWAH kopen. Was niet zo. Oké, niks aan de hand, dachten wij, je hebt nog altijd honderdduizenden mensen die boeken én platen kopen: die zijn voor ons. Was ook niet zo. Oké, dachten wij, we zijn met vier redacteuren en iedereen heeft familie. Dat was wel zo.

We moesten snel op zoek naar uitstel van executie, in de vorm van gastredacteuren. Voor ons laatste nummer, een bluesnummer, kwam ik op de proppen met Johan Derksen, die nu, tien jaar later, serieus zijn Volvo aan het inparkeren was. Voor mijn huis! What the fuck.

Nou ja, niet erg - ik had toch nog een appeltje met hem te schillen. Ja, nu ging ik graven ook. Ik was destijds naar Gouda gereisd, naar de VI-redactie, om te overleggen. Het was erop of eronder. Johan, zoals ik hem mocht noemen, zou een groot stuk maken over hedendaagse blues. Bovendien had hij een kant-en-klare minibiografie liggen over Cuby + Blizzards, die kon er, flats, in.

Dat 'flats', merkte ik al snel, was een korte samenvatting van de volle werkweek die deze onderknuppel nodig had voor de restauratie van Johans kant-en-klare minibiografie. Kent u Ik vertrek? Ik was zo'n echtpaar dat voor een kant-en-klare ruïne in Hongarije stond, om er met een kwast en schroevendraaier een hotel van te maken.

Vlak voordat onze blues-WAHWAH naar de drukker moest, ging het stuk over hedendaagse blues niet door. Johan had het toch te druk. Het EK kwam eraan, hè.

Snapten we. No probz. Het werd evengoed een mooi nummer.

Daar bleek onze gastredacteur het niet mee eens. De blues-WAHWAH lag nog niet in de winkel, of Johan kwam op de radio, we hadden hem als de bliksem een exemplaar laten bezorgen, per helikopter, want hij ging er iets over zeggen. De strategie werkte!

Wat hij erover zei, was dat hij zwaar teleurgesteld was in de blues-WAHWAH. We hadden een wanprestatie geleverd, vertelde hij de luisteraar, er stonden alleen maar slappe kulstukken in, en waarom ging het nergens in dat hele blaadje over hedendaagse blues?

Daar kwam hij aan, hoor, over het tuinpad. Maar wacht eens, het was mijn broer! Ik moest een bril, of een stok met een hond.

'Wat stond je zojuist raar naar me te koekeloeren', vroeg Mike meteen. 'Herkende je me niet? Je keek alsof ik een spook was.'

'Ik dacht serieus dat je Johan Derksen was', zei ik.

'Dat is sterk', zei hij, 'ik dacht dat jij Wilfred Genee was.'

'Echt?'

'Nee, natuurlijk niet.'