Recensie Johan Andreas dèr Mouw

Johan Andreas dèr Mouw – Nederlands enige echte mysticus – is weer tot leven gewekt

Een bijzondere heruitgave en een biografie van Johan Andreas dèr Mouw wekken Nederlands enige onversneden mysticus tot leven. 

Beeld Martyn F. Overweel

Hij is de enige onversneden mysticus in onze literatuur, of we moeten teruggaan naar de 13de-eeuwse Hadewijch en haar visioenen. Hij gold decennialang als geheimtip onder poëzieliefhebbers en neerlandici. Dat is voor veel lezers niet echt een aanbeveling, net zomin als het pseudoniem Adwaita, de titel van de bundel Brahman en het aanstellerige, zelfbedachte accentje in zijn echte naam Dèr Mouw. Maar wie deze dichter griezelend terzijde legt, mist gedichten die tot de beste uit de Nederlandse literatuur behoren.

Johan Andreas dèr Mouw (1863-1919) leefde in de tijd van de Tachtigers, maar zijn poëzie is gewoner en aardser, minder geëxalteerd, woordkunstig en op zichzelf verliefd dan die van Kloos, Verwey en Gorter, ondanks de onmiskenbaar esoterische thematiek. Bij Dèr Mouw bestaan er geen platte of verheven onderwerpen. Alles, kinderen, dieren, ideeën, doet even hard mee: ‘dan voel ik éénzelfde adoratie branden/ voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

Mijn taalorkest – Een ruime keuze uit ‘Brahman’ (vijf sterren)

Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita)

Samenstelling Jan Kuijper.

Vantilt; 184 pagina’s; € 19,95.

Deze poëzie is tijdloos, en weerloos. De enige andere dichter aan wie ze me doet denken, in de mengeling van wanhoop en nuchterheid, is de Portugese tijdgenoot Pessoa. Net als hij wil Adwaita de grens tussen het ik en de wereld, tussen aards en goddelijk, dood en leven opheffen. In veel gedichten roept hij zijn kindertijd op. Toen was hij nog ongebroken één. Vanzelfsprekend was er de liefde van zijn moeder, en de zekerheid dat God hem behoedde. Thuis was alles fijn, ‘behalve ’s maandags, als we zuurkool aten’.

Eenmaal volwassen kan hij het speelgoedkonijn kopen dat hij als kind zo graag wilde hebben, maar dan is het verlangen weg. Hij schreeuwt van angst, maar ‘moeder kon ’t niet horen./ Want die was dood. En daarom kwam ze niet.’ Brahman vinden, of worden, dat moet je zelf doen: ‘ik heb geen Christus nodig die mij redt;/ mij hoeft geen God mijn zonden te vergeven . (…) Ik ben de Scarabee, de Gouden Kever,/ aas niet op bloed, scheur ’t web, veracht de Wever.’

Dankzij Jan Kuijper, die de heruitgave Mijn taalorkest bezorgde, zijn deze gedichten weer bereikbaar. In zijn nawoord betoogt hij niet hoe voortreffelijk de gedichten zijn, dat moeten we zelf maar ontdekken. Kuijper wijst op de grote, achteloze technische beheersing van deze dichter, en op het bijzondere metrum.

Tegelijk met deze bijzondere bundel verscheen de biografie van Johan Andreas dèr Mouw, door Lucien Custers. Bundel en biografie versterken elkaar; je begrijpt waarom déze man zulke poëzie kon schrijven. Hij was een nog wonderlijker kerel dan ik al dacht, geholpen door foto’s van een pluizige, excentrieke baardmans, in vodden van kleren. Custers had erg weinig, en weinig betrouwbare bronnen tot zijn beschikking, en levende getuigen waren er niet meer. Het is bewonderenswaardig wat hij door stug spitwerk nog allemaal naar boven heeft weten te krijgen.

Dèr Mouw was het grootste deel van zijn leven leraar, later bijlesleraar, klassieke talen. Hij was getrouwd, met Nans, met wie hij afsprak dat ze een huwelijk zonder seks zouden hebben, en met wie hij een pleegdochter had. Zijn twee grote liefdes waren jongens, allebei leerlingen, Max Schwartz en de latere literator Victor van Vriesland. Ze hebben veel sporen in Adwaita’s poëzie nagelaten. Naar het voorbeeld van Plato en zijn pedagogische eros dacht hij voor de jongens een vaderlijke leraar én minnaar te kunnen zijn, maar dat ging lelijk mis. Beide keren liep het smartelijk af, al zou Van Vriesland altijd een vriend blijven.

Alleen in wervelende wereld – Het leven van Johan Andreas dèr Mouw (vier sterren)

Lucien Custers

Vantilt; 368 pagina’s; € 29,95.

Een uit de hand gelopen conflict over corruptie op het gymnasium in Doetinchem waar hij werkte – en waar Max’ vader Schwartz rector was – eindigde slecht voor Dèr Mouw. Hij deed daarna een zelfmoordpoging. Na een diepe inzinking herstelde hij, maar de reputatieschade was groot; hij zou nooit meer ergens een vaste aanstelling krijgen.

Ronduit homoseksueel was Dèr Mouw niet, denkt zijn biograaf. Af en toe verdween hij voor een tijdje naar het buitenland, waar hij zich graag ophield aan de zelfkant, experimenteerde met drugs en affaires had, ook met vrouwen. Daarover schreef hij openlijk in zijn gedichten.

Hij bleef zijn leven lang een zoeker. In het christendom kon hij de antwoorden niet vinden. Hij legde zich toe op de filosofie, en publiceerde enkele geleerde boeken. Een hoogleraarschap ging aan zijn neus voorbij.

Pas aan het eind van zijn leven begreep hij dat hij op de wereld was om gedichten te schrijven. ‘Ja, laat heb ik het ontdekt: ik ben een zwaan.’ Eindelijk vond hij de vorm waarin hij zijn brahmaanstreven kon verwoorden, waarin hij alle conflicten en verdriet kon omsmeden tot iets nieuws. Hij publiceerde enkele gedichten in tijdschriften, en kreeg positieve reacties. Frederik van Eeden was ‘verrukt’ over zijn gedichten, hij vond hem ‘een ster van de eerste grootte’.

Dèr Mouw stierf, 55 jaar oud, nog voor zijn bundel was verschenen. Ter Braak en Du Perron zouden weglopen met zijn werk, en later Gerrit Komrij. ‘Alles komt te laat’, schrijft Adwaita in het gedicht over het konijntje. Ook zijn succes. Dat past bij deze dichter, die dankzij Custers’ inspanning tot leven is gewekt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.