popgeschiedenis

Joan Baez, Simon én Garfunkel: allemaal traden ze op in het Haarlemse poppodium De Waag

In het Haarlemse poppodium De Waag traden voor een klein publiek grootheden op als Joan Baez, Simon én Garfunkel. Journalist Peter Bruyn schreef een boek over het korte maar legendarische leven van het ‘folkcafé’.

Paul Onkenhout
 Repetitie in de Waag van Ronnie Potsdammer - Cobi Schreijer Datum = 22-10-1964 Beeld Noord-Hollands Archief, collecti
Repetitie in de Waag van Ronnie Potsdammer - Cobi Schreijer Datum = 22-10-1964Beeld Noord-Hollands Archief, collecti

Het is woensdag en biefstukdag in taverne De Waag aan het Spaarne in Haarlem en popjournalist en schrijver Peter Bruyn (66) leidt rond. Daar was het podium, daar de bar, daar stond het publiek, hooguit honderd mensen, maar meestal niet meer dan vijftig. Desondanks een legendarische plek in de popgeschiedenis, in het eeuwenoude gebouw (anno 1598) aan de stadsrivier.

Het Spaarne werd in 1973 door Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot geëerd in een gelijknamig nummer: ‘Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij. Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen, er liggen voor de waag geen schepen meer.’

Die rivier dus, en dat weeggebouw voor koopwaar, een plek die in de jaren zestig van de vorige eeuw een voorname broedplaats was van folkzangers annex troubadours. Singer-songwriters, zeg maar, óók van buitenlandse afkomst. De namen maken nog indruk: Boudewijn de Groot, Simon & Garfunkel, Joan Baez, Tom Paxton, Pete Seeger.

Ext. De Waag, Haarlem in 1963 Beeld Noord-Hollands Archief, collecti
Ext. De Waag, Haarlem in 1963Beeld Noord-Hollands Archief, collecti

Haarlemmer Bruyn koos het als onderwerp van een boek, Troubadour – De Waag in Haarlem als muziekpodium. Enige haast was geboden, ‘veel mensen die erbij waren, zijn al dood’. De popjournalist schreef eerder boeken over Velvet Underground en blueszanger Oscar Benton. Affiniteit met De Waag had hij nauwelijks. ‘Ik ben me pas in het onderwerp gaan interesseren naarmate ik me er meer in ging verdiepen.’

De geschiedenis van het folkcafé begon in 1962, als uitvloeisel van een Frans Hals-tentoonstelling in de stad. Lennaert Nijgh was er onmiddellijk bij toen een ondernemende zangeres van folkmuziek, Cobi Schreijer (1922-2005), De Waag openstelde voor optredens. Nijgh zat ‘altijd heel stil in een hoekje’, citeert Bruyn de grondlegger, puttend uit een interview dat hij al in 2003 met haar had.

In het kielzog van Lennaert Nijgh trok een vriend naar het podium, Boudewijn de Groot. De Waag werd zijn geboorteplek als artiest. Hij trad er talloze malen op, presenteerde er zijn plaat Voor de overlevenden en liet zich voor de hoes van zijn tweede single, Meisje van 16, fotograferen voor het gebouw.

Boudewijn de Groot - Een meisje van 16 Beeld
Boudewijn de Groot - Een meisje van 16

Geen Waag als poppodium zonder pionier Schreijer, de gedreven dochter van een communistische vakbondsman die opklom met klassieke volksliedjes en later een voorname rol speelde in de vrouwenbeweging. Ze was de spil en de gangmaker van de folkclub, traditioneel ingesteld en ruimdenkend tegelijk.

Ze liet zich inspireren in Engeland, een land met veel folkclubs. De Waag werd haar laboratorium. Ze bood artiesten onderdak in haar huis in Haarlem en was een strenge toezichthouder. ‘Het moest gaan zoals zij wilde.’

Folkmuziek moest folkmuziek blijven, vond Schreijer, liedjes waarvan in stilte moest worden genoten. Bruyn: ‘Dat betekende geen drumstellen, geen stekkers, geen elektrische versterking van instrumenten. En iedereen moest stil zijn.’

De ruigheid van de beatmuziek drong niet naar binnen. Paul Marselje, een vaste bezoeker die er later zelf optrad – en nog later wethouder in Haarlem werd –, zegt in het boek dat Schreijer ‘echt van de wijn en kaasplankjes was’. Tijdens optredens was de bar gesloten.

Bij het werven van artiesten profiteerde Schreijer van haar werk voor radio- en -tv-programma’s van de KRO, de AVRO en de NCRV. Artiesten die de omroepen naar Nederland haalden, deden dankzij Schreijer voor een bescheiden vergoeding vaak ook even Haarlem aan, zoals Paul Simon in 1965.

Een jaar later was ook Art Garfunkel erbij. Het duo had al een eerste plaats in Amerika op zak en drie hits in Nederland. Bruyn: ‘Naarmate de tijd verstreek, werd hun concert steeds legendarischer. Elke oudere Haarlemmer zegt dat hij erbij is geweest.’

Simon & Garfunkel op bezoek bij Cobi Schreyer in 1966. Beeld ANP / Spaarnestad Photo
Simon & Garfunkel op bezoek bij Cobi Schreyer in 1966.Beeld ANP / Spaarnestad Photo

In 1968 was het voorbij. De opkomst van de popmuziek was onstuitbaar, financieel was het voor Schreijer niet meer op te brengen. De folkkoningin die tot de laatste snik middeleeuwse liedjes bleef zingen, werd links en rechts ingehaald door de tijd.

Eén man werd financieel wijzer van de club in Haarlem, onthult Bruyn in zijn boek. De bekende en enigszins excentrieke Haarlemmer Paul Marselje, de troubadour die het tot wethouder schopte, zou in De Waag hebben meegeschreven aan een tijdloze wereldhit van Peter Sarstedt uit 1969, Where Do You Go To (My Lovely)?

Het is een wonderbaarlijk verhaal. Niemand in Haarlem kan zich herinneren dat Sarstedt in De Waag is geweest, maar volgens Marselje kwam de Brit op een dag zomaar binnenlopen. ‘Toen hebben we samen zitten sleutelen aan dat nummer’.

Volgens Bruyn is er niets dat lezing van Marselje weerlegt. Sterker nog, hij ontdekte dat Marselje bij auteursrechtenorganisatie Buma-Stemra als sub-tekstschrijver staat geregistreerd, voor één-zestiende. Nog steeds levert Where Do You Go To (My Lovely)? hem jaarlijks een paarhonderd euro op.

Peter Bruyn: Troubadour - De Waag in Haarlem als muziekpodium, uitgeverij Loutje, 208 pagina’s, € 22,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden