InterviewHenk van der Linden (95)

Jeugdfilmpionier Henk van der Linden: ‘Géén knokfilms, en ook niks met vrouwen.’ Zo is het begonnen’

Waarom Henk van der Linden (95) spannende jeugdfilms maakte? Bij brave films vlogen de appels in het rond. Zijn autobiografie Tussen de filmrollen onderstreept: kinderen zijn het moeilijkste (en leukste) publiek.

‘Ach welnee’, klinkt de ­vitale, geheel niet ­krakende stem van Henk van der Linden. De 95-jarige oer­vader van de Nederlandse kinderfilm en zoon van een bioscoophouder in Hoensbroek kan niets met de eerste vraag, die over de telefoon wordt ­gesteld.

Acht u het van belang dat uw films nog worden gezien door nieuwe generaties kinderen? 

‘Ik zou niet weten waarom dat voor mij zou moeten’, reageert de film­maker vrolijk vanuit zijn woonplaats Tüddern, net over de grens bij Sittard.

Nou ja, Van der Lindens kloeke ­onlangs verschenen autobiografie Tussen de filmrollen bevat tenslotte ook vier speciaal door filmmuseum Eye gerestaureerde kopieën van zijn speelfilms: Vier rakkers en een oude jeep (1959), Avonturen van een zigeunerjongen (1960), De avonturen van Pietje Bell (1964) en Sjors en Sjimmie en de ­gorilla (1966).

De interviewer van de Volkskrant bood ze al aan bij zijn quarantainekinderen, stuitte daarbij op verzet (‘zwart-wit, echt?’), maar geeft niet ­zomaar op – net als die rakkers in hun oude jeep of de ontvoerde zigeunerjongen.

Van der Linden kiest resoluut partij voor de kinderen: ‘Voor de moderne jeugd is het ouderwets! Die films zijn niet meer van deze tijd, zo zie ik het.’

Toch ontvangt de regisseur nog bijna dagelijks post van liefhebbers van zijn films, vaak al in de 70, die schrijven dat ze films uit hun jeugd nu op dvd met hun kleinkinderen ­kijken. ‘En dat verbaast me, eerlijk ­gezegd. Ik ben er wel trots op, hoor. Ik vind het ook leuk als ik nog word ­gezien als cineast, om het deftig te zeggen.’

Ruim tachtig films telt zijn oeuvre, veelal gedraaid in en om de Limburgse heuvels en dalen nabij Thull, Van der Lindens toenmalige woonplaats. Hij hield vrijwel alle facetten van het vak – scenario, spel, regie, ­camera, geluid en montage – in eigen hand, met zijn bedrijf Rex Film ­Productie. Zoon Cor (35 titels) en dochter Jos (24 titels) werden gecast in diverse avontuurlijke rollen. 

De blauwdruk voor een originele Van der Lindenproductie: ploegje goedgeluimde jongens van landelijke komaf (soms bijgestaan door een meisje) neemt het op tegen de booswichten, die zich behalve laf vaak ook nog ­dierenbeul betonen.

Twee jaar geleden zocht Volkskrant-tv-recensent Frank Heinen zijn jeugdheld Henk van der Linden op. 

Filmbeeld uit 'Sjors en Sjimmie en de gorilla'.Beeld EYE Film Instituut Nederland

De beperkt ­gebudgetteerde films zitten vol actiescènes en capriolen waaraan iets huis-tuin-en-keuken­achtigs kleeft, maar die knap waren uitgevoerd. Het soort ­actie dat zich na de voorstelling goed laat naspelen door kinderen.

Later boorde Van der Linden een tweede jeugdfilmader aan met zijn bewerkingen van de avonturen van een hele schare oer-Hollandse boek- en striphelden, van Sjors en Simmie tot Dik Trom. De films werden razend goed bezocht: zijn naam prijkte ­boven die van Fons Rademakers en Paul Verhoeven, toen in 1991 werd ­geturfd welke Nederlander de meeste bezoekers had weten te trekken.

De jeugdfilmpionier ging halverwege de jaren tachtig met pensioen. Zijn echtgenote Mary, die achter de schermen meehielp – catering en grime – is inmiddels overleden. ­Dochter Jos woont in Zuid-Frankrijk, zoon Cor in Wenen, geen van beiden ging verder in het filmvak. ‘Dus ik ben in m’n uppie. Moet ook, nu met dat ­virus. Geen bezoek.’

Waarom hebt u ooit besloten kinderfilms te maken?

‘Omdat die er niet waren. Ik had eind jaren veertig een reizende bioscoop in Limburg, met middagvoorstellingen voor kinderen. Die verveelden zich dood bij de films: ze joelden en gooiden met appels. Niet zo gek, want die films werden verstrekt door de ­katholieke opdrachtgevers. Ze gingen over de missie of de coloradokever. 

‘Toen heb ik gezegd: joh, de kinderen lopen weg, kan ik niet iets anders voor ze draaien? Nou, dat moest dan opvoedkundig verantwoord zijn. Ik ben nooit vergeten wat een van de ­opdrachtgevers, een pater, zei: ‘Géén knokfilms, en ook niks met vrouwen.’ Zo is het begonnen.’

U citeert in uw biografie een brief van collega Johan Nijenhuis. Een van uw films was de eerste die hij ooit zag, in ­Markelo. Voelt u zich als filmmaker met hem verwant?

‘Sympathieke man, we hebben toen ook gebeld. Ik heb zijn loopbaan wel wat gevolgd: we zitten op dezelfde lijn. We gaan beiden uit van het idee dat kinderen plezier moeten hebben tijdens de voorstelling.

‘Het is ons niet te doen om de eigen eer, dat mensen zeggen: ‘O, wat een vakman!’ Vindt een kind het leuk? Dat is het.’

Links: Dik Trom en het circus. Rechts: Billie Turf.

Nijenhuis weet zeer goed wat zijn publiek graag ziet, net als u. Maar hij kreeg, ook net als u, niet altijd erkenning van de ­critici.

‘Zeker, dat is zo. Maar dit zeg ik u met nadruk: ik maakte geen films voor de pers. Ik ben in vijftig jaar twee keer naar zo’n persvoorstelling geweest. U weet hoe dat gaat? Daar zaten dan een stel ouderwetse heren sigaren ­rokend naar een kinderfilm te kijken. Bertina, die deed het anders. Zegt die naam u iets?’

Bob Bertina, een van mijn ­illustere voorgangers bij de Volkskrant.

‘Die was zo slim om ook zijn kinderen en wat van hun vriendjes mee te ­nemen, die keek mét publiek. Hij ­noteerde hoe ze stampten, joelden en meeleefden – dat was heel sterk vroeger. Ze floten naar de schurk, moedigden de held aan.

‘Verder was ik ook geen stroop­likker, naar de pers. Geen kind in die tijd sloeg de krant open om te lezen wat daar over de kinderfilms stond. Die gingen gewoon naar het theater, ­zagen wat plaatjes hangen en kochten een kaartje. En als er dan een ­flater in de film zat, iets technisch, een foutje, gingen ze ook niet ­smalend lachen.’

Er valt een korte stilte op de lijn. ‘Ik ben een oude zeur, hè.’

Henk van der LindenBeeld Maarten van Riel

Nee hoor.

‘Ach, het zijn dingen die mij vroeger weleens irriteerden. Ik ben nooit een diplomaat geweest.’

De nieuwe avonturen van Dick Trom (1958) is uw succesvolste film, die staat zelfs vermeld in het Guiness Book of World ­Records. Weet u waarom juist die titel zo aansloeg?

‘Daar heb je weer zoiets. Geen idee. Dat was niet mijn beste film. Maar kinderen móésten ’m zien, ze vroegen om meer.’

In uw autobiografie schrijft u over de onderduikers in uw ­vaders theater, de Britse ­piloten die in een ruimte onder het publiek verscholen zaten tijdens de vertoning van nazipropaganda. Dat leest als een scène uit een speelfilm.

‘Daar wisten wij als kind niets van, dat mijn vader in het verzet zat. Hij ­camoufleerde het door dikke vrienden te zijn met een Duitse ­majoor en een kolonel. Die kwamen dan een borreltje bij hem drinken. Ik schaamde me kapot: stond er zo’n grote slee voor de deur, met van die vlaggen met hakenkruizen erop.

‘Pal na de oorlog was ik bang dat hij zou worden opgehaald, net als NSB’ers of mensen die met de Duitsers heulden. Hij kreeg een orde en een plaquette.’

Hebt u nooit overwogen een persoonlijkere film te maken over dat familietheater in ­oorlogstijd?

‘Nee, dat zou op zelfverheerlijking ­lijken. Ik bleef bij de kinderfilms.’

Tussen de filmrollen

Tussen de filmrollen, de autobiografie van jeugdfilmpionier Henk van der Linden, telt 368 pagina’s en kost € 29,50. Het boek gaat gepaard met twee dvd’s met vier gerestaureerde films: Vier rakkers en een oude jeep, Avonturen van een zigeunerjongen, De avonturen van Pietje Bell en Sjors en Sjimmie en de gorilla.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden