Recensie Jeroen Krabbé

Jeroen Krabbé is geen vernieuwer. Dat wil hij ook niet zijn ★★☆☆☆

De techniek van het schilderen heeft Jeroen Krabbé onder de knie. Maar een goed schilder maakt nog geen groot kunstenaar.

Jeroen Krabbé: Martinique - Grand Rivière Baie, 2018. Beeld Jeroen Krabbé

Jeroen Krabbé. Acteur in meer dan honderd films, bekend regisseur, toneelspeler, schilder, opgeleid aan de Rijksakademie in Amsterdam, werkend in het vroegere atelier van George Breitner (in Het Parool: ‘Helemaal hysterisch was ik, toen ik hier kon gaan werken’). Kunstenaar dus, daartoe zelfs ‘voorbestemd’, zoals op zijn website wordt vermeld; waarschijnlijk door de genen van zijn schilderende grootvader Heinrich Martin en eveneens schilderende vader Maarten, en inmiddels in het buitenland succesvol bij zijn galerie in Londen. Maar nog immer - o, noodlot - vechtend tegen het imago dat hij een schilderende acteur of acterende schilder blijft, vooral in Nederland. 

Het grote publiek kent hem de laatste jaren bovendien als presentator, gids en bewonderaar in de reportageseries over Picasso, Van Gogh en Gauguin. God, wat kan de man aanstekelijk vertellen over de kunstenaars die hij hoog heeft zitten. En die voor hem een artistiek voorbeeld moeten zijn geweest, afgaande op de schilderijen die Krabbé zelf maakt, en de afgelopen elf jaar met regelmaat in Museum De Fundatie te zien zijn geweest.

Dit weekende opende daar al weer zijn zesde tentoonstelling. Met twaalf landschappen die Krabbé de laatste twaalf maanden maakte naar locaties op Tahiti, Hiva Oa en Martinique; kusten en vegetatie waar Gauguin tegen het einde van zijn leven zijn schildersezel had neergezet. En die Krabbé ruim een eeuw later had bezocht voor de afleveringen van Krabbé Zoekt Gauguin

Wie schilderles à la het (post-)impressionisme wil krijgen, hij of zij neme ogenblikkelijk de trein naar Zwolle. Want de techniek van het schilderen heeft Krabbé wel onder de knie. Hij weet hoe je de kleur rood zinderend kan krijgen door er een beetje groen naast te zetten, dat je een heel canvas in verschillende tonen geel (plus een beetje oranje) kan schilderen, hoe je een zee in één vlak mintgroen kan uitrollen, een palmboom kan laten wuiven door de onderschildering niet helemaal uit te poetsen, hoe je een bergtop kan uitlichten door er niet alleen een spotlamp op te zetten, maar ook om er een donkerpaars-groene voorgrond onder te zetten, et cetera, et cetera, ad infinitum. 

Technieken die een gedegen opleiding verraadden. Maar een goed schilder maakt nog geen groot kunstenaar.

Want wisten we dat van die kleuren al niet van Van Goghs zonnebloemen? Van de blauwe paarden van Franz Marc, groene ruiters van Kandinsky, de klaprozenvelden van Monet, de pointillistische bosgezichten van Thorn Prikker? Het grote verschil is dit: voor Monet, Van Gogh, Kandinsky, Marc en Prikker was het afwijkende kleurgebruik een experiment, het bewandelen van een onbekende weg, een revolutionaire daad. Honderd jaar later is het salonfähig. Gracieus. Gemaniëreerd. Het oogt vlammend, maar komt niet tot ontbranding. 

De tentoonstelling in Zwolle is al met al toch een behaagzieke schreeuw van ‘Kijk pap, ik kan ook schilderen!’ - maar dan met beide handen stevig aan het stuur.

Nee, Krabbé is geen vernieuwer. Dat wil hij ook niet zijn, bekent hij in de catalogus. Dat kan. Maar het gaat niet om nieuw, nieuw, nieuw. Het gaat om urgent, urgent, urgent. Eigenzinnigheid. Dat er iets aan de muur hangt dat niet een post-impressionistische imitatie is, dat niet is geschilderd door iemand die ‘geïnspireerd’ is geraakt op ‘een van de mooiste plekken [...] waar ik ben geweest’: een toeristische Tahitiaanse rots, aan de Caribische zee, onder palmen, bij een zonsondergang. Schilderijen waar je geeuwend aan voorbij zou lopen, als je niet zou weten dat Krabbé ze heeft gemaakt. 

Misschien moet de ‘voorbestemde kunstenaar’ Krabbé stoppen zijn Grote Voorbeelden voor een zoveelste tv-serie achterna te reizen, wat minder kunstboeken doorbladeren en de deur van zijn Breitner-atelier stevig achter zich in de grendel gooien. En zich storten in het onbekende diepe. Wellicht ligt daar op de bodem iets onvermoeds te glinsteren of te broeien. Of te stinken. Want dat mag ook.  

Jeroen Krabbé, Gedroomde paradijzen. Museum De Fundatie, Zwolle. T/m 5 januari.

Krabbé droomt nu van Chagall

Voorlopig blijft Jeroen Krabbé grote kunstenaars volgen: komend voorjaar zal de volgende tv-serie te zien zijn, over Marc Chagall (1887-1985). Krabbé raakte al als 11-jarig kind ‘betoverd’ door de Joods-Wit-Russische schilder, en tekende zelfs een Chagall-vis, die zijn vader voor hem inlijstte. Krabbé reisde dit jaar Chagalls leven en carrière na, langs locaties in Rusland, Parijs, Berlijn, Israël en de Verenigde Staten. In een poging zijn oude liefde, die hij door de jaren heen was ‘kwijtgeraakt’, weer terug te vinden. ‘Ik droom er van,’ zei hij bij De Wereld Draait Door

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden