Postuum

Jeroen Brouwers (1940-2022): Een leven lang met de onafwendbare dood als trouwe metgezel

In 2014. Beeld Stephan Vanfleteren
In 2014.Beeld Stephan Vanfleteren

Zijn eigen dood, maar ook die van anderen, was voor Jeroen Brouwers een drijfveer om te gaan schrijven. Woensdagochtend overleed hij, op 82-jarige leeftijd. In zijn oeuvre kneedde hij zijn leven tot literatuur, maar er was een rel nodig om door het grotere publiek ontdekt te worden.

Hans Bouman

‘Alleen mijn sterven zal ik niet hebben beschreven.’ Jeroen Brouwers, die woensdagmorgen op 82-jarige leeftijd overleed in Maastricht, was pas 37 jaar oud toen hij deze zin opschreef. Dat was in zijn essay ‘Zelfportretje met vlakgom’, opgenomen in de bundel Kladboek (1979). Het is om meerdere reden een programmatische frase. Ten eerste omdat zijn hele oeuvre een sterk autobiografisch karakter heeft. En ten tweede omdat de dood Brouwers zijn hele leven is blijven fascineren, om niet te zeggen obsederen. Zowel zijn eigen dood als die van anderen. De onafwendbare dood was een van de motivaties om te gaan schrijven: wie boeken publiceert, laat sporen na. ‘Mogelijk is dat de zin van het leven.’

Ook de dood van anderen fascineerde hem, met name wanneer die door eigen hand tot stand kwam. Het leidde tot de imposante, uiteindelijk zelfs twee dikke delen omvattende studie De laatste deur (1983, 2017), over Nederlandstalige auteurs die zelfmoord hadden gepleegd.

Hoewel Brouwers naar eigen zeggen een schrijver was ‘die zijn leven boekstaaft’, stelde hij tegelijkertijd dat hij in strikt autobiografische zin weinig over zijn leven had geschreven. Voor een toekomstige biograaf, zo schreef hij, zou het een weinig vruchtbare onderneming zijn om op basis van zijn boeken een juiste reconstructie van zijn leven samen te stellen.

De reden ligt in het feit dat Brouwers zijn autobiografie altijd heeft gebruikt om er literatuur van te maken: naar goeddunken selecterend, ordenend, bijbuigend, versplinterend, verwerpend, verdichtend en anderszins naar zijn hand zettend waar de literatuur dat zijns inziens vroeg. Zijn kinderjaren in Batavia, zijn jaren op katholieke internaten, de slechte relatie met zijn ouders, zijn jaren in België, de geboorte van zijn eerste kind, de eenzaamheid van zijn verblijf in de Achterhoek, zijn relatieperikelen, zijn alcoholisme, zijn afnemende gezondheid: ze zijn allemaal in zijn boeken verwerkt, keer op keer op keer. Maar wel zoals het hem, als schrijver, uitkwam.

Batavia

Jeroen Godfried Maria Brouwers werd op 30 april 1940 geboren in Batavia, waar zijn vader werkzaam was als boekhouder. ‘Onze kleine rakker wordt feestelijk ingehaald, hè vrouw’, zou de man hebben opgemerkt, omdat er op diezelfde dag kanonschoten hadden geklonken ter ere van de verjaardag van kroonprinses Juliana.

Drie jaar later, toen alle westerlingen door de Japanners werden geïnterneerd, belandde de jonge Jeroen met zijn moeder, zus en grootmoeder in het vrouwenkamp Tjideng. Brouwers zou er in meerdere boeken over schrijven, met name in Bezonken rood (1981).

Jeroen Brouwers, thuis in Lanaken, begin 2020. Beeld Aurélie Geurts
Jeroen Brouwers, thuis in Lanaken, begin 2020.Beeld Aurélie Geurts

Na de oorlog werd het gezin naar Nederland gerepatrieerd en werd Jeroen naar een kostschool gestuurd. Hij werd daar niet bij zijn naam genoemd, maar bij zijn nummer: 37. Als we de roman Het verzonkene (1979) mogen geloven – en elke biograaf doet dit op eigen risico – begon Brouwers’ vader hem enkele weken eerder al ‘nummer 37’ te noemen, zodat zoonlief er vast aan kon wennen. De derde van de drie kostscholen die hij bezocht, Sint Maria ter Engelen, zou de inspiratiebron vormen voor zijn bitter schurende roman Het hout (2014), die handelt over sadisme en seksueel misbruik in een door kloosterlingen geleid jongenspensionaat.

Na zijn diensttijd bij de Koninklijke Marine was Brouwers enkele jaren werkzaam in de journalistiek. In 1964 publiceerde hij Het mes op de keel, een verhalenbundel die hij later als mislukt beschouwde en nooit liet herdrukken. Het boek werd gepubliceerd door de Vlaamse uitgever Manteau, waar Brouwers niet lang daarna werd aangenomen als secretaris van directeur Angèle Manteau. Hij zou er opklimmen tot (hoofd)redacteur en in totaal twaalf jaar werkzaam zijn België. In Groetjes uit Brussel (1969) deed hij hiervan verslag.

Scharniermoment

Begin jaren zeventig had Brouwers enige tijd een relatie met de tien jaar jongere Anne Walravens. In 1973, toen de relatie al anderhalf jaar voorbij was, pleegde Walravens zelfmoord: een ‘scharniermoment’ in Brouwers’ leven. Haar dood bracht het ‘Orpheus’-thema in zijn werk: de man die zijn overleden geliefde probeert terug te halen uit het dodenrijk. Onder de namen ‘Aurora’ (Zonsopgangen boven zee) en ‘Iris’ (‘De Exelse testamenten’, Kladboek) zou ze in zijn werk terugkeren. Ook zou Brouwers De laatste deur aan haar opdragen en zijn dochter naar haar vernoemen.

Hoewel de inmiddels naar Exel in de Achterhoek verhuisde Brouwers met Joris Ockeloen en het wachten (1967, Vijverbergprijs) en Zonsopgangen boven zee (1977) een zekere literaire erkenning had verworven, was er een literaire rel voor nodig om brede bekendheid te krijgen. Die kwam in 1979, toen hij het schotschrift De nieuwe revisor publiceerde, waarin hij zich fel afzette tegen het volgens hem door ‘jongetjesliteratuur’ gekenmerkte literaire klimaat van de jaren zeventig.

In 1981 volgde een nieuwe controverse, toen essayist en columnist Rudy Kousbroek zich in NRC Handelsblad in uiterst kritische bewoordingen uitliet over de wijze waarop Brouwers in zijn roman Bezonken rood het jappenkamp Tjideng had beschreven. Volgens Kousbroek had Brouwers de Japanse gruweldaden in dit kamp – waarvan de commandant in 1946 wegens oorlogsmisdaden ter dood werd veroordeeld en geëxecuteerd – sterk overdreven. Toen het boek in 2020 een fraai vormgegeven 50ste druk beleefde, bleek Brouwers zijn in 2010 overleden opponent nog niet te hebben vergeven. In een ‘Eenmalig nawoord’ beet hij nog eens fel van zich af en noemde Kousbroek daarbij consequent ‘K’. De volledige naam kreeg hij niet uit zijn pen.

Eerste bestseller

Hoewel hij vooral erkenning kreeg als romancier, beschouwde Brouwers zijn essays – naast polemieken ook veel doorwrochte schrijversportretten – als even belangrijk. Toch was het na de voltooiing van zijn ‘Indië-trilogie’ (Het verzonkene, Bezonken rood, De zondvloed) dat hij meende zijn belangrijkste werk te hebben geschreven en overwoog met schrijven te stoppen. Hij liep tegen de 50 en meende nog tien jaar te leven te hebben. ‘Het Brouwersdom wordt niet veel ouder dan 60.’

Het liep anders. In 2000 had hij met het relatief licht getoonzette en plotrijke Geheime kamers voor het eerst een heuse bestseller, die bovendien uiterst lovend werd ontvangen. ‘Beroert de trommels en trompetten: de wederopstanding van Jeroen Brouwers is een feit’, constateerde Arjan Peters in de Volkskrant (knipogend naar de titel van Brouwers’ verhalenbundel Zonder trommels en trompetten).

Opnieuw deelde Brouwers mee nu toch echt uitgeschreven te zijn en er niet van uit te gaan dat hij nog lang te leven had. Vervolgens publiceerde hij – inmiddels terugverhuisd naar België – nog vier romans, om in de laatste daarvan, Cliënt E. Busken, naar eigen zeggen ‘nog iets echt vernieuwends’ te maken. Het boek beschrijft het verblijf van de aftakelende ik-verteller uit de titel in een psychiatrisch zorgcentrum, en geeft via de bladspiegel, met zijn niet-uitgelijnde regels, de warboel in diens het hoofd weer. Altijd in soevereine, met vileine humor doordesemde brouwersiaanse volzinnen, dat wel. Hij won er in 2021 de Libris Literatuurprijs mee. Binnenkort verschijnt zijn autobiografische bundel Alles echt gebeurd.

Van Mulisch tot Bomans

Brouwers heeft zich zijn hele leven schatplichtig verklaard aan Harry Mulisch: hij beschouwde zich net als zijn voorbeeld als een oeuvrebouwer in wiens werk telkens dezelfde thema’s en motieven, steeds op andere wijze terugkeren. Hij leende daarvoor zelfs het Mulisch-begrip ‘octaviteit’: als bij een toon en een boventoon zijn de terugkerende elementen in zijn werk ‘hetzelfde en niet hetzelfde’. Misschien vatte Brouwers zijn werkwijze het mooist samen in een kort zinnetje op de eerste pagina van Bezonken rood: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’

Tot zijn andere leermeesters rekende hij Lodewijk van Deyssel (wat de polemieken betreft) en – een klein beetje – Godfried Bomans, wegens diens elegante schrijfstijl. Met De spoken van Godfried Bomans (1982) schreef hij een fraaie monografie over deze derde van zijn drie ‘Haarlemse’ voorbeelden.

Ook zelf was Brouwers, die om raadselachtige redenen nooit werd bekroond met de P.C. Hooftprijs, een inspiratiebron. Van Tom Lanoye tot Joost Zwagerman, van Ronald Giphart tot Benno Barnard, van Stefan Brijs tot Dimitri Verhulst: allemaal hebben ze zich ooit dankbaar aan het werk van Brouwers gelaafd. We zijn nog niet van de oude meester af.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden