Interview Land van Afkomst

Jennifer Tee: ‘Niet over ­gevoelens praten, daarin kwam de cultuur van mijn Engelse moeder en Indonesische vader bij elkaar’

Dat de vader van Jennifer Tee (46) Indonesisch is, kun je terugzien in haar werk. Toch is het niet de hoofdzaak, want echte kunst overstijgt afkomst.

Jennifer Tee. Beeld Casper Kofi

Jennifer Tee werd gevraagd om een kunstwerk te maken in de nieuwe metrohal van het Centraal Station in ­Amsterdam. Je zou kunnen denken: de tulpenblaadjes die ze daarvoor gebruikte, dat komt door haar Nederlandse opa, die bollenkweker was in Lisse. En het motief van de Indonesische scheepskleden heeft ze gekozen omdat haar vader als kind van Java naar Nederland kwam met de boot.

‘Dat is niet hoe ik het benader. Eerst denk ik na over het concept en het materiaal dat ik wil gebruiken. Daarna weeft mijn achtergrond zich er vanzelf in en valt alles op zijn plek. Het hoofddoel van een kunstwerk is het persoonlijke te overstijgen. Maar het krijgt juist meer gelaagdheid door persoonlijke motivatie. En dan vind ik ook nog dat het mooi moet worden. Vanuit die tussenstaat werk ik.

‘Een tulp is een Nederlands ­symbool waar wij trots op zijn. Terwijl tulpen in werkelijkheid werden geïmporteerd uit het Ottomaanse rijk, uit Syrië en Turkije. Je ziet het ­terug in Turkse kunstwerken: tapijten en servies, overal zitten tulpen in. Wat ze Nederlands maakt is dat wij tulpen ons snel konden toeëigenen en exporteren.’

Een tulp is meer dan: jouw opa was een bollenkweker en daarom wil jij die bloem nu gebruiken?

‘Wat ik maak wil ik niet zo letterlijk naar voren brengen. Kunst is gelaagder.’

En je letterlijk uitspreken in een interview is niet gelaagd?

‘Zo kun je dat zeggen.’

Is dat waarom je aarzelde over dit gesprek?

‘Bij het tonen van mijn werk voel ik me gemakkelijker dan bij zelf het ­onderwerp zijn. Ik ging naar de Kunstacademie omdat ik hield van schilderen en fotograferen. Daarna kwam de vraag: waar gaat het werk over?

‘Mijn vader was 9 jaar toen hij van Indonesië naar Nederland kwam. Hoe vond hij het daar, hoe was het om hier te komen, hoe werd hij gezien – daar praatten we niet over. Het directe communiceren van Nederlanders, dat heb ik niet meegekregen van mijn ouders.

‘De moeder van mijn moeder was Engels. Haar Nederlandse vader reisde veel, in de tulpenhandel. Ze ontmoetten elkaar in Engeland. Mijn moeder was de beleefde Engelse die niet zegt wat ze denkt. En mijn vader herken ik in hoe Hella Haasse schreef over de Indonesiër: hij keek je aan en je wist niet wat hij dacht. Dat beleefd zijn en niet over ­gevoelens praten, daarin komt hun cultuur overeen.

‘Mijn eerste werk heet Down the Chimney. Ik kwam op het idee door de vader van een vriend die overleed. Hoeveel weet je van iemand, hoe goed ken je de ander? Ook als je samenleeft is er best veel nodig om elkaar echt te ontrafelen. Dat gebeurt niet door ­iedere avond samen op de bank tv te kijken.

‘Ik maakte een videoinstallatie met objecten en filmbeelden, waarin mijn ouders en zus antwoord gaven op mijn vragen, in een soort mythologisch spel. Sinds dat werk maak ik niet altijd kunst over mijn achtergrond, maar wel over wat ik noem: The Soul in Limbo. Het kan gaan over de tussenstaat tussen twee culturen, maar ook over die tussen het fysieke en het psychische. Of over de overgang tussen leven en dood.’

Jennifer Tee. Beeld Casper Kofi

Hoe kwamen je ouders in Arnhem terecht?

‘Mijn vader was huisarts. Als je het hem nu zou vragen, denk ik dat hij zegt: ik ben een Chinees uit Indonesië. Zijn Chinese familie woonde daar al een paar generaties. Een Chinees uitziende huisarts in een dorp zou in die tijd weinig patiënten krijgen. Ze moesten ergens heen waar hij een praktijk kon opbouwen.

‘Toen ik opgroeide dachten mensen dat ik geadopteerd was. Mijn moeder was blond met blauwe ogen. In Arnhem woonden niet veel cultureel gemixte kinderen, het was geen onderdeel van het gesprek. Pas op de middelbare school zag ik één leerling met een Indische achtergrond, hij werd gelijk een vriend.

‘Ik werd gezien als de ander. Dat werd nooit zo uitgesproken, maar ik voelde het wel. Ik zag dat er twee ­werelden bestonden, alleen was het witte deel veel dominanter. Iedereen was Nederlands. Het andere deel kreeg ik mee in Den Haag, bij mijn opa en oma. Zij hadden Chinese ­tapijten en vazen en schilderijen van rijstvelden. Ze aten Chinees en Indonesisch. Mijn oma had een uitwisseling van recepten met haar familie in ­Indonesië, ze stuurden elkaar ­brieven. Heel schattig.’

Waarom wilde je hier toch over praten?

‘Je ziet nu dat musea een correctie aanbrengen op de geschiedschrijving. In het Tate Modern in Engeland hadden ze bijvoorbeeld de tentoonstelling Soul of a Nation, met werk van Afro-Amerikaanse kunstenaars die al lang bezig waren, maar nooit werden getoond. Musea willen het beeld ­corrigeren dat kunst alleen door witte mannen gemaakt kan worden.

‘Ik hoop dat het niet blijft bij een aanzet en dat het doorzet naar meer diversiteit, ook onder de curatoren en museumdirecteuren. Dat wil ik uitspreken. Het moet niet meer worden benadrukt, zo van: nu gaan we werk tonen van kunstenaars met een bepaalde achtergrond. We moeten naar een bredere acceptatie: dit is wie wij zijn en dit is onze kunst.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.