Achter het boekJennifer Nansubuga Makumbi

Jennifer Nansubuga Makumbi: ‘Ik wil dat Europeanen ook eens naar óns kijken’

Jennifer Nansubuga MakumbiBeeld Jonathan Tomlinson

Hoe schrijft de schrijver? Met geen woord rept de Oegandese Jennifer Nansubuga Makumbi van het kolonialisme in haar debuutroman Kintu, die in Afrika een cultstatus verwierf. ‘Onze geschiedenis is bepaald door zoveel meer.’

In haar Skypebeeld zit schrijver Jennifer Nansubuga Makumbi (1967) aan een tafel met achter haar twee volle witte boekenkasten. Er heerst rust en stilte in haar woning in Manchester. Is het leven in isolement, zoals dat geldt voor iedereen in Groot-Brittannië, voor haar een stimulans om lekker te schrijven? Makumbi schudt haar hoofd: ‘Het is onbegrijpelijk! Ik doe heel weinig. Ik sta versteld van mezelf: ik schrijf bijna niets. Ik doe wat redigeerwerk, dat is alles. Ik heb mijn eigen schrijfroutine en kan er niet tegen als ik de omstandigheden niet in de hand heb.’

Daarbij komt: ‘Ik schrijf meestal in een bibliotheek. In Manchester heeft elke wijk en elk omliggend dorp een bibliotheek. Ik geef één dag in de week les op de universiteit, met een mooie bieb, daar werk ik graag aan mijn boeken. Ik heb een hekel aan thuiswerken: de koelkast is zo dichtbij, de tv lonkt als het schrijven even moeizaam gaat. Thuis voelt lui. Ik houd van het gevoel dat ik naar mijn werk ga: eerst wat oefeningen doen en dan snel naar de bibliotheek.’

Makumbi’s eerste roman Kintu is net verschenen in Nederlandse vertaling. Het verhaal speelt zich af in haar geboorteland Oeganda. Het eerste deel is gesitueerd in de 18de eeuw, waarin de hoofdpersoon, de regionale hoofdman Kintu, een vloek over zichzelf en zijn nazaten afroept. Dan maakt de roman een sprong naar 2004, naar de dramatische levens van uiteenlopende personages, die zonder het altijd te beseffen dezelfde voorouder hebben. Het manuscript won een belangrijke prijs van het Keniaanse literaire tijdschrift Kwani?, waarna het in 2014 werd uitgegeven in Oost-Afrika en furore maakte als ‘de Grote Oegandese Roman’. Doorbraken in de VS en Groot-Brittannië volgden.

Het historische deel is gebaseerd op een scheppingsmythe: Kintu betekent ‘mens’ (meervoud: Bantu). Makumbi heeft er een historische roman van gemaakt. Ze reconstrueert het dagelijks leven rond 1750 en de machtsverhoudingen tussen ‘gouverneurs’ als Kintu en de koning van de Baganda, de verhoudingen tussen mannen en vrouwen en homoseksualiteit. Onderwerpen die heel wat stof deden opwaaien in Oeganda – en ver daarbuiten. Want al deed Makumbi haar best eindelijk eens een roman voor Oegandezen te schrijven, haar thematiek spreekt elke wereldburger aan.

Doceert u nog tijdens de coronacrisis, per videoverbinding?

‘Ik geef creative writing, maar het blok is net afgelopen. Ik heb nog twee weken via de computer contact gehad met studenten, maar dat beviel me helemaal niet, de techniek leidde me enorm af. Ik spreek liever van mens tot mens. Manchester University behandelt me zeer coulant: ik doceer maar één semester en mag mijn schema altijd aanpassen als ik naar het buitenland moet voor literaire festivals en boekpresentaties.’

Hoe ziet een schrijfdag er onder normale omstandigheden uit?

‘Als ik aan iets nieuws begin, zoals nu, komen de ideeën van alle kanten. Die schrijf ik snel op in mijn iPhone of in notitieboekjes. Ik doe dan vooral onderzoek en zit niet veel achter de computer. Als ik genoeg onderzoek heb gedaan, begin ik met schrijven. Dat gaat in het begin koortsachtig, ik word voortgejaagd, moet mijn ideeën zien bij te houden. Ik schrijf dan met een pen in een schrift. Van ’s morgens vroeg tot heel laat. Soms komt mijn man uit de nachtdienst: ‘Ben je nou nog aan het schrijven?’ Ik heb altijd veel te veel tekst, de helft schrap ik later, bijvoorbeeld als ik het overtyp op de computer. Als ik eenmaal op gang ben, ga ik steeds meer direct op de computer werken. Ik werk met een schema, dat ik onderweg af en toe aanpas.’

Hoe deed u onderzoek voor Kintu?

‘Op twee manieren: in bibliotheken en via mondelinge overlevering. Ik kom uit een cultuur waarin alle geschiedenis mondeling wordt doorgegeven. Historici vertellen en dragen dichtwerken voor, die soms op band zijn opgenomen. Gezegden, spreekwoorden, begroetingen en liederen zijn bronnen voor me. Al in de eerste jaren van mijn studie heb ik orale tradities bestudeerd. De eerste versie van Kintu was mijn masterscriptie creative writing aan Lancaster University. Mijn verhuizing naar Groot-Brittannië bracht me het voordeel dat ik in de bibliotheken de verslagen van zogenoemde ontdekkingsreizigers als Speke en Grant kon lezen, die beschreven hoe het koninkrijk Buganda er in hun ogen uitzag in de 19de eeuw.

‘Die bronnen waren natuurlijk sterk gekleurd. De traditionele verhalen dienden om een wereldbeeld over te dragen, een moraal. Daar moest ik wel het stof van afblazen. De boeken van de ontdekkingsreizigers moest ik kritisch lezen. Welke vragen stelden ze over de geschiedenis aan de inwoners? Ze konden alleen via tolken gesprekken voeren, daarvan moest ik me bewust zijn: wat is verloren gegaan en wat is erbij verzonnen? Ze keken door de lens van de westerse vooroordelen. Die ruis moest ik zien weg te halen.’

Jennifer Nansubuga Makumbi: ‘Boeken zijn maar één vorm van literatuur. Poëzievoordrachten en toneelopvoeringen zijn in Oeganda veel belangrijker.’Beeld Jonathan Tomlinson

Wat heeft u van uw familie meegegeven over die oude geschiedenis?

‘Dat kwam vooral van mijn grootvader. Hij had boeken in het Luganda uit de jaren twintig en dertig die allemaal over de traditionele tijd gingen. Voor het slapen las hij ons kinderen daaruit voor. Of hij vertelde legenden uit zijn hoofd.’

En toen u op school zat?

‘Wij kregen mondelinge tradities voorgeschoteld alsof het geschiedenis was. De scheppingsmythe met de man Kintu en de vrouw Nnambi, die best lijken op Adam en Eva, leerden we in de jaren zeventig op de basisschool. De koninkrijken van de Aarde en van de Onderwereld werden onderwezen alsof het historische feiten waren. Dit was in de tijd van de dictator Idi Amin Dada, die sterk anti-Europees was. Maar zo wordt nog steeds lesgegeven.’

Ik hoorde u eens zeggen op een literair festival dat in Oeganda 99 procent van de literatuur in de eigen moedertalen is, en niet in het Engels. Hoe zit dat?

‘Boeken zijn maar één vorm van literatuur. Poëzievoordrachten en toneelopvoeringen zijn in Oeganda veel belangrijker. Die gaan allemaal in het Luganda of een van de andere talen, wel een stuk of vijftig. Er worden veel meer en vaker drama’s opgevoerd dan boeken uitgegeven en geschreven. Er zijn maar weinig schrijvers, en nog minder die in het Engels schrijven.’

Heeft u een schrijver die voor u als inspirerend voorbeeld geldt?

‘Okot p’Bitek is de grootvader van de literatuur in Oeganda. Een van de eersten die in het Engels schreef.’

P’Bitek werd beroemd in Oost-Afrika door zijn 200 pagina’s lange gedicht Song of Lawino uit 1966. Het is de jammerklacht van een traditionele vrouw tegen haar man, Ocol, die modern wil zijn en op haar neerkijkt. Diens veel kortere repliek Song of Ocol verscheen vier jaar later. P’Biteks stijl is geworteld in eeuwenoude vertelkunst. Lawino’s roerende dichtregels werden op alle scholen in Oeganda en omringende landen onderwezen. P’Bitek publiceerde ook legenden en volksverhalen.

Makumbi: ‘Terugkijkend voel ik me bevoorrecht dat ik met zijn werk ben opgegroeid. Zijn poëtische taalgebruik en zijn openheid over seks maakten het gemakkelijker voor mij om vrijuit te schrijven. Ze zeggen vaak dat ik de taal heb opgeschud in mijn boek en korte verhalen, maar P’Bitek deed dat al lang voor mij.’

Wat is uw moedertaal en heeft u daarin ook geschreven?

‘Helaas werd mijn taal, het Luganda, niet onderwezen toen ik op de basisschool zat. Engels werd gezien als de beschaafde taal, het kolonialisme werkte nog door. We kregen straf als we werden betrapt op het spreken van Luganda. Ik kan wel redelijk schrijven in mijn taal, maar niet op de manier waarop je een roman schrijft.’

In Kintu slaat u de hele periode van het Britse kolonialisme over. Dat wekte bij lezers en recensenten nogal wat verbazing. Wat waren uw overwegingen?

‘Op de middelbare school leerden we over de geschiedenis van de Baganda en over de grote rijken in West-Afrika. Toen ik in Engeland kwam om te studeren, werd Afrikaanse geschiedenis ingedeeld in prekoloniaal, koloniaal en postkoloniaal. Het voelde alsof mijn cultuur was ingesnoerd in het kolonialisme. Ik besloot: ik laat het gewoon uit mijn roman.

‘Ook in de manier waarop Afrikaanse literatuur in Groot-Brittannië werd onderwezen, draaide alles om de invloed van de koloniale tijd, die toch maar een jaar of zestig, zeventig heeft geduurd. Neem het beroemdste boek, Things Fall Apart van de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe uit 1958. Volgens Engelse docenten ging het over hoe de Europeanen in Iboland arriveerden en alles vernietigden. Op school in Oeganda leerden we een andere visie: hoe de hoofdpersoon Okonkwo vreest dat hij als zwak wordt gezien, als zwakke vader, echtgenoot en hoofd van de familie, en hoe hij daaraan onderdoor gaat.

‘Toen ik aan Kintu begon, bedacht ik: als ik over het kolonialisme ga schrijven, dan gaan mijn Europese lezers weer alleen naar zichzelf kijken. Maar ik wil dat ze ook eens kijken naar ons, de Oegandezen, hoe mooi we zijn, hoe lelijk, hoe wat dan ook. Russische klassiekers gaan ook niet over kolonialisme: als ik die lees, ga ik een Russische wereld binnen. Zoiets wil ik ook.

‘Indirect zit het kolonialisme er wel in. Het religieuze stel, de christelijke fanatici, met Kintu’s nazaat Kanani, is zo geworden als gevolg van de koloniale overheersing en het opleggen van het christendom. Zo beheerst kolonialisme hun leven, zonder dat ik er expliciet over spreek.’

U beschrijft de vloek op de familie van Kintu en de traditionele heling niet als een mythe, maar als werkelijkheid, levensfeiten. Wordt dat zo gevoeld in Oeganda?

‘Toen Kintu uitkwam, wist iedere Oegandees onmiddellijk waarop dit zou uitdraaien. Ze hadden het al op de basisschool geleerd. De traditie is de afgelopen decennia zwaar aangetast door burgeroorlogen, de aidsepidemie en andere rampen. Allerlei christelijke sekten hebben haar plaats ingenomen. Maar het vertrouwen in traditionele waarden en gebruiken komt terug, dat merk ik elke keer als ik in Oeganda ben. Heiligdommen worden weer opgebouwd en gebruikt. Er is een groeiende behoefte aan eigenwaarde, ‘wie zijn wij eigenlijk’. Dat zie je in het dagelijks leven, maar zeker ook in de kunst, de muziek, mode, essays en romans. De traditionele kruidengeneeskunde wint aan populariteit, vanuit de gedachte: wat moeten we met medicijnen die voor Europeanen zijn ontwikkeld, voor onze eigen kwalen moeten we dichter bij huis naar middelen zoeken. Hier in Manchester is een van de beste geneeskundestudenten kruidendokter geworden.

‘Daarom wordt mijn verhaal van de vloek door westerse lezers als metafoor gezien, een literaire vorm, maar Afrikaanse lezers nemen het letterlijk. Het is allebei juist: ik schrijf voor beide soorten lezers.’

Rust er een vloek op uw eigen familie?

Het is even stil aan de andere kant van de Skypeverbinding. ‘Ja. Tijdens het regime van Idi Amin werd mijn vader opgepakt, hij werkte op de afdeling buitenlandse valuta van een bank. Een van Amins generaals vroeg om valuta, maar er zat niet genoeg in de kluis. Toen mijn vader na sluitingstijd de straat opging, stonden ze hem op te wachten. Ze smeten hem in een kofferbak en martelden hem twee weken lang. Toen hij bij ons terugkwam, was hij totaal van de kaart. Ik was een jaar of 7 en groeide op met een vader met ernstige psychische problemen. Ik begreep het niet, tot ik iemand op een feestje hoorde zeggen: het komt door de vloek in de familie. Ik was verbijsterd, doodsbang: ik krijg het ook. Er is al veel gezegd over Kintu, maar mij valt op dat weinigen het zien als een boek over geestelijke gezondheid.’

Hoe komen uw hoofdpersonen tot stand?

‘Vaak begint het bij mensen die ik heb ontmoet. Miisi, de plaatselijke journalist die verward raakt, heb ik gebaseerd op iemand die ik ontmoette toen ik tijdens mijn studie onderzoek deed naar mondelinge overlevering bij een grot waar Kintu en Nnambi gewoond zouden hebben. Er zat een oude man met dreadlocks tot op de grond, hij sloeg onbegrijpelijke taal uit. Een van zijn verwanten vertelde dat hij in Cambridge had gestudeerd. Iemand had hem verkondigd dat de eeuwenoude geest van Kintu in zijn lichaam huisde.’

Deze Miisi schrijft columns, waarvan er een in uw boek staat onder de titel ‘Africanstein’. Dat is toch wel een metafoor?

‘Misschien. Miisi is het meest verwesterde personage in mijn boek, maar hij is op zoek naar zijn cultuur. Hij beschrijft in die column hoe het Westen zijn cultuur heeft opgelegd door van Afrika de armen en benen af te hakken en er westerse ledematen aan te naaien. Maar hart en hoofd blijven Afrikaans. Dat kan verklaren waarom Afrika het nog altijd zo moeilijk heeft.’

Was er een verschil tussen hoe Kintu werd ontvangen in Oeganda en in Groot-Brittannië?

‘In Oeganda kwam de verkoop langzaam op gang, het ging van mond tot mond, maar er werden steeds meer exemplaren verkocht. De lezers zijn blij met mijn interpretatie van Kintu, dat ik er een man in de 18de eeuw van heb gemaakt en niet in de begintijd van de aarde. Ik kreeg kritiek, vooral in radioprogramma’s, dat ik te feministisch was. ‘Ze laat alle mannen in het boek doodgaan!’ Dat was mij eerlijk gezegd niet eens opgevallen. In Engeland vinden lezers de historische kant interessant: die kenden ze helemaal niet.’

 Waar werkt u nu aan?

‘Ik leg de laatste hand aan het redigeren van een nieuwe roman over de eerste vrouw, Nnambi, die staat voor de dood, zoals Kintu voor het leven. Ik heb er nog meer traditionele verhalen in verwerkt, maar nu gaat het om hoe de hoofdpersoon, een vrouw die we volgen van 1939 tot 1982, is gevormd door de legenden. En hoe de verhalen invloed hebben op de manier waarop vrouwen in Oeganda worden behandeld. Het gaat over dood en hongersnoden, schuld, verschrikkelijke schoonmoeders, hekserij, de polygame cultuur, het stereotype van de weduwe met onverzadigbare seksuele lustgevoelens, die op jonge mannen jaagt.’

Wat is uw echte naam?

‘Nansubuga is mijn eigen naam, in mijn clan en volk krijgt iedereen een persoonlijke naam. In Oeganda noemt iedereen me zo. Jennifer is natuurlijk een christelijke naam. Makumbi is een mannennaam, die van mijn grootvader.’

Beeld Cossee

Jennifer Nansubuga Makumbi: Kintu. Uit het Engels vertaald door Josephine Ruitenberg. Cossee; 424 pagina’s; € 23,99.

Wie is Jennifer Nansubuga Makumbi?

De Oegandese schrijver Jennifer Nansubuga Makumbi (1967) won in 2013 met haar manuscript voor de roman Kintu een belangrijke prijs van het Keniaanse tijdschrift Kwani?, dat het boek het jaar daarop uitbracht in Oost-Afrika. Het kreeg een cultstatus in Afrikaanse literaire kringen, zeker nadat ze ook uitgevers in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië had gevonden. Makumbi woont (met man en zoon) in Manchester, waar ze ook aan de universiteit doceert. Ze kwam ooit naar Groot-Brittannië om te studeren, creative writing in Lancaster. Na Kintu publiceerde ze de verhalenbundel Manchester Happened (2019). De verschijning van haar tweede roman, The First Woman, is door de coronacrisis tot nader order opgeschort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden