AnalyseSlaapproblemen

Jelmer Jepsen sliep 72 uur niet en ontwikkelde daarna een jarenlange slapeloosheid

Het lichaam van schrijver Jelmer Jepsen stopte van de een op andere dag met slapen.  Beeld Rop van Mierlo
Het lichaam van schrijver Jelmer Jepsen stopte van de een op andere dag met slapen.Beeld Rop van Mierlo

Veel mensen hebben weleens last van slecht slapen. Een nachtje. Een paar nachten. Soms een langere periode. Maar tien jaar geleden gebeurde er iets in het leven van schrijver Jelmer Jepsen (43) dat zijn hele leven op zijn kop zette. Van de ene op de andere dag stopte zijn lichaam met slapen.

Ik weet nog dat ik na de eerste nacht wakker liggen dacht: zo, dit moet je niet te vaak hebben. Een ochtend later – na weer een nacht geen slaap – dacht ik hetzelfde. De ochtend daarna – wederom geen minuut slaap – sloeg de radeloosheid toe. Ik was nu drie nachten achter elkaar helemaal wakker geweest, in totaal ruim 72 uur. Mijn hoofd leek uit elkaar te spatten van de hoofdpijn, mijn ogen hadden moeite met scherpstellen en mijn vingers lieten de koffie in mijn kopje trillende cirkels maken. Dit was niet normaal. Ik sliep altijd prima. Hier was iets aan de hand. Maar wat?

Ik belde de huisarts en mocht meteen komen. Na een gesprekje van nog geen vijf minuten verliet ik zijn praktijk met een recept voor tien stuks temazepam. De bijsluiter zei dat dit middel een ‘krachtige inslaper’ was, en vol goede moed slikte ik die avond de eerste pil. Rond half 11 voelde ik even wat moeheid ontstaan, maar toen ik tien minuten later in bed lag, gebeurde er wederom: niets.

Nou ja, niet helemaal niets.

In plaats van een slaperig gevoel, kreeg ik mijn eerste paniekaanval. Mijn hart begon op hoge snelheid te bonzen, en het zweet stroomde over mijn hyperactieve lichaam. Als een slaappil me ook niet in slaap kan krijgen, dacht ik, hoe moet dit dan verder?

Maar tussen alle onrust en stressgedachten door voelde ik ook een soort blijdschap. Want na drie dagen die geheel in het teken van niet slapen hadden gestaan, kon ik me eindelijk op iets anders concentreren. Ik kon me richten op mijn voortdenderende hart, en hoe ik dat weer rustig kon krijgen.

Dat lukte alleen niet.

Opnieuw lag ik acht uur lang compleet wakker in bed, maar nu met een bonuservaring erbij, en dus belde ik de volgende dag (en volledig uitgeput) opnieuw de huisarts. Die zei dat ik die avond maar twee temazepam moest nemen.

Die nacht sliep ik drie uur. Euforisch werd ik wakker. Zie je wel, dacht ik. Ik kan het nog! Goed, het is een schamel begin, maar dat wordt vanaf nu vast beter.

Dat bleek helaas niet zo te zijn. De nachten hierna kwam er weer geen slaap, en dus belde ik voor de derde keer de dokter. ‘De slaappillen werken niet’, zei ik.

‘Dan geef ik je andere’, antwoordde hij. ‘Met dit soort medicatie is het soms even zoeken wat bij je past.’

’s Avonds legde ik gespannen de nieuwe pil op mijn tong, dit keer een oxazepam. Daarna ging ik in bed liggen. Ik zag het 11 uur worden. En 12 uur. En 1 uur. En zo verder tot de eerste vogels begonnen te fluiten.

Verstoringen in de pijnappelklier

Alexander van Daele, psychiater en somnoloog: ‘Blijvende verstoringen in de pijnappelklier komen niet vaak voor. Slechts heel soms raakt de pijnappelklier echt definitief buiten werking, bijvoorbeeld door blijvende schade door hersenchirurgie, doorgemaakte infecties, ontstekingen of door een hersenbloeding. Kortere verstoringen – van enkele dagen tot enkele maanden, zoals Jelmer meemaakte – komen vaker voor. We zien dit nogal eens gebeuren na een heftige jetlag of na een gebeurtenis waarbij iemand langdurig hevige stress en emotie heeft ondervonden. De biologische klok raakt dan zodanig van slag dat hij even tijd nodig heeft om zichzelf weer te ‘resetten’. Dit kun je in de eerste plaats doen met veel structuur en regelmaat. In sommige gevallen kan het ook met lichttherapie of het slikken van melatoninesupplementen worden behandeld. Doordat de biologische klok wordt gereset, zal de melatonine uiteindelijk weer op het juiste moment door het lichaam zelf worden afgegeven.’

Slaapritme

Zeven weken later had ik mijn eerste afspraak op de slaappoli van Ziekenhuis Gelderse Vallei in Ede. Het waren de langste zeven weken van mijn leven. Soms had ik een nacht waarin ik twee à drie uur sliep, maar dan had ik wel twee oxazepammen op. En soms deed ik ’s middags ineens een dutje. Zomaar, alsof ik wegviel in een acute coma. Dit duurde jammer genoeg telkens maar tien minuten, vijftien minuten hoogstens. Ik had me inmiddels ziekgemeld op mijn werk en de dagen gingen als een grote grijze waas aan me voorbij. Mensen in mijn omgeving maakten zich zorgen, maar ze konden het probleem tegelijkertijd ook maar moeilijk doorgronden. ‘Drink ’s avonds anders een keer een kop kamillethee’, kreeg ik regelmatig te horen. Of: ‘Ligt je telefoon misschien op je nachtkastje? Dat moet je niet doen, hoor. Daar komen allemaal stralen uit en die verstoren je slaapritme.’

Uiteraard had ik deze dingen zelf allemaal ook al geprobeerd. Zonder resultaat.

In het ziekenhuis plakte een vriendelijke zuster een heleboel stickers op mijn hoofd. Aan de stickers zaten draden die naar een kastje liepen. Dit kastje zou de komende nacht mijn slaapactiviteit meten (ik riep nog: wélke slaapactiviteit?) en ook moest ik die avond elk uur wat spuug achterlaten in kleine glazen bakjes. Aan de hand hiervan zou worden bekeken of ik wel de juiste stoffen aanmaakte om te kunnen slapen.

De volgende dag keerde ik terug in het ziekenhuis. Ik overhandigde de bakjes spuug aan een assistent, de stickers en snoeren werden losgekoppeld. De slaaparts las het apparaat uit.

‘U heeft vannacht nauwelijks geslapen’, zei hij even later. Ik knikte. ‘Een uur en een kwartier, om precies te zijn.’ Ik knikte weer. ‘En in die tijd bent u drie keer wakker geworden. Dat is niet best.’

Ik was te moe om nog een keer te knikken.

Daarna pakte hij de uitslag van mijn speekseltest erbij. Hij mompelde wat, keek in zijn computer, en toen weer naar mij. ‘Meneer Jepsen’, zei hij, en het klonk alsof ik weer even tegenover mijn oude conrector van de middelbare school zat. ‘Weet u wat de pijnappelklier is?’

Ik schudde van niet.

Geduldig legde hij uit wat het was. En wat deze klier doet. Of in mijn geval: deed. De pijnappelklier bleek essentieel te zijn voor het slaapproces. Hij maakt onder meer het hormoon melatonine aan, dat zorgt voor een slaperig gevoel waardoor je makkelijker de overgang van dag naar nacht kunt maken. En mijn melatonineaanmaak was die nacht precies nul komma nul gram geweest. Waarschijnlijk was dit al weken aan de gang. ‘Heeft u veel stress?’, vroeg de arts. Ik haalde mijn schouders op. Stress. Wat was stress? Ik leidde in die tijd een druk leven. Ik had een drukke baan, was in het weekend tot diep in de nacht dj en er speelden wat zaken in de familiesfeer. Maar om dat nu stress te noemen? Maar de arts had genoeg gehoord. Uit zijn la pakte hij een receptenblok. ‘Gelukkig kun je melatonine bijslikken en daarmee je biologische klok resetten. Als het goed is, is dit na vandaag allemaal snel weer voorbij.’

Dit alles gebeurde tien jaar geleden, en ik vier dit jaar een treurig jubileum. Want na mijn bezoek aan de slaappoli lijkt mijn biologische klok met behulp van de medicijnen inderdaad weer wat gereset te zijn, maar terug naar de oude situatie ben ik nooit gegaan. Ik zou mezelf inmiddels een matige slaper noemen, met nachten van gemiddeld vijf uur slaap. Op zich valt hier goed mee te leven, maar op mentaal gebied is mijn relatie met slapen nog steeds problematisch. Ik haat het concept slaap. Ik haat de nacht en ik haat mijn bed. Als ik alleen al aan een van deze drie dingen denk, word ik overvallen door een ellendig en angstig gevoel. En dat is niet handig bij zoiets als slapen, waarbij het fijn is om zorgeloos en relaxed te zijn. En dus zocht ik drie jaar geleden opnieuw hulp. Nu om mijn mentale relatie met slaap te herstellen. Ik kwam terecht bij een psycholoog en die noemde wat ik in die zomer van 2010 had meegemaakt ‘gewoon een keihard trauma’. Hij stelde EMDR-therapie voor, omdat deze therapie vaak succesvol ingezet wordt bij het verwerken van trauma’s. Zodoende zat ik zes middagen lang in zijn praktijkruimte naar zijn heen en weer slingerende wijsvinger te kijken, terwijl ik het zinnetje ‘Ik hoef niet bang te zijn voor de nacht’ eindeloos herhaalde.

Het werkte niet. Volgens de psycholoog omdat ik niet genoeg mijn best deed.

Die nacht kon ik de slaap opnieuw maar moeilijk vatten.

Inmiddels weet ik dat ons slaapsysteem zeer complex is, maar net zoals bij veel andere lichamelijke processen heb je niet door dat het zo complex is, tót er iets misgaat. En er gaat veel mis in Nederland op dit gebied. Volgens het CBS heeft ongeveer een op de vier Nederlanders last van slaapproblemen. En omdat zo veel mensen er last van hebben, is er rondom onze slaap een grote industrie ontstaan. Coaching, mindfulness, yoga, aromatherapie, armbanden, kussens, kruiken, kruidendrankjes, apps... wie ‘slapeloosheid’ en ‘hulp’ intoetst op Google krijgt honderden oplossingen aangedragen.

Ik vroeg een aantal experts naar de laatste ontwikkelingen op het gebied van het behandelen van slapeloosheid.

Slaap Performanche Coach Floris Wouterson schreef het boek Superslapen, dat de lezer tips en methodes aanreikt om snel weer beter te kunnen slapen. ‘Momenteel volg ik met veel belangstelling een experiment waarbij met behulp van een apparaatje de zogeheten deltagolven van de hersenen versterkt kunnen worden’, vertelt hij. ‘Deltagolven komen met name voor tijdens de diepe slaapfase. Het experiment lijkt veelbelovend. Mensen slapen dieper en beter, vooral ouderen.’

Maar dan moet je die deltagolven wel eerst produceren. Wat nu als je regelmatig de hele nacht naar het plafond ligt te staren, zoals ik? Dan heb je niet veel aan zo’n apparaatje.

Een slaapprobleem bestaat uit drie aspecten.  Beeld Rop van Mierlo
Een slaapprobleem bestaat uit drie aspecten.Beeld Rop van Mierlo

‘Dat klopt’, zegt Wouterson. ‘Om überhaupt in slaap te vallen, zijn verschillende elementen belangrijk. En welke elementen dat zijn, is voor iedere persoon weer anders. Daarom pleit ik ook altijd voor een grondige analyse van de situatie wanneer iemand zich meldt met de mededeling: ik slaap niet goed. Eigenlijk bestaat een slaapprobleem uit drie aspecten. Het eerste is het biochemische aspect. Dit gaat over dingen zoals melatonine en adrenaline, stress en ontspanning. Het tweede is het psychische aspect. Hoe ga ik om met mijn slaapprobleem? Raak ik erdoor in de put? Krijg ik depressieve gevoelens? Slechte slapers belanden vaak in een neerwaartse spiraal die het eigenlijke probleem – het slechte slapen – alleen maar versterkt. Het psychische aspect hangt samen met het derde element, en dat is de sociale kant van het verhaal. Mensen die zich moe voelen, zeggen vaker afspraken af, gaan eerder weg bij een feestje of melden zich ziek op het werk. Ook kunnen ze ronduit chagrijnig of onaardig zijn.’

Dr. Winni Hofman, slaapspecialist verbonden aan de universiteit van Amsterdam, signaleert dit ook. ‘Een belangrijke ontwikkeling is de relatie tussen insomnie en psychische problemen. Slapeloosheid blijkt een goede voorspeller te zijn voor onder meer depressiviteit en psychosen. Vooral wanneer iemand al eens een periode van depressiviteit heeft doorgemaakt, is de kans dat de depressie terugkomt veel groter als je slecht slaapt. Met name cognitieve gedragstherapie werkt goed om dat probleem aan te pakken.’

Dat laatste kan ik bevestigen.

Vorig jaar doorliep ik een traject bij het Radboudumc dat zich volledig richtte op cognitieve gedragstherapie. Ik sliep wederom een lange periode bijna niet, en ik merkte dat ik opnieuw aan het afglijden was naar een toestand van wanhoop, paniek en neerslachtigheid, net zoals in 2010. Verschil was dat ik er dit keer een paar ongezonde gewoontes bij had ontwikkeld. Om overdag overeind te blijven dronk ik liters koffie. Om mezelf ’s avonds weer knock-out te krijgen nam ik een glas wijn. Of twee. Of vier. Heel soms zes. En dan vaak ook nog een slaappil. Ook was ik door alle stress weer stevig gaan roken en schroefde ik nagenoeg al mijn sociale contacten terug. Mijn vrije tijd had ik immers nodig om uit te rusten, beredeneerde ik, en daarbij: ik was totaal niet te genieten. Ik zocht ruzie, vond andermans problemen maar onbelangrijk gezeur, of ik keek de hele avond alleen maar zwijgend voor me uit, terwijl de rest gezellig deed.

Therapie

Na een lang gesprek met de huisarts werd ik doorverwezen naar het Radboudumc in Nijmegen. Dit keer voor een traject gericht op cognitieve gedragstherapie. Ik had er weleens van gehoord, maar had geen idee wat het was.

Tijdens het intakegesprek vertelde ik over het wakker liggen, over de koffie, de wijn, de sigaretten, de slaappillen en mijn zelfverkozen afzondering.

‘Wat zou je ervan vinden als we deze therapie beginnen met een experiment?’, vroeg de psychiater die tevens somnoloog was, wat weer een ander woord is voor slaapdeskundige. ‘Dat experiment is het volgende: het kopje koffie dat voor je staat, is je laatste van vandaag. En vanavond ga je in je bed liggen zonder eerst een glas wijn te drinken en zonder een slaappil te nemen. Ook ga je voor het slapen nog wat doen. Met iemand afspreken of zo, of een eindje fietsen. Dit houd je een hele week vol. Wat denk je ervan?’

Ik dacht helemaal niets. Ik was sprakeloos. En ook voelde ik direct weer een paniekaanval opkomen. Het idee alleen al om dit zo aan te pakken... Hoe kwam hij hierbij? Ik was doodop en als ik dit deed, zou ik binnen no-time weer een wrak zijn. Nooit meer zou ik teruggaan naar de situatie van 2010. Nooit. Dan maar alcoholist en kluizenaar.

Ik wist de opdracht om ‘gewoon maar in bed te gaan liggen’ nog drie weken uit te stellen, maar na ons vierde gesprek was het dan toch zo ver. ‘Vanaf morgen ga je het doen’, zei hij streng. ‘Een week lang overdag geen koffie meer, en proberen te slapen zonder wat dan ook te gebruiken. Geen glas wijn, geen slaappil, niets. Ook ga je weer dingen doen. En dan ga je maar eens kijken wat er gebeurt. Dat schrijf je op in een slaapdagboek. Volgende week gaan we er dan over praten. En kijken hoeveel van je angst werkelijkheid is geworden. En hoeveel je geslapen hebt, natuurlijk.’

Precies in die week zou ik debuteren met mijn eerste kinderboek. Ik had interviews staan en er was een grote boekpresentatie. Stress all over the place dus, en nou niet meteen het beste moment om zo’n experiment te gaan uitvoeren. ‘Kunnen we niet nog een weekje wachten?’, vroeg ik dan ook.

‘Nee’, was het korte antwoord. ‘Want volgende week is er weer iets anders om het voor uit te stellen. En de week daarop weer. Jouw hoofd zal de komende tijd constant argumenten verzinnen om hier onderuit te komen. Het negeren van dat stemmetje zal je grootste uitdaging worden.’

Naast dat ik geen slaappillen en alcohol meer mocht gebruiken, kreeg ik ook de opdracht om strikte slaaphygiëne te gaan toepassen. Kortgezegd gaat slaaphygiëne over het consequent volgen van regels. Overdag geen dutjes meer. ’s Avonds niet meer op de computer of telefoon. Elke avond op dezelfde tijd naar bed. Elke ochtend op dezelfde tijd er weer uit. Dat soort dingen.

Met veel tegenzin ging ik akkoord. Ik was immers bij deze arts beland omdat ik hulp had gezocht. En dit was blijkbaar die hulp. Wie A zegt, moet ook B zeggen.

De eerste nachten waren bar en boos. Het stemmetje in mijn hoofd probeerde me om de haverklap naar de kast met wijn of de strip met slaappillen te krijsen, maar ik hield vol. En op dag vier begon het. Na jaren maakte ik ineens weer een ononderbroken nacht van zes uur. De nacht daarop weer. Die nacht daarop tikte ik zelfs de zeven uur aan. Het voelde als een wonder.

Of was het gewoon wetenschap?

‘Begeleiding en uitleg over de biologische klok en slaaphygiëne doet inderdaad vaak wonderen’, vertelt psychiater en somnoloog Alexander van Daele. ‘Mensen krijgen hierdoor namelijk weer grip op hun slaap. 80 procent gaat vervolgens beter slapen.’ Over het gebruik van slaappillen is hij heel duidelijk. ‘Er is geen plaats voor slaappillen in de behandeling van langdurige slapeloosheid. Dat soort medicatie heeft een negatief effect op de kwaliteit van je slaap. Ik leg dit vaak uit door te zeggen dat je met slaappillen wel slaapt, maar niet uitrust. Daarnaast vertel ik ook altijd dat men het eigen lichaam niet moet onderschatten. Zelfs met heel weinig slaap kun je in principe gewoon nog goed functioneren overdag.’

Dat laatste is inderdaad iets waar ik mijzelf nog regelmatig aan herinner. Twee maanden nagenoeg niet slapen. Het is gewoon mogelijk. Ik deed het! En ik ben er nog. Ik slik niet chronisch slaappillen, ben geen alcoholist geworden, heb geen psychosen gehad, raakte mijn werk niet kwijt en heb een rijk sociaal leven. Slecht slapen is onderdeel geworden van wie ik ben en het hoeft niet meer weg. En ik ben ervan overtuigd dat juist deze berusting een van de belangrijkste sleutels is geweest is in het beteugelen van mijn nachtelijke onrust.

Was dát maar in pilvorm op de markt.

Slaapproblemen in cijfers

* Bijna 25 procent van de Nederlanders van 25 jaar of ouder heeft last van slaapproblemen.

* Bij ruim 4 op de 10 slechte slapers belemmeren de slaapproblemen het dagelijks functioneren. Het gaat dan bijvoorbeeld om verminderde concentratie, vergeetachtigheid of een slecht humeur.

* Van de 25-plussers die aangeven arbeidsongeschikt te zijn, meldt 58 procent geen goede nachtrust te hebben. Van de werkenden meldt 19 procent slaapproblemen.

* Personen die kampen met geestelijke gezondheidsproblemen hebben een drie keer hogere kans op slaapproblemen dan anderen.

Bron: CBS Gezondheidsenquête 2019

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden