‘JE STAAT ALTIJD IN IEMANDS SCHADUW’

Branford Marsalis houdt niet zo van zijn meeste collega- jazzmuzikanten. Die verdiepen zich niet genoeg in de muziek. Hij wel....

‘Ja, hier is het. O nee, toch niet. Shit, het moet hier ergens zijn.’ Branford Marsalis rijdt over de wegen van Durham in de Amerikaanse staat North Carolina. De lucht trilt boven het asfalt. Er is geen kip op straat. De saxofonist racet met zijn handgeschakelde Saab van de ene strip mall naar de andere. De rijen winkels en restaurants in volkomen identieke laagbouw zijn de enige vorm van nering in deze uitgestrekte zuidelijke provincieplaats. Overal staat hetzelfde type letters op de gevel. Waar zat Indiaas restaurant Sitar ook alweer?

‘Het is een gat hier, absoluut. Ik woonde in New York. Tot ik me vier jaar geleden realiseerde: mijn kinderen zijn brutale eikels aan het worden. Dat kwam door de stad, al hun vriendjes waren zo. En voor de muziek hoefde ik niet in New York te blijven. Er wordt waardeloos gespeeld.’

De 45-jarige Branford Marsalis is zijn halve leven beroemd jazzmuzikant. ‘Maar de mensen die vandaag de dag jazz spelen, daarmee word ik liever niet geassocieerd.’

Op zijn twintigste kwam de saxofonist samen met zijn één jaar jongere, trompetspelende broer Wynton internationaal in de belangstelling als lid van Art Blakey’s Jazz Messengers. Het grote publiek leerde hem kennen door zijn verbintenis met popster Sting – hoor de sopraansax op diens hit Englishman in New York. Hij was kort muzikaal leider en sidekick in het populaire Amerikaanse praatprogramma The Tonight Show en in Nederland had hij succes met zijn jazzy mengelmoesgroep Buckshot LeFonque. Het jazzkwartet dat hij nu heeft, is een van de topgroepen van de laatste jaren. Hij nam een magnifieke live-dvd op in het oude Amsterdamse Bimhuis en voor de laatste cd Eternal ontving de band een Edison. ‘Eén van de topgroepen? Ik heb de beste fucking jazzband ter wereld.’

Het restaurant is gevonden. Marsalis – korte broek, T-shirt, petje en een heuptasje – doopt met een uitgestreken gezicht naan-brood in zijn curry. Is dat wel aan de bandleider zelf om te beoordelen? ‘Jazeker. Dat is aan mij en niemand anders. Ik heb ontzettend veel naar muziek geluisterd, ken de geschiedenis, volg de jazz op de voet en ik ben me haarfijn bewust van mijn kunnen. Als je het vermogen hebt in te schatten waar je staat, maakt dat je een krachtig en onafhankelijk mens. Toen ik in de jaren tachtig populair werd, was ik een kloterige saxofonist en dat wist ik dondersgoed.’ Waarom heeft Art Blakey hem destijds dan ingehuurd? ‘Omdat hij mijn broer in de band wilde houden. Wynton wilde alleen met mij erbij.’

Dat hij als oudste van het muzikale gezin Marsalis meeliftte op de bagagedrager van zijn getalenteerde broertje heeft de saxofonist allerminst als pijnlijk ervaren. ‘Toen ik opgroeide in New Orleans speelde ik geen jazz. Ik luisterde er niet naar en ik oefende niet, in tegenstelling tot mijn broer. Ik dacht dat mijn lot bij commerciële muziek lag, r & b. Een avond ging ik na mijn eigen optreden naar Wynton luisteren bij Art Blakey. Er zat zoveel kracht in die muziek. Ik besloot opeens: het wordt toch jazz. Ik wist dat ik meeliftte, op de allerlaatste fiets zelfs. Maar ik had goede oren en was bereid om te werken.’ Marsalis werd naar eigen zeggen koning éénoog in het land der blinden. ‘Het was niet dat ik in New York kwam en de scene bruiste van de heavy gasten als Sonny Rollins en John Coltrane. Alles was open. Joe Lovano deed zijn ding, Kenny Garrett arriveerde tegelijk met mij. Michael Brecker speelde nog niet eens jazz.’

Marsalis werkte met grootheden als Dizzy Gillespie, Herbie Hancock en Miles Davis. ‘Door met hen te praten kwam ik erachter dat ze hebben nagelaten de nieuwe generatie op te voeden. Toen na de jaren zestig de publieke belangstelling verschoof van jazz naar pop, renden de muzikanten mee. Ze doken op alles wat in de mode was, in plaats van vechtend vast te houden aan de waarden waarin ze geloofden. Daardoor is de jazz steeds geherdefinieerd, tot het punt waarop instrumentale r & b smooth jazz wordt genoemd.’

Doordat de lijn met de traditie niet levend is gehouden, zitten we nu met een bulk aan musici die op een veel te theoretische manier te werk gaan, aldus Marsalis. ‘Zowel blank als zwart, daar is geen verschil tussen. Bebop gaat niet over heel snel piedeloe-diedeloe achter elkaar spelen. Een van de afschuwelijkste misverstanden op deze planeet is dat jazz zou gaan over akkoordprogressies, over harmonie. Ik leer door met platen mee te spelen, niet uit een boek. Nummers zing of speel ik voor aan mijn medemuzikanten in plaats van akkoorden op te noemen. Net als de gasten van vroeger. Daar word ik vaak raar op aangekeken.’

Tijdens de autorit door Durham had Marsalis al een uitgebreide analogie getrokken tussen het WK voetbal en de stand van zaken in de jazz. ‘Het Amerikaanse team: allemaal superfitte jongens, uitstekende techniek, compleet toegerust om te spelen. Alleen, ze hebben geen diepere kennis van het spel. Het was niet om aan te zien. En wat zegt de voetballer Landon Donovan op televisie? Ik hoef niet naar Duitsland om goed voetbal te spelen. Wat een klootzak. Als je beter wilt worden moet je de top opzoeken en je daaraan meten. De meesters bestuderen. Tegen Zidane voetballen. Maar dat vereist durf. Want je komt er waarschijnlijk achter wat een waardeloze speler je bent. Een jazzmuzikant kan niet zonder Amerikaanse blues, kerkmuziek en dansmuziek. Art Blakey vertelde altijd verhalen over de muziek die hij als kind hoorde. In de Europese jazz wordt dat genegeerd. Scandinaviërs als die pianist Esbjörn Svensson zeggen: ik hoef me niet in Amerika te verdiepen om jazz te spelen. Nee, en ondertussen klinkt zijn muziek nergens naar.’

Het probleem is de hang naar snel resultaat. ‘In de jaren dertig en veertig zat Amerika in een depressie. Als je muzikant wilde worden, zeiden je ouders: best, we zijn allemaal arm, doe wat je wilt. Maar na de Tweede Wereldoorlog werd het land rijk. Dus zeiden ouders: kun je daar wel van leven? In plaats van: word je daar gelukkig van? Als kind ga je vervolgens naar school met die vraag in je hoofd: hoe ga ik ervan kunnen leven? Hoe word ik zo snel mogelijk beter? Je gaat bochtjes afsnijden. Akkoordprogressies leren. Het maakt je een functionerend musicus, maar geen goed jazzmuzikant. New York stikt van de lui die louter grammatica spelen en geen verhaal vertellen.’ Marsalis trekt zijn schouders op en kijkt moeilijk. ‘Om dat te compenseren staan ze op het podium alsof ze pijn lijden. En weet je wat het ergste is? Ze hebben geen geluid!’ De saxofonist buigt over tafel. ‘Ik ben als de man die alleen van grote borsten houdt – wat ik niet doe, maar dat terzijde. Hij kan de vrouw van zijn dromen tegenkomen maar als ze plat is, zal hij zich niet eens in haar verdiepen. Ik wil een flinke sound, anders luister ik niet.’

Zijn afkeer van ‘jazznerds en bangeriken’ heeft ervoor gezorgd dat Marsalis zijn plezier geregeld op andere plekken zocht. Hij verliet het kwintet van Wynton om bij Sting te gaan spelen. Vervolgens verschenen publicaties waarin de broers elkaar openlijk bekritiseerden. Opgeklopte sensatiestukken, volgens de saxofonist. ‘Men was een beetje moe van Wynton. Want hij is een traditionalist. Mensen willen de traditie niet kennen, maar gewoon zelf wat aanrommelen. Dat is makkelijker. Er werd tegen me gezegd: je broer is een lul en jij bent cool want je speelt met Sting. Niet willen horen dat ik ook een traditionalist ben. In jazztijdschriften stond dat Wynton irritant was omdat hij vond dat iedereen naar jazz moet luisteren. In jazztijdschriften!’

Een paar jaar geleden kreeg Branford Marsalis er op zijn beurt van langs omdat hij het waagde A Love Supreme uit te voeren, het magnum opus van John Coltrane. Het zou een heilig stuk zijn waarover eeuwig de schaduw van de grote saxofonist hangt. ‘Moet je dan ook maar nooit meer iets van Mozart spelen? Dat is het leven, je zult altijd in iemands schaduw staan. Het is een pathetisch muzikantenexcuus om het stuk niet te hoeven spelen. Omdat het zo moeilijk is, alleen al om fysiek vol te houden. Onze eerste uitvoeringen waren echt niet goed. Maar als je de moed hebt om aan zoiets door te werken dan is de beloning groot.’ Wie twee jaar geleden bij het concert in het Bimhuis was of de dvd heeft gezien, kan het beamen. Op North Sea zal het stuk ook gespeeld worden. ‘We zijn er als individuele muzikanten en als band enorm van gegroeid. Eternal was nooit zo’n hechte, intense plaat geworden als we A Love Supreme niet hadden gedaan.’

Marsalis spreekt liefdevol over zijn medemusici, de pianist Joey Calderazzo, bassist Eric Revis en drummer Jeff ‘Tain’ Watts. We zijn een no bitch band. Als iemand me in een club in elkaar zou willen slaan, zou ik geen andere musici achter me willen hebben staan. Zo spelen ze ook. Alsof er geen morgen bestaat. Dit is alles wat ik heb en ik geef het nu aan jou.’

Mede dankzij het succesvolle bloedbroederschap hoeft Marsalis zich weinig meer aan te trekken van de rest van de jazzwereld. ‘Ik hou mijn mening niet voor me als we zoals nu over muziek praten. Maar ik ga echt geen open brieven schrijven of persconferenties beleggen. En ik geloof heus wel in de toekomst, luister maar naar de platen van jonge musici op mijn label Marsalis Music.’

De saxofonist haalt zijn inspiratie de laatste jaren vooral uit klassieke muziek. Hij bracht al eens twee klassieke platen uit. ‘Die zijn flut. Niet naar luisteren. Maar het opende een deur. Het gaat om de lange termijn. Ik ben fanatiek klassiek gaan studeren en daardoor een veel betere saxofonist geworden. Technische tekortkomingen waar je in jazz onder het mom van persoonlijke expressie overheen speelt, daar loop je in klassiek keihard tegenaan. Ik speel geregeld met symfonieorkesten, in Rotterdam ook weer. Dat is heerlijk omdat de verwachtingen zo laag zijn voor mij als zwarte jazzmuzikant. Nu nog wel.’

En hoe gaat het eigenlijk met Buckshot LeFonque? ‘We hebben van de zomer wat nieuwe nummers gemaakt. Maar we doen het rustig aan. Het is voor ons eigen plezier want ik heb altijd verlies gedraaid op die band. Another Day was een hit in Nederland, maar verder nergens anders.’

Op de terugweg van het restaurant wordt nog even gestopt bij het postkantoor. Pakjes met cd’s ophalen. ‘Ik koop me helemaal gek op internet.’ Wordt hij wel eens herkend op straat? ‘Nee, zelden. Alleen in New York als ik een pak draag. Dan zeggen mensen: hé, jij bent toch Wynton Marsalis? Nee? O, maar je lijkt wel héél erg op hem!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden