‘Je moet altijd hard to get spelen’

Saxofoniste Candy Dulfer (37) staat al een kwart eeuw op het podium. Dit najaar presenteert ze ook een eigen interviewprogramma op tv....

Prince zei ooit: ‘When I want sax, I call Candy’. Maar deze maand zegde hij je op de valreep af. Wat ging er mis?

‘Hij had zich misrekend. Hij had simpelweg teveel artiesten uitgenodigd. Het podium bleek te klein.’

Baalde je daar niet van?

‘Natuurlijk, het was een domper. Ik vond het heel irritant dat ik het zo laat hoorde. Maar ik ken hem zo goed, ik ga niet boos blijven. Hij heeft zijn excuses gemaakt en me zelfs doorbetaald. Mensen maken fouten, zelfs Prince. Ik wil er niet zo’n ding van maken, want dat is het niet.

Ik speel al vijftien jaar met hem, heb duetten gezongen, Purple Rain meegespeeld, tijdens de tournees was ik zijn sidekick.

En ik heb zo'n hectische tijd gehad, een beetje rust kan ik eigenlijk wel gebruiken.’

Heeft Prince je eigenlijk nooit gevraagd om een vast lid van zijn band te worden?

‘Jawel, al vanaf 1990. Maar mijn instinct zei: dat moet ik niet doen. Hij is iemand die snel verveeld is, altijd op zoek naar vernieuwing. Als ik nou maar hard to get blijf spelen, dan blijft hij me ook vragen, dacht ik. Dat bleek achteraf heel slim.’

Moet je vaker hard to get spelen?

‘Ja, een beetje hard to get is altijd belangrijk. Maar je moet vooral doorhebben wat mensen van je willen. Dat is ook mijn kracht als saxofoniste. Ik ben niet iemand die je de meest ingewikkelde dingen laat doen. Mijn forte is spontaan binnenkomen, inschatten wat de situatie is, aanvoelen wat de artiest wil, alles op gevoel.

Ik ben een showfiguur. Live optreden is voor mij het allerbelangrijkste. Ik kijk ook altijd heel erg om me heen: hoe lang moet ik doorgaan met mijn solo, vinden ze het nog leuk, gebeurt er iets, komt er een hoogtepunt aan. Een avond moet langzaam, zonder dat het publiek het merkt, naar een hoogtepunt worden gebracht. Zodat mensen er nog jaren over napraten. Tenminste, dat is de bedoeling.

En, gebeurt dat vaak?

‘Best wel. Ik denk dat mijn carrière daardoor al zolang duurt. Ik leef van het optreden, niet van hits. Een hit verkort je carrière alleen maar, op uitzonderingen na in de categorie Prince, de Stones of Madonna. Een hit is even heftig, maar uiteindelijk is het killing.

Saxofonisten hebben ook geen hitsuccessen, onze instrumenten zijn daarvoor veel te ingewikkeld. Zelfs een grootheid als Miles Davis heeft nooit echt een grote hit gehad, zoals Madonna. Dankzij Lily was here en Sax-a-go-go woon ik wel in een heel leuk huis. Maar ik heb de platenmaatschappijen jarenlang succesvol van me afgehouden. Ik wilde geen hitje, dat was mijn doel niet.

Wat was je doel dan wel?

‘Door mijn vader kwam ik al jong in aanraking met de muziekwereld. Ik kreeg al op m’n veertiende aanbiedingen om een snel hitje te scoren. Dan moest ik zingen en was de sax het bij-instrument. Ik wilde helemaal niet zingen! Mijn doel was: optreden in het Bimhuis (Amsterdams jazzpodium, red.) en ik hoopte misschien ooit nog eens op North Sea Jazz te staan.’

Maar daar stond je al op je dertiende.

‘Ja, eerst met mijn eigen bandje in een klein achterafzaaltje. Maar nu al 15 jaar op het hoofdpodium. Dat was altijd mijn doel en eigenlijk is het dat nog steeds.

Ik wil doorspelen tot ik 80 ben. Reizen over de wereld, samenspelen met bijzondere artiesten. De kunst is om het zo lang mogelijk te doen op een zo hoog mogelijk niveau en daarmee veel geld te verdienen. Oké, dat klinkt hebberig, ik bedoel: in de zin dat je ervan kan leven. Live spelen is de essentie. Als ik morgen geen cd’s meer hoef te maken, doe ik het niet meer.’

Je cd’s zijn er puur voor de promotie?

‘Door een cd krijg je meer publiciteit en komen er meer mensen naar je optreden. Maar het alleen daarvoor doen, zou wel heel zielig zijn. Ik vind het heus wel leuk. Alleen valt het in het niet bij live optreden.’

Hoeveel optredens doe je per jaar?

‘Tussen de honderd en honderdvijftig. Soms minder. In Nederland heb ik er wel eens 175 in een jaar gedaan.’

Is dat soms niet zwaar?

‘Ik vind toeren geweldig. Natuurlijk is het fysiek af en toe zwaar. Dan heb je net zes uur gevlogen, moet je meteen spelen. Maar toch is het het leukste dat er is. Mijn voordeel is dat ik overal een beetje populair ben. Eigenlijk heb ik overal precies de populariteit die ik wil en die ik ook wil vasthouden. Volle zalen van een leuk aantal mensen, zo tussen de 500 en de 2000.’

Droom je van uitverkochte stadions?

‘Nee. Ik heb een jaar lang met Prince alleen maar stadion-gigs gedaan, met 20 tot 100 duizend man. Dan kan je alleen de eerste tien rijen zien, je hebt geen idee wat het met de mensen doet.

Natuurlijk is het een kick, zo’n stadion vol mensen. Maar de kick die ik krijg van een avond spelen voor een kleine zaal die spettert, duurt veel langer. Dat je achter in de zaal iemand helemaal uit z’n dak ziet gaan. Daarom doet Prince ook aan aftershows. Dan is hij heus wel moe, maar wil hij gewoon nog even echt genieten.’

Bescherm je je oren?

‘Ik draag in-ear-monitors. Maar echt goeie muzikanten spelen helemaal niet hard. Als je bij Maceo Parker op het podium staat, tijdens het meest swingende en heftige optreden denkbaar, kun je bijna een gesprek voeren. Je moet je power niet halen uit machogedrag, maar uit beheersing. Je moet zacht durven spelen.’

Je speelt een mengvorm van funk en jazz, wanneer ontstond je liefde voor die genres?

‘Ik hoorde als kind James Brown en Charlie Parker en ik werd er hyper van, blij, gelukkig. Muziek moet mij energie geven. Anderen willen ontroerd worden, dat is het niet voor mij. Muziek hoeft mij niet tot nadenken te stemmen of me verdrietig of somber te maken. Tenminste, het allermooiste vind ik dat je een hele avond tot dansen wordt gebeukt en dat je dan ineens een ontzettend hartverscheurend nummer hoort. Gedoseerd leed.

‘Ik kan gewoon niet tegen gasten met lang vies haar en een gitaar, die er op het podium bij staan van: schiet mij maar neer. Vreselijk. Ik zeg niet dat ik Bob Dylan en Lou Reed niet goed vind, maar zeg niet dat ze beter zijn dan James Brown. Een Beyoncé wordt afgedaan als commercieel, terwijl zij supergetalenteerd is.

Improviseer je veel?

‘De aanloop, hoe je het neerzet, staat vast. Maar het begint pas echt als je losgaat en je solo speelt. Dat studeer je niet in, dat verschilt per avond. De finale, die een avond maakt, is bij mij niet die ene grote hit. Het is juist de verrassing, dat het publiek voelt: nu gaat het gebeuren.’

Waarom koos je voor de saxofoon?

‘Pap, mag ik een keertje spelen, vroeg ik ooit. Ik hoorde hem de hele dag spelen. Ik vond het leuk, maar niet leuker dan touwtjespringen of drummen. Ik was vijf!

Je zoekt als kind naar dingen die je kunt. Ik wilde ook turnen, maar daar kon ik niks van. De sax ging wel goed. Dat had vast met talent te maken, maar ook vooral omdat ik elke dag sax hoorde en zag spelen.

Toen ik amper vier weken speelde, mocht ik mijn eerste solootje spelen bij m’n vader op het podium. Het maakte natuurlijk niet uit wat ik deed, de mensen klapten toch wel. Maar op dat moment dacht ik: ‘hé dit is leuk’. Ik was een heel verlegen kind, maar op het podium viel dat weg. Dat heb ik altijd gehouden. Op het podium ben ik nog steeds een ander mens.’

En na een paar jaar spelen besloot je: hiermee word ik rijk en beroemd?

‘Absoluut niet. Ik werd gewoon verliefd op de bezigheid. En ik kreeg meer contact met mijn vader door de sax. Ik was een vaderskindje, maar mijn vader is niet echt de meest communicatieve man. Door samen te spelen kreeg ik extra aandacht van hem, het was fijn om samen iets te delen.’

Hoe belangrijk zijn je ouders?

‘Ik ben enig kind en close met mijn ouders. Ik ben precies een combinatie van beiden. Van mijn vader heb ik de liefde voor het nachtleven, de muziek, de rock’n’roll en van mijn moeder het rustige, huiselijke, lekker koken en buiten zijn. Daarom woon ik ook op een boerderij: lekker na een concert met mijn hakken in de modder om een schaap uit de sloot te redden.

Mijn moeder is nu al 20 jaar mijn manager, dat is heel ongedwongen zo gegaan. Ze wil er geen geld aan verdienen. Dat is heel gezond, voor een moeder, maar heel stom voor een manager.’

Neemt je moeder de beslissingen?

‘Dat is denk ik wel het bijzondere aan mijn carrière: ik beslis alles alleen. Ik overleg heus wel eens, maar ik stippel alles zelf uit. Kan ik ook niemand de schuld geven als het misgaat.

Het eindstation is bij mij optreden, lol met de band. Door stomme shows als Idols denken mensen dat het gaat om een groot podium met veel publiek. Het kan ook wel: een hitje, succes, maar veel vaker nog gaat het mis: een manager die je oplicht, een enorme druk, ruzie met je omgeving. Echt, ik heb het zóveel gezien.

Ik heb mezelf zó vaak moed ingesproken, bij de kladden moeten grijpen. Om te zorgen dat je carrière standhoudt, moeten mensen net genoeg over je horen dat ze denken: ‘ik koop weer eens een cd en ga naar een optreden’ en net niet zoveel dat ze denken: ‘jezus, heb je haar weer’. Dat heb ik van mijn vader geleerd. Er komt altijd een moment dat mensen zich tegen je keren, dan moeten ze je niet meer.’

Hoe weet je wanneer je terug moet trekken?

‘Ik ben heel gevoelig, een people pleaser, een maagd, ik trek me veel aan. Als ik drie mensen hoor zeggen: ‘die Candy Dulfer, wat een stom wijf is dat’, dan denk ik meteen: ‘oh god, de grote haat is begonnen’. Dan weet ik dat het tijd is om me terug te trekken. Zo heb ik dat altijd gedaan.’

Je kwam op je 21e op het kantoor van Clive Davis terecht, een van de grootste platenbazen van Amerika, een sterrenmachine. Wat gebeurde er?

‘Janis Joplin, Aretha Franklin, Whitney Houston, Mariah Carey, hij heeft ze allemaal ontdekt. In Nederland zei iedereen: ‘doe wat hij zegt, hij weet wat hij doet!’ (Ze werpt een theeglas om: ‘moet je zien hoe diep de woede nog zit als ik aan de man denk.’)

Het eerste wat hij zei was: ‘nu antwoorden: wil je 1 of 20 miljoen verkopen?’ Ik had geen idee. Dus ik zei: 1 miljoen, dat leek me wel mooi. Dat is ook exact wat ik verkocht heb. Achteraf is dat een beslissend moment geweest. Het goeie antwoord was misschien ‘20 miljoen’ geweest, maar niet voor mij. Ik heb er nooit spijt van gehad. Het was voor mij de keuze tussen autonomie en: ‘maak me rijk en beroemd, het kan me niet schelen hoe’. Ik koos dat eerste, ben mezelf gebleven en speel nog steeds.’

Je vader was ook autonoom, daarom verkocht hij overdag auto’s. Zou je dat er ook voor over hebben gehad?

‘Mijn vader wist: naar de jazz die ik wil spelen komt misschien maar drie man en een paardenkop. Hij had er van kunnen leven, maar hij besloot keihard te werken en drie uur per nacht te slapen, zodat zijn gezin goed kon leven. Hij heeft me altijd gezegd: financieel onafhankelijk zijn is het mooiste dat er is, maar je moet het wel bereiken met hard werken en niet door te kiezen voor de makkelijkste weg.

Ik heb mijn succes nooit vanzelfsprekend gevonden en denk elke dag aan een gat in de markt buiten muziek om.’

Heb je daarom ook het interviewprogramma ‘Candy meets...’ gemaakt, dat de NPS dit najaar gaat uitzenden?

‘Misschien. Ik wilde al lang een programma maken met persoonlijke interviews met muzikanten, dat het midden houdt tussen een plat MTV Cribs en een moeilijk VPRO-programma. Geen geijkte verhalen. Ik ben geen interviewer, maar medemuzikant. Ik weet wat hen bezighoudt en ze laten me ook toe, omdat ze me kennen. Voorlopig zijn het er zes: Van Morrison, Maceo Parker, gospelzangeres Mavis Staples, Dave Stewart, Sheila E. en Hans Dulfer. Ja, ook mijn vader. Daar had ik zelf aanvankelijk niet eens aan gedacht, maar uiteindelijk is dat een van de mooiste geworden.

Als het goed wordt bekeken wil ik er wel mee door. Het is voor mij ook een manier om steady werk te hebben, want ik wil ook nog wel eens een kind.

Kan je een kind niet combineren met je muziek dan?

‘Mijn carrière is nu absoluut niet geschikt voor een kind, met al dat reizen.’

En je vriend, kan hij niet thuisblijven?

‘Nou, Thomas (Bank, red.) is toetsenist in mijn band, dan zou hij die keuze moeten maken. Ik weet het niet. We zijn al tien jaar samen, ik wil nooit iets anders, maar het heeft wel een nadeel: papa en mama kunnen niet zomaar even vier weken gaan toeren. Daar zijn we nu ook echt mee bezig, om meer in Nederland te doen bijvoorbeeld. Ik ben tenslotte 37.’

Is het niet moeilijk voor je vriend om in jouw schaduw te staan?

‘Hij is dolblij dat ik het bekende gezicht ben. Zelf staat hij liever op de achtergrond. Hij is ook niet jaloers. Niet dat je als vrouwelijk artiest veel groupies hebt, hoor. Er is nog nooit een man naar me toegekomen die zei: ‘ik ben zo’n fan van jou, ik lig nu naakt op kamer 204, kom maar langs’.’

Een oude vrouwelijke saxofonist is onappetijtelijk, zei je eens. Meen je dat?

‘Het is geen angst. Ik wil graag door tot mijn tachtigste, maar of mensen dan nog naar me willen kijken, betwijfel ik. Waarom denk je dat Tina Turner niet meer speelt?

Ik zal in elk geval anders gaan spelen, jazzier. Muziek die meer past bij een vrouw met grijs haar en steunkousen.

Uiterlijk, charisma is gewoon belangrijk in de muziek. Als mensen alleen maar naar je moeten luisteren, maak je maar een cd. Op het podium wil ik een feest, elke avond, elk optreden passie. Ik speel nooit voor het geld, altijd uit liefde. Zodra ik dat niet meer doe, hou ik er mee op.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden