BeschouwingIronie

Je méént het: ironie is verdacht geworden, maar is dat terecht?

Beeld Nastia Cistakova

In Een oprechte ode aan de ironie verdedigt theatergroep De Warme Winkel een in ongenade gevallen stijlmiddel. Waarom is ironie verdacht geworden? 

Denk Temptation Island, maar dan op toneel: palmbomen, een bar met kleurrijke drankjes, dames in fluorbikini, en twee jongens onderuitgezakt in een bubbelbad. Die twee, acteurs Florian Myjer en Ward Weemhoff, voeren een licht beneveld gesprek dat bol staat van de spraakverwarring. ‘Ironie!’, roep Myjer met dubbele tong – je zou hem gemakkelijk verkeerd kunnen verstaan. ‘Je weet wel. We hebben het over hetzelfde, toch?’ Zeker, bevestigt Weemhoff. Ja hoor, daar is hij dol op. Reken maar. Veelbetekenend schuift hij wat dichter bij Myjer in het bad.

‘Ik was laatst nog op zo’n beurs, in de Jaarbeurs in Utrecht’, fluistert Weemhoff hees, terwijl hij Myjer broeierig opneemt.

Myjer, blij verrast: ‘Een ironiebeurs?’

Weemhoff knikt loom. ‘Zo’n beurs. Met van die... eh… performances.’ Hij heeft inmiddels een arm om Myjers schouders geslagen en legt nu ook een hand op zijn been.

Myjer, ongelovig: ‘Ironische performances?

Meer verwarring volgt. Over Myjers ‘ironische rolmodellen’ – Rorty, Derrida, Kierkegaard – nee, die namen zeggen Weemhoff niks. En als Myjer hem vraagt of hij de liefde voor ironie ‘van huis uit heeft meegekregen’, kijkt Weemhoff hem aan alsof hij water ziet branden.

Myjer: ‘We hebben het over hetzelfde toch? I-R-O-N-I-E.’ Wacht. Wat? Pas bij het checken van de spelling blijkt Weemhoff het al die tijd over E-R-O-T-I-E-K te hebben.

De scène is een hilarische metafoor voor de spraakverwarring die vaak optreedt als het over ironie gaat. Dat komt omdat het begrip ironie zo veel beslaat: het is niet alleen een stijlmiddel, maar ook een subcultuur, en zelfs een allesomvattende, postmoderne levensfilosofie. In Een oprechte ode aan de ironie, de voorstelling van gezelschap De Warme Winkel waar bovenstaande scène uit komt, wordt ironie op al die niveaus bedreven. De vorm is ironisch, want de makers spelen op toneel realityshow Temptation Island na – ironisch tv-format bij uitstek, althans: voor de makers en de kijkers, die zich samen stiekem vrolijk maken over de blunderende deelnemers. Op toneel zijn ook decor en kleding ironisch, met plastic palmbomen en opzettelijk lelijke neonkleuren, panterprint, doorkijkstofjes en strings. Het spel is ironisch – de acteurs spelen zichzelf (maar toch ook niet), en de humor is ironisch: tongue in cheek, niet gemeend.

In Een oprechte ode aan de ironie spelen vier acteurs van De Warme Winkel – Ward Weemhoff, Vincent Rietveld, Florian Myjer en Marieke de Zwaan – met het format van realityshow Temptation Island. Zij werken samen met vier amateurs, zogenaamde ‘real people’ in castingbureaujargon: Earl Daniël, Britt Hartog, Myrna Hendricksen en Ayleen Kilisli – in 2018 verleider in Temptation Island. In de samenwerking met deze ‘real people’ onderzoeken de makers onder meer de ironische humor van het programma, die leunt op grappen over klassenverschillen en opleidingsniveau. Een oprechte ode aan de ironie gaat op 15 maart in première in Internationaal Theater Amsterdam.

Maar de ode is bloedserieus, want als stijlmiddel heeft de ironie het moeilijk. Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer constateerde in zijn essay Ondraaglijke Lichtheid dit najaar ‘een crisis van de ironie’. Op hun website formuleert De Warme Winkel, postmodern ironisch gezelschap bij uitstek, het als volgt: ‘Ironie wordt door menigeen bij het vuil gezet. Ironie sluit buiten en dat mag niet meer in deze inclusieve tijden. Daarbij wordt het bestempeld als artistiek zwaktebod (want dan heb je niks te zeggen), hangen jonge kunstenaars de New Sincerity aan (je moet menen wat je zegt) en degradeert de politieke ironie tot een middel om je in te dekken en discriminatie te billijken.’ Maar, vraagt de groep zich af, wordt het kind niet met het badwater weggegooid?

Als makers krijgen ze de laatste jaren meer kritiek op hun ironische theatertaal, vertelt Weemhoff. Recensenten rekenen de groep er vaker op af en jongere collega’s kaarten het aan. Ironie betekent van alles een grap maken en nergens echt voor staan, is dan het commentaar. Het is een vormspel, een handig pantser, dat de ironicus buiten schot houdt, terwijl hij zelf alles en iedereen aanvalt. Een slimme, geestige vermomming van nihilisme. In deze opvatting is ironie tegengesteld aan integriteit en oprecht engagement. Ward Weemhoff: ‘Wij vertrokken bij deze voorstelling vanuit een kinderachtig soort zelfverdediging: hoezo wordt onze ironie afgepakt? Maar voorbij die eerste reflex bleek een project te schuilen met een grote maatschappelijke en artistieke weerklank.’

Opeens lijkt hun ironische stijl te botsen met de politiek-correcte dogma’s van (vaak) jongere toeschouwers of collega’s. Zo stapte er een stagiaire bij de productie op, omdat ze vond dat de Surinaams-Nederlandse acteur Earl Daniël in de voorstelling geobjectiveerd wordt. Weemhoff: ‘Earl loopt rond in zijn blote torso – net als wij, overigens – en hij wordt gemasseerd door een van de actrices. Daar kun je een vorm van exotisme in zien. Maar we spelen juist opzettelijk met dat soort beelden en codes. Je kunt ze op meerdere niveaus interpreteren: als grap, als kritiek, of als commentaar op het debat.’ 

Matijs Jansen, collega-theatermaker van gezelschap Wunderbaum, ook een groep die graag gebruikmaakt van ironische humor, constateert dezelfde ontwikkeling. Twee jaar geleden maakte deze groep de voorstelling Daar gaan we weer (white male privilege) over het onbewuste racisme van de links-intellectuele elite. De tekst (van Annelies Verbeke) klaagt die vorm van racisme aan, door hem eerst ruim baan te geven. Zo verdedigt het personage Ton (gespeeld door Jansen) het gebruik van het woord ‘neger’ met een reeks verbeten etymologische argumenten. De botte Ton wordt hierin overigens luidkeels door de andere personages tegengesproken, totdat die – uiteraard - geen haar beter blijken dan hij, in een even geestig als pijnlijk demasqué van hun progressieve zelfgenoegzaamheid. Een ‘onverbiddelijke toneelsatire’, jubelde de Volkskrant.

Destijds werd de humor in dit stuk over het algemeen goed begrepen. Het onderscheid tussen bepaalde ‘racistische’ teksten en grappen en de antiracistische teneur van de voorstelling als geheel was glashelder. Maar toen de groep de voorstelling dit najaar opnieuw speelde, werd die met meer argwaan ontvangen. Sommige toeschouwers vertrokken nog tijdens de voorstelling, en de makers kregen kritische mails. Jansen: ‘We voelden tijdens het spelen heel duidelijk dat bepaalde grappen anders aankwamen bij het publiek. Soms hadden we echt het gevoel dat het publiek zich tegen ons keerde.’

Hoe kan het dat deze ironische humor plots minder goed begrepen wordt? Waarom ligt de ironie onder vuur?

Om dat te begrijpen moeten we eerst weten hoe ironie werkt, zegt cultuurfilosoof Eva Sancho Rodriguez, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar de relatie tussen ironie, oprechtheid en politiek engagement. Een van de belangrijkste inzichten in haar proefschrift, dat volgend jaar verschijnt, is de eerder genoemde permanente spraakverwarring over alle verschillende soorten ironie. Hier beperken we ons tot het stijlmiddel.  

Oppervlakkig gezien is ironie iets zeggen dat je niet meent, met de bedoeling de toehoorder duidelijk te maken dat je het tegenovergestelde bedoelt. Simpelste voorbeeld: ‘Lekker weertje!’ roepen, terwijl buiten storm Dennis tekeergaat. Dat werkt, omdat spreker en luisteraar hetzelfde idee hebben over wat lekker weer is en wat niet. Daardoor beseft de luisteraar dat de spreker onmogelijk kan menen wat hij zegt, en kan hij concluderen dat die het tegenovergestelde bedoelt.

Maar dat is maar een deel van het verhaal. Sancho Rodriguez: ‘Elke ironische uitwisseling bestaat uit een gezegd deel en een ongezegd deel. Bij ironie weegt het ongezegde zwaarder dan het gezegde.’ Om dat ongezegde te begrijpen, legt ze uit, zijn de context en een zekere voorkennis van belang. ‘Stel, jij en ik hebben afgesproken om samen op de bank een filmpje te gaan kijken. Het stormt dus buiten en ik zeg: ‘Lekker weertje hè?’ Dan begrijp jij niet alleen dat ik bedoel dat het vreselijk weer is, maar ook dat ik daarmee wil zeggen: wat fijn dat wij van plan zijn lekker samen binnen te blijven.’

Ironie is dus ‘een proces’: de toehoorder wordt uitgenodigd om de grap af te maken. Dat gebeurt op basis van gedeelde kennis; gedeelde waarden - een gedeeld wereldbeeld. Een succesvolle ironische uitwisseling onderstreept de band tussen mensen, en versterkt die ook meteen. ‘Het is prettig dat je met elkaar zo de bocht af kunt snijden. Als het lukt geeft dat een goed gevoel.

‘Magisch hè? Wat zijn wij mensen toch bijzondere dieren, dat we dit kunnen.’

Het spannendste aan ironie is dat het functioneert door middel van een ongezegd oordeel. ‘Als jou gevraagd wordt om door middel van ironie iets te begrijpen waar een moreel oordeel in zit, dan moeten jij en de spreker dat oordeel delen om het onuitgesproken te begrijpen.’

Beeld Nastia Cistakova

Om de vermeende objectificatie van Earl Daniël in de voorstelling van De Warme Winkel nog even als voorbeeld te nemen: ‘Om die scène als ironisch te kunnen begrijpen’, zegt Sancho Rodriguez, ‘moet je er als toeschouwer op kunnen vertrouwen dat jij en de makers het erover eens zijn dat het verkeerd is om een zwarte man te objectificeren. Of, zoals bij het voorbeeld van Wunderbaum, dat het niet oké is om het woord ‘neger’ te gebruiken. Maar – en dat is het probleem met ironie in deze tijd – dat vertrouwen hebben we niet meer automatisch.’

‘Als het op de temperatuur in de samenleving aankomt’, schreef Ariejan Korteweg eerder in de verslaggeverscolumn in deze krant, ‘is ironie de kanarie in de kolenmijn. Begrijpen we elkaar nog een beetje?’

Eva Sancho Rodriguez: ‘We weten niet meer zo zeker dat we bepaalde morele waarden delen.’

Maar wacht: we hebben het hier toch over progressieve theatermakers en hun dito collega’s en publiek? Die eensgezinde linkse kerk waar altijd zo overzichtelijk voor eigen parochie wordt gepreekt? Kunnen we dan niet veronderstellen dat daar hetzelfde wordt gedacht over, bijvoorbeeld, discriminatie van minderheden?

Vroeger wel, zegt Sancho Rodriguez. Een paar jaar geleden wist de links-progressieve elite, in dit geval: de theatermakers en hun publiek, nog heel zeker van zichzelf dat ze bij het goeie kamp hoorde. ‘Van de jaren zestig tot de jaren negentig was ironie, heel overzichtelijk, hét stijlmiddel van links: de ironische levensfilosofie van postmoderne denkers als Richard Rorty stond voor een open, vrije, pluralistische samenleving. Was je ironisch, dan was je vanzelfsprekend progressief.’

Maar in deze tijden van identiteitsdebat, met radicaal-rechts aan de ene kant en de antiracismebeweging aan de andere, is een complex spiegelpaleis ontstaan van progressief en conservatief, goed en fout, machthebbers en gemarginaliseerden, waarbinnen de ironie verdwaald is geraakt.

‘Nu wordt het echt ingewikkeld’, waarschuwt Sancho Rodriguez.

Om te beginnen maken inmiddels niet linkse, maar rechtse politici als Wilders en Baudet, en blogs als GeenStijl en ThePostOnline volop gebruik van ironie. Dat heeft tot gevolg dat een jongere generatie ironie niet meer automatisch als progressief herkent, en misschien zelfs wel als reactionair en verdacht beschouwt. Sancho Rodriguez: ‘In brede maatschappelijke zin heeft ironie nu een rechtse connotatie. Daardoor begrijp je minder vanzelfsprekend hoe een ironische opmerking bedoeld is. Sommige toeschouwers horen in een ironische racistische grap in een voorstelling nu misschien eerder een echo van GeenStijl.’

Binnen het links-progressieve kamp heeft zich bovendien ook een interessante ontwikkeling voorgedaan. ‘Binnen die groep is de laatste jaren meer bewustzijn ontstaan over het eigen onbewuste racisme, de machtspositie en de blinde vlek ten aanzien van de eigen privileges. Maar de een is zich daar meer van bewust dan de ander. Dat maakt dat de eensgezindheid weg is: we kunnen niet meer voetstoots aannemen dat we het in deze kwestie wel eens zullen zijn.’

Als we dat weer even naar het theater vertalen: als je een groep al langer kent en volgt, ben je nog wel bereid om uit te gaan van goede intenties. Maar nieuwe toeschouwers van Wunderbaum of De Warme Winkel zullen niet automatisch aannemen dat die theatermakers net zo ‘woke’ zijn als zij. Sancho Rodriguez: ‘We weten in deze discussies niet meer zo zeker: zit ik eigenlijk wel in het goeie kamp? En hij of zij? Dat maakt ook dat een ironische racistische grap minder goed werkt.’

Beeld Nastia Cistakova

Bij Wunderbaum vertrokken twee toeschouwers van kleur tijdens de ellenlange discussie over het n-woord. Jansen: ‘Dat is natuurlijk hun goed recht. Ik betreur het wel, want we willen hen niet kwetsen, en ik denk ook echt dat als je de voorstelling helemaal ziet uiteindelijk wel duidelijk wordt waar wij in dit debat staan. Dat we niet minderheden belachelijk maken, maar juist de personages, die veel meer op onszelf lijken. We zetten uiteindelijk vooral onszelf te kakken. Via ironie kun je ook heel goed je eigen aannamen en vaste overtuigingen bevragen.’

Dat is sowieso een probleem in het huidige debat, ziet ook Sancho Rodriguez, ‘dat één element uit de context wordt gelicht, en wordt verabsoluteerd. Terwijl juist ook voor het begrijpen van ironie geldt: de context is cruciaal.’

Een voorstelling die bol staat van de ironische humor kan als geheel toch heel integer zijn. ‘De tegenstelling tussen ironie en oprechtheid is schijn.’

Maar nu die context, of het gedeelde morele oordeel, niet altijd meer even helder is, vraagt dat dan om aanpassingen van de theatermakers?

Jansen: ‘In principe vind ik dat je op toneel alles zou moeten kunnen zeggen en doen. Maar de maatschappelijke realiteit resoneert altijd mee, daar moeten we rekening mee houden. Tijdens de tweede speelreeks van Daar gaan we weer merkten we dat het helpt als we minder ‘op de lach’ spelen. De personages moeten niet té leuk, te vlot, te ‘lekker’ zijn. Onze morele opvatting over hen moet eerder duidelijk worden.’

Dat vindt Sancho Rodriguez interessant. ‘Ironie heeft baat bij bepaalde voorkennis. Als die ontbreekt, hoef je niet meteen de ironie helemaal af te zweren, maar kan het helpen om je bedoelingen iets anders te communiceren, zoals Wunderbaum bij deze voorstelling nu blijkbaar doet.’

Maar Jansen en Weemhoff zijn het er wel over eens dat het niet allemaal te moralistisch of ondubbelzinnig moet worden. Jansen: ‘Het lijkt nu soms wel alsof ze elkaar uitsluiten, maar ironie en engagement kunnen heel goed samengaan.’

‘Het identiteitsdebat kan ook wel een vleugje ironie gebruiken’, vindt Weemhoff. ‘Ironie is een sociaal smeermiddel, het kan het gesprek veraangenamen en opent deuren en nieuwe mogelijkheden. Dat zie je ook in de kunst: een al te absolute interpretatie vernauwt de beleving. Kunst zou een vrijplaats moeten zijn waarin we veilig en in goed vertrouwen over grenzen kunnen gaan, met als doel om tot nieuwe inzichten te komen.’

De ironie die De Warme Winkel verdedigt is niet de alles ondermijnende, nihilistische variant die critici er soms in zien, zegt hij. ‘Het is niet: niks is waar, fuck it, na mij de zondvloed, maar eerder: alles kán waar zijn. We laten weloverwogen het idee los dat er een absolute waarheid is. Dat vind ik voor de kunst een heel krachtig uitgangspunt. En dat sluit betrokkenheid en ontroering niet uit.’

Of, zoals op toneel in een bonte eredienst voor de ironie door de spelers één voor één plechtig herhaald wordt, alvorens ze worden gedoopt in het bubbelbad op Temptation Island: ‘Alles is relatief, elke mening subjectief. Met mededogen omarm ik dit onvermogen.’

Ironie vaker onder vuur

Schrijver David Foster Wallace geldt als grondlegger van de ‘New Sincerity’, die zou afrekenen met de ironie. Maar de discussie over ironie is veel ouder en steekt elke zoveel jaar de kop op. Cultuurfilosoof Eva Sancho Rodriguez constateert dat voor- en tegenstanders van ironie langs elkaar heen praten. ‘De tegenstelling tussen ironie en oprechtheid is schijn. Iemand kan met ironie iets heel gemeends zeggen en ‘oprechtheid’ kan leiden tot navelstaren. Wat men vergeet is wat er eigenlijk op het spel staat: het innemen van een moreel standpunt. Critici zeggen dat je oprecht moet zijn, maar waarover? Zo gaat het debat uitsluitend over vorm.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden