interview John Schoorl

Je kunt vooraf van alles bedenken… Maar een interview met David Hockney laat zich niet plannen

Verslaggever John Schoorl heeft zo zijn eigen manier om een interview aan te pakken. Hij bereidde zijn gesprek met David Hockney tot in de puntjes voor, maar de duurste levende kunstenaar ter wereld, die laat zich moeilijk sturen.

Verslaggever John Schoorl met David Hockney op een tentoonstelling van de kunstenaar in Los Angeles. Beeld Eva Roefs

John Schoorl laat twee peuken uit een groen doosje van een Amerikaans kauwgommerk op tafel rollen. Witte Davidoff-peuken met een smal zilveren lijntje. Sigaretten van David Hockney, de duurste levende kunstenaar ter wereld. Persoonlijk door hem opgerookt, het speeksel van Hockney zit waarschijnlijk nog aan de filter. 

Schoorl kijkt tevreden. ‘Ja, jij moet ook ergens mee beginnen’, zegt hij. ‘Daarom heb ik die peuken meegenomen. Ik dacht, dat is handig voor jou, dan heb je vast een scène.’ Schoorl denkt altijd aan de openingsscène, ook als hij het verhaal zelf niet hoeft te schrijven.

Anderhalve week geleden vloog hij naar LA om David Hockney te interviewen, naar aanleiding van zijn tentoonstelling in het Van Gogh Museum in maart. Schoorl moest praten als brugman om het voor elkaar te krijgen, want zo’n exclusief interview wilde iedereen wel. Maar Schoorl is niet iemand die snel opgeeft als het op interviews aankomt. Hij geeft überhaupt nooit op, eigenlijk. En als hij het dan voor elkaar heeft, dan houdt hij het ook niet bij een interview op een hotelkamer en klaar. Meeslepende, avontuurlijke verhalen moeten het zijn, die je nieuwe inzichten opleveren over de geïnterviewden. Daarom gaat Schoorl ernaar toe – hij moet met zo iemand op pad. Iets meemaken.

Je had zelf ook een beginscène voor je verhaal met Hockney in je hoofd, vertelde je voordat je wegging. Is dat ’m ook geworden?

‘Dat zou bij hem in de auto zijn. Hij woont in Hollywood, vlakbij Mulholland Drive. Hij maakte een schilderij onder dezelfde naam, met daarop een heuvelachtig landschap in krankzinnige kleuren. Ik had gekeken op Google Maps en dacht: als we vanaf de heuvel naar beneden rijden richting Venice Beach komen we daar ook langs.’

Dan zou er een mooie scène ontstaan waarin Hockney filosofeerde over zijn eerste tijd in LA, ruim vijftig jaar geleden. Wat het landschap voor hem betekende, misschien wel een mooie anekdote – de perfecte openingsscène. Schoorl haalt zijn schouders op. ‘Klopte helemaal niets van, mijn inschatting. We reden de andere kant op.’

Een plan is leuk, maar uiteindelijk kan ook de interviewer niets voorspellen. Aan de voorbereiding ligt het niet: van tevoren doet Schoorl rigoureus onderzoek – een volledige immersie in het leven van de geïnterviewde. Hij las vier Hockney-biografieën, talloze interviews, en keek documentaires. ‘Ik ben geen kunstkenner, maar ik heb me er enorm in verdiept. Misschien een beetje te veel. Ik ga daar altijd best wel ver in.’

Toen hij een verhaal schreef over de vrouw die spontaan Don’t Look Back in Anger van Oasis zong tijdens de herdenking van de bomaanslag bij het Ariana Grande-concert in Manchester, las hij ook allerlei boeken over de stad en de lokale muziekscene. Voor een interview met IT-professor Timo Honkela dook hij diep in de wereld van kunstmatige intelligentie waar hij niets vanaf wist. Voor een verhaal over de schilder van een iconisch portret van Trump uit 1987 las hij meerdere boeken over Trump in de jaren tachtig.

‘Ik wil alles weten’, zegt Schoorl. ‘Dat vind ik mooi en soms is het ook heel erg grappig. Op een gegeven moment las ik ergens wat het merk is van het bleekmiddel dat David Hockney gebruikt om zijn haar te blonderen.’ Hij lacht. Gloriana ofzo, het staat ergens in zijn aantekeningen. Schitterende onzin-informatie. ‘Ik weet ook waarom hij zich liet blonderen. Zijn favoriete zangeres is Marilyn Monroe. Blondes have more fun. Het staat niet in het verhaal, nee. Ik dacht: wat moeten de mensen daarmee.’

Schoorl nam een plaat uit Hockneys begintijd in LA voor hem mee, een singletje van Cliff Richard, Summer Holiday. Hockney had in zijn jeugd een obsessie met de Engelse zanger en wijdde zelfs een serie schilderijen aan hem. Schoorl neemt wel vaker muziek mee voor mensen die hij interviewt. ‘Dan heb je iets om over te praten’, zegt hij. ‘Bovendien laat je zien dat je je in iemand verdiept hebt.’ 

Maar toen hij die plaat overhandigde bij de kennismaking reageerde Hockney nauwelijks. Geen man van de nostalgie, blijkbaar. ‘Ik wilde ook de hele tijd grappen maken over zwembaden’, zegt Schoorl, refererend aan de grote hoeveelheid Hockney-schilderijen waarop een zwembad voorkomt. Het schilderij A Bigger Splash! uit 1967 en het werk Portrait of an Artist (Pool with Two Figures) uit 1972, dat vorig jaar verkocht werd voor 90,2 miljoen dollar, zijn de bekendste. ‘Maar mijn grappen landden totaal niet. En ik had mijn zwembroek meegenomen.’

Echt?

‘Ja. ik dacht: A Bigger Splash! Ik ga een bommetje doen daar. Maar het was donker en regende. Het was kutweer, dus dat ging ook niet door. Je kan van alles van tevoren bedenken…’ Schoorl schudt zijn hoofd. ‘Maar tegelijkertijd: als het wel gebeurt, moet je er ook zijn.’

David Hockneys Portrait Of An Artist (Pool With Two Figures), 1972, bij veilinghuis Christie's in Londen. Beeld Hollandse Hoogte / Eyevine

Een volle dag bracht Schoorl door met Hockney en zijn entourage van vrienden, werknemers en ex-geliefden die constant om ‘David’ heen hangen. De hele groep trok met ze mee, van Hockneys huis naar de galerie in Venice Beach, tot in het restaurant waar ze ’s avonds aten. ‘The Circus’, ging Schoorl ze noemen. ‘Ik moest een woord hebben voor die hele groep. Al die mensen komen en gaan continu.’ Ergens in zijn onderzoek naar de kunstenaar was hij de term ‘The Circus’ tegengekomen – bedacht door een curator van The MET in New York. ‘Het is een beetje zoals bij Elvis, die had dat ook. De Memphis Mafia. Allemaal van die mannen die allerlei klusjes deden. Sinatra had ook altijd van die mannetjes om zich heen.’

Hij wijst op een van de peuken op tafel: deze is minder ver is opgebrand dan de ander. ‘Die vond ik in de galerie in Venice Beach. Ik dacht: die neem ik mee.’

Het mooiste van zijn bezoek vond hij het moment toen hij met de kunstenaar alleen op een bankje zat in de galerie, te midden van zijn schilderijen. ‘Hij lekker roken. Hah! Toen was ik al helemaal uitgerookt. Al mijn kleren stonken ernaar. Maar ik dacht wauw, dit is wel heel cool. De meester gaat vertellen wat het is.’ Hij liet een oude iPhone het gesprek opnemen. Dat ging nog even mis. 

Toen hij de telefoon daarna in zijn zak stopte ging het apparaat weer opnemen, over die belangrijke opname heen. ‘Van de 35 minuten had ik er nog maar 15 over. Ik had wel wat meegeschreven maar niet uitgebreid. Dus ik ben daarna gelijk even apart gaan zitten en heb alles uitgeschreven. Het was een heel mooi stukje. Hij vertelde dat hij zich altijd een schilder uit de periferie had gevoeld, terwijl hij nu opeens in het centrum stond.’

Die avond vertelde Hockney dat hij zijn schilderijen ’s avonds mee naar zijn slaapkamer neemt. De volgende ochtend weet hij dan wat ermee moet gebeuren. Het deed Schoorl denken aan zichzelf als scholier vroeger. ‘Ik heb vroeger weleens een boek onder mijn kussen gelegd als ik de dag erna een proefwerk had’, zegt hij en lacht erom. ‘Alsof dat dan omhoog straalt. Mooi iets.’

In hoeverre kom jijzelf voor in het verhaal?

‘Hoe bedoel je? Als personage, of als vragensteller? Of …’

Als degene die observeert, bedoel ik, die bepaalt wat er wel en niet in komt. Je kan natuurlijk nooit helemaal objectief zijn in wat je kiest te beschrijven.

‘Nee totaal niet, dat is mijn keuze. Maar het is wel een journalistieke keuze.’

Jij denkt niet dat jij als persoon doorsijpelt in hoe je het vertelt?

‘Oh ja enorm, natuurlijk. Ik houd van dit soort dingen. Anders komt het er niet in voor.’ Zo’n avond in een restaurant die hij doorbracht met Hockey en zijn groep bijvoorbeeld – wijn op tafel, onverwacht platte grappen van Hockney zelf – dat vindt hij leuk. ‘Er zit ook iets roekeloos in, we gaan allemaal schelden en drinken, er is drank in de man, daar houd ik natuurlijk heel erg van. Zeker. Daar is niets objectiefs aan. Maar het is wel zo dat het allemaal voor mijn ogen gebeurt, dat hoef ik niet in gang te zetten.’

De aanvraag bij Hockney was voor een interview, maar of je de verhalen die Schoorl maakt zo kan noemen valt te betwijfelen. Zoals veel van Schoorls verhalen, is het gesprek met Hockney meer een mix tussen een reportage, interview en profiel. Schoorl gebruikt in zijn stukken ook nauwelijks de klassieke ‘vraag-antwoord’ structuur van een interview. ‘Dat vind ik zelf als lezer vaak niet zo interessant’, zegt Schoorl. ‘Ik vind het leuker om de omgeving van iemand te schetsen, wat iemand doet. Ik wil het verhaal gewoon aangekleed vertellen.’ Hij vindt de vragen van een verslaggever vaak een beetje zonde van de ruimte. ‘Je moet eens kijken hoeveel regels dat kost.’

Schoorl parafraseert de geïnterviewde ook liever, dat vindt hij mooier. ‘Dat houdt de vaart erin.’ Zoals bij zijn interview met de vermaarde Belgische jazzmuzikant Philip Catherine. Er staat één citaat van Catherine in, tussen aanhalingstekens, op een verhaal van zestienhonderd woorden.

Fotograaf Eva Roefs en John Schoorl bij David Hockney thuis in zijn atelier. Beeld RV

Terwijl Schoorl vertelt over die maandag in LA draait hij de film van zijn herinneringen af in zijn hoofd. Een ander moment dat hij nog zo op zijn netvlies heeft. ‘Ik zie Hockney op een gegeven moment zo lopen,’ Schoorl staat op en schuifelt licht voorovergebogen vooruit, met één zwaarder vallende voet. ‘Ik moest opeens heel erg denken aan een zomer toen ik op het land aan het werk was in de bollenvelden. Toen zag ik een boer lopen en die liep ook zo. Ik weet zelfs nog hoe hij heet.’

Hoe heette hij?

‘Verdegaal. Die man liep zo typisch. En ik dacht op dat moment bij Hockney: zo loopt hij ook. Hij loopt trots als een bollenboer door een bloeiend bollenveld.’ Schoorl peinst even. ‘Al die kleuren in zijn werk, dat deed mij daarvoor al heel erg denken aan de bollenstreek.’ Hij is er zelf opgegroeid, zegt hij. ‘Er is maar een hele korte periode dat alles bloeit hè? De hyacinten, de tulpen. Eigenlijk is de natuur zo hysterisch, zoveel kleur, je gelooft het gewoon niet. Ik dacht: die man moet een keer naar de bollenstreek worden gehaald. Iemand moet vragen of hij daar de lente wil schilderen.’

Die beschrijving komt voor in het verhaal. Één zin, meer niet. Een dag eerder liep Hockney door de galerie L.A. Louver als een tevreden bollenboer door een bloeiend tulpenveld.

Schoorl is nog niet klaar met de peuken, die nog steeds op tafel liggen. Die andere peuk had ook nog een verhaal. Die lag namelijk op de grond in Hockneys atelier thuis, naast hem op de vloer, terwijl hij aan het tekenen was. ‘We hadden een versie van het Volkskrant Magazine met een blanco voorkant meegenomen. Hockney tekende voor de New Yorker al vier keer een cover. En hij ging erop zitten tekenen. Ik dacht, Jezus, wat gaaf.’ Maar helaas. ‘Kwam die manager binnen, schudt hij zijn hoofd. Ging niet door. Shit.’ Schoorl heeft toch maar even die peuk opgepakt.

Wat ga je met die peuken doen? Heb je een soort trofeeënkast?

‘Ik weet het nog niet. Omdat het zo nadrukkelijk in mijn verhaal voorkomt, dacht ik: laat ik het maar meenemen. Maar goed, misschien flikker ik die peuken wel weg.’

Het is wel een herinnering aan weer een avontuur. Want wie maakt nou mee wat Schoorl meemaakt. ‘Dat we met die auto rondrijden door Los Angeles, met Hockney en zijn manager voorin, Eva de fotograaf die hem vastlegt. En dat het veel langer mag duren zo’n ontmoeting, dan we van tevoren dachten. En dat het uiteindelijk goed verloopt, en straks op tien pagina’s in het Volkskrant Magazine staat.’

Voelt dat elke keer toch weer als een soort wonder?

‘Ja vind ik wel ja. Hè? Niet dan?’

Een van de sigaretten heeft Schoorl inmiddels op een plastic bord geplakt, ‘als een soort ready-made’, met als titel HOCKNEY! ‘Het is een soort beeldgedicht geworden.’ Hij heeft deze officieel overhandigd aan de chef van het Volkskrant Magazine, Aimée Kiene.

Wat stelt u zich voor van de ‘duurste levende kunstenaar’ van het heelal? Hier is hij dan, David Hockney. Verslaggever John Schoorl at voorafgaand aan zijn tentoon­stelling in Amsterdam een hamburger met de 81-jarige kunstenaar in Los Angeles en volgde hem (en zijn entourage) naar een nieuwe tentoonstelling in Venice Beach.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.