Je Hollands is niet goed genoeg, meneer De universele jazz-roots van Burton Greene

Sinds december 1969 woont de jazzpianist Burton Greene in Amsterdam. In Chicago speelde hij een ongemakkelijke rol als witte muzikant in de voornamelijk zwarte free-jazzbeweging, maar in Europa kon hij zich vrijer voelen....

BURTON GREENE komt uit Chicago - hij werd er in 1937 geboren en begon er als tiener jazz te spelen - waar de hipste jazzmuzikanten ultra-relaxed klinken en graag een paar goed gekozen noten vér achter de beat plaatsen. Helaas hield de jonge Burton van véél noten, van luide, dichte akkoorden en had hij de neiging te versnellen als hij de geest kreeg. Het maakte hem niet geliefd bij andere muzikanten. De beste les die hij ooit kreeg, van de plaatselijke pianist Billy Green, was een praktische instructie om meer ontspannen te spelen.

Burton Greene speelt nog altijd veel noten en volle akkoorden, en als hij de geest krijgt voert hij nog steeds het tempo op - maar het is geen probleem meer. Hij kan het nu verklaren uit de Roemeense afkomst van zijn moeder, en uit de invloed van zigeneurmuziek en andere Oost-Europese bronnen.

Het kostte hem tijd om die verbanden te zien, maar in feite hebben zijn roots hem altijd geïnteresseerd. Al in 1975 bezocht hij Roemenië - en het was bepaald geen plezierreis. Zoals hij schrijft in zijn ongepubliceerde autobiografie Memoirs of a Musical 'Pesty-Mystic' or From the Ashcan to the Ashram and Back Again, belandde hij er door een onbenullig verkeersincident op een haar na in de gevangenis.

Burton Greene zit het pionieren ingebakken. Hij was een van de eerste vertegenwoordigers van de free jazz, van geïmproviseerde muziek, van de fusie van jazz en Indiase muziek. Ook maakte hij al vroeg muziek voor een 'new age' (met zijn New Age Jazz Chorale, een grote groep met zangers uit de jaren zeventig), en jazz met joodse en Oost-Europese invloeden. Hij is een nijvere zoeker, altijd op weg naar iets beters.

En desondanks - zie Roemenië - lijkt Burton Greene niet voor het geluk geboren.

In 1966, toen hij in New York woonde, werd Greene het slachtoffer van een van de kwaadaardigste aanvallen in de geschiedenis van de jazzkritiek: een column in het tijdschrift Down Beat van Leroi Jones/Amiri Baraka (herdrukt in zijn boek Black Music), onder de titel 'De Zaak Burton Greene'. In zijn recensie van Greenes optreden met de saxofonisten Pharoah Sanders en Marion Brown gebruikte Jones de pianist voor een aanval op álle witte free jazz-muzikanten. Die zouden slappe pogingen doen vitale, creatieve zwarte muzikanten naar de kroon te steken.

Zo schilderde Leroi Jones hem af: stompend op de toetsen of de klankkast, terwijl 'the beautiful writhe of the black spirit-energy' van de saxen maar doorging, onaangedaan door wat de pianist deed of niet deed. Het was een goedkope aanval - Greene herinnert zich dat de piano zoveel slechte toetsen had, dat hij er wel op móest hameren - maar juist in zijn hatelijkheid is het artikel gedenkwaardig. Het zet een oud Amerikaans stereotiep beeld van blank en zwart op zijn kop: de blanke die zijn simpele instincten volgt, en met iets esthetisch naïefs, lachwekkends op de proppen komt.

Toen ik Black Music jaren na verschijning las, vroeg ik me af of de affaire Greene nog dwars zou zitten. In 1991 maakte ik kennis met hem. Binnen twintig minuten sneed hij het onderwerp aan.

Burton Greene praat soms net zoals hij wel eens speelt: hij snelt vooruit tot hij omkeert met een bocht. En hij neemt afscheid op de manier van Columbo: hij zegt goeiendag, loopt weg, bedenkt zich en keert terug met een p.s., soms wel twee of drie keer achtereen. Je kunt uren met hem op zijn Amsterdamse woonboot zitten praten, en als je thuiskomt gaat de telefoon: nog iets dat hij vergat.

Hield hij vroeger van Columbo op tv?

'Die rare kleine man? Heb ik altijd een hekel aan gehad, ik weet niet waarom.'

Waarom hij belde: hij was vergeten over zijn recente comeback in de Verenigde Staten te vertellen, bijna dertig jaar nadat hij New York verliet. Er is een nieuwe solo-cd van hem op een Amerikaans label. En hij kreeg een 'welkom thuis'-concert in Chicago, met een oude vriend: de trombonist Roswell Rudd.

Zijn band Klezmokum trad op in New York, voor tweehonderd man in The Knitting Factory; een respectabel bezoekersaantal. Het New Yorkse radiostation WKCR wijdde een terugblik aan zijn muziek, vijf uur lang, en de interviewer had zowaar oude concertopnamen van het Freeform Improvisation Ensemble gevonden, een groep die Greene begon met de bassist Alan Silva, kort nadat hij zich in 1962 in New York vestigde. Misschien komt ook daarvan binnenkort iets op cd.

'Het is een van de eerste opnamen van free music. Er was niets uitgeschreven. Er zaten een hoop roots en Europese elementen in: volksmuziek, jazz en kamermuziek. No borders. Maar na een poosje voegde een van ons wat compositorische ideeën toe, en toen we daar allemaal mee begonnen was het idee weg.'

Greene maakte zijn eerste platen voor het prestigieus-vooruitstrevende, maar nauwelijks betalende ESP-label, zeurde toen net zo lang topproducer John Hammond aan het hoofd tot hij een lp mocht maken voor Columbia Records, een firma die free jazz haatte. Na de opnamen kwam de aap uit de mouw: Hammond haalde Greene over om (volslagen overbodige) synthesizerpartijen in te dubben - naar de mode van de dag.

Hammond wist van Greenes contacten met synthesizerpionier Robert Moog. Burton had hem leren kennen op een demonstratie van muziekinstrumenten, waar iedereen aan Moogs rare nieuwe apparaat voorbijliep. Burton, nieuwsgierig als altijd, wilde er meer van weten. 'Moog nodigde me uit naar zijn huis in Ithaca (in de staat New York) te komen. ''Mijn vrouw kan lekker koken'', zei hij erbij. Ik liftte naar hem toe, en twee weekeinden later was ik een Synthesizer Expert.'

Presenting Burton Greene, de Columbia-lp uit 1968, was een van de allereerste voorbeelden van de mixage van jazz en synthesizers. Ook in andere opzichten liep Greene voorop. In Ballad in B-Minor, een stuk dat hij al in de jaren vijftig had gecomponeerd, kon je glimpen van de klezmermuziek van latere jaren horen. In zijn hoestekst schreef hij over 'a feeling for my Semitic roots', en over zijn leermeester Swami Satchidananda. In 1970 ging Greene met hem op pelgrimage naar India en Ceylon. Hij trok op met mede-volgeling Alice Coltrane en bleef tot de dag van vandaag een discipel. Van Swami Satchidananda kreeg hij een nieuwe naam: Narada.

0 OLGENS GREENE heeft Baraka's aanval hem niet Amerika uitgejaagd. Hij vond het wél een teken van de oplopende raciale spanningen in de jazz, een bizar bijproduct van de strijd om burgerrechten. Via kennissen in Chicago hoorde hij dat muzikanten als Anthony Braxton en het Art Ensemble of Chicago bezig waren naar Parijs te verhuizen. Voorjaar 1969 ging hij dezelfde kant op.

In Parijs viel alles op zijn plaats. Alle nieuwe emigranten waren al snel verwikkeld in opnamen voor het prestigieuze, nauwelijks betalende BYG/Actuel-label. Greene begon rond te reizen en vond links en rechts werk. Kopenhagen was opener dan Parijs, maar lag als uitvalbasis te noordelijk. In december nodigde Willem Breuker hem uit naar Amsterdam te komen voor een paar concerten met Han Bennink en Arjen Gorter. De vibraties bevielen hem, de stad lag geografisch gunstig, en hij besloot te blijven.

Een muzikant van toen herinnert zich welke indruk de nieuwe gast maakte: haar tot zijn heupen, een lange baard, de witte tooi van de heilige, en twee hippie girls gehurkt aan zijn voeten.

Onder Amsterdamse muzikanten is Burton Greene beroemd om zijn slechte Nederlands. Nu zijn er bepaald wel ergere gevallen te vinden (Greene neemt tenminste de moeite zijn telefoonbeantwoorder tweetalig in te spreken), maar niettemin heeft Greene op dit punt diverse beledigingen te slikken gehad. Hij herinnert zich hoe hij een belangrijke muzikant aansprak, die eerder kritiek op zijn Nederlands had gehad, en nu de concerten voor een Amsterdams podium boekte. Greene vroeg nederig of hij er een keer kon spelen, 'in mijn beste Nederlands'. 'Je Hollands is niet goed genoeg, meneer', was het hooghartige antwoord. 'Ga eerst nog maar wat oefenen.'

Toch heeft Greene voor veel Nederlandse muzikanten een waardevolle rol gespeeld. Hij was bijvoorbeeld de eerste die cellist Ernst Reijseger in zijn groep vroeg, begin jaren zeventig, in een trio dat variaties op Indiase raga's speelde, met een Horace Silver-compositie als toegift (dat was tussen haakjes het moment dat Reijseger walking bass op zijn cello ging spelen). De cellist herinnert zich moeizame tournees, waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid. Maar hij is Burton nog steeds dankbaar: via hem leerde hij in Amsterdam muzikanten als Sean Bergin en Martin van Duynhoven kennen.

Omstreeks 1972 had Greene genoeg van de tumultueuze free jazz. Hij had behoefte aan een nieuw begin. 'Ik begon iets koesterends te spelen, dat me herinnerde aan Oosterse toonschalen, zonder dat ik er een naam voor had.' Een tijdgenoot herinnert zich dat de pianist het destijds 'Indiase muziek' noemde. (Volgens hem speelt Greene tegenwoordig precies dezelfde toonschalen, maar noemt hij het nu 'klezmer'.)

Niet lang daarna speelde Greene raga-achtige improvisaties met sitarspeler Jamaluddin Bhartiya, die zijn mentor werd, en bongospeler Daoud Amin. Hun East West Trio was een vroeg voorbeeld van wereldmuziek, ook al had saxofonist Joe Harriot in Engeland al eerder met een fusie van vergelijkbare elementen gewerkt.

Jaren gaan voorbij - Burton Greene maakt platen voor uiteenlopende Europese firma's en blijft steeds op verkenning. Hij maakt reizen door Israël (om 're-Jew-venated' te worden, zoals hij in zijn boek zegt), Portugal (waar de Moorse invloeden hem treffen) en Rusland, waar zijn vaders familie vandaan komt. Ook trekt hij opnieuw door Roemenië, en hij begint in te zien hoe al die schijnbaar verschillende culturen die hem fascineren onderling verbonden zijn.

'In Indiase raga's, Arabische muziek en joodse liturgie spelen dezelfde toonschalen een rol, en haast elke ''folkloristische'' toonschaal kun je terugvinden in de Noord-Indiase muziek. Dezelfde waarden worden van cultuur op cultuur doorgegeven. In Turkije en Roemenië hoor je bijvoorbeeld precies dezelfde onregelmatige ritmen, omdat de Turken eeuwenlang Roemenië beheersten.'

0 N ZO, door zich Oostwaarts te richten, herontdekte Burton Greene beetje bij beetje zijn joodse en Oost-Europese afkomst. Begin jaren negentig begon hij de groep Klezmokum, eerst met de traditionele klarinettist Marcel Salomon, vervolgens met Michael Moore (die te horen is op Klezmokums fraaie debuut-cd), en nu met twee klarinettisten: klezmer-expert Hans Mekel en de New-Yorkse improvisator Perry Robinson, een oud maatje uit de jaren zestig.

Samen met tubaïst Larry Fishkind, drummer Robert Haliffi en zangeres/trompettiste Patricia Beysens vormen zij de huidige bezetting van Klezmokum, die in 1994 de cd Jew-azzic Park opnam.

'Je kunt het al haast geen klezmer meer noemen', zegt Greene. 'Meer en meer voegen we ook andere genres toe. Niet alleen joodse tradities, maar semitische muziek in het algemeen, met inbegrip van Armeense en Arabische vormen. En hetzelfde geldt voor Turkse en Balkan-invloeden, met die onregelmatige maatsoorten waar we van houden.'

Hoe je hun muziek ook noemen moet, Klezmokum klinkt organisch en authentiek - en helemaal in Greenes straatje. Hij volgde zijn eigen geschiedenis, en dankzij John Zorns agressieve pleidooi voor 'Jewish music' in New York bevindt hij zich plotseling in de voorhoede van een trend die in de Verenigde Staten te verkopen valt. Vorig jaar bracht hij er vijf maanden door.

Einde.

O nee, nog één ding: een paar jaar geleden was Amiri Baraka voor een poëziefestival in Amsterdam. Greene bezoekt zijn optreden. Na afloop ziet hij Baraka een beetje verloren in het publiek staan. Hij heeft met hem te doen en denkt: vooruit, laat ik een good guy zijn, en gaat naar hem toe. Het draait erop uit dat Burton Amiri Baraka en diens vrouw de grachten laat zien en gezellig een paar rondjes voor ze betaalt.

Nadat ze een uurtje of wat hebben gepraat, vraagt Burton eindelijk: waarom heb jij destijds dat gemene stuk over me geschreven?

O, antwoordt Baraka, dat was alleen maar black nationalism. Neem het niet persoonlijk op.

Klezmokum speelt in het Bimhuis, Amsterdam (28 februari); de Burcht, Leiden (5 maart); Cultureel Café Anders, Amsterdam (12 maart); De Doelen, Rotterdam (14 maart, kwartet); café d'Alderliefste, Bergen-NH (15 maart); Proust, Amsterdam (29 maart); De Lindenberg, Nijmegen (19 april).

Cd's:

Klezmokum: Klezmokum. BVHaast 9209.

Klezmokum: Jew-azzic Park. BVHaast 9506.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden