Sonny Rollins in 2005.

InterviewSonny Rollins

Jazzlegende Sonny Rollins over zijn ‘Nederlandse’ opnamen. ‘Dit moet gehoord worden’

Sonny Rollins in 2005. Beeld John Abbott

Saxofoon spelen kan Sonny Rollins al een tijd niet meer. Toch is er een opwindende nieuwe plaat, waarop hij speelt met Han Bennink en Ruud Jacobs. De Volkskrant sprak Rollins de dag voor zijn 90ste verjaardag. 

Bellen met Sonny Rollins is bellen met de grootste nog levende jazzlegende. Een man die zo ongeveer de hele jazzgeschiedenis heeft meegemaakt, en die met zijn tenorsaxofoon ook mede heeft vormgegeven. Vorige week werd hij 90. V sprak hem daags voor zijn verjaardag. 

De aanleiding is een subliem nieuw album dat over een paar maanden verschijnt. Rollins In Holland is een dubbel-cd met opnamen die in mei 1967 in Nederland werden gemaakt, de uitgave is mede tot stand gekomen door het Nederlands Jazz Archief. De Amerikaan Rollins speelt in trio-bezetting met Han Bennink op drums en de vorig jaar overleden Ruud Jacobs op contrabas. Van Rollins bestaan veel live-platen, maar zo vurig, energiek en opzwepend als op deze release speelde hij zelden. Dat vindt de tenorsaxofonist in ruste zelf ook.

Spelen kan hij niet meer, sinds bij hem in 2014 de zeldzame ziekte longfibrose werd vastgesteld, een chronische aandoening die het blazen onmogelijk maakt.  Langzaam ebt de muziek uit zijn leven weg, zegt hij. ‘Zo af en toe komen ze langs met opnamen die weer ergens zijn gevonden. En vragen ze of ik wil dat die uitgebracht worden. Meestal zie ik er het nut niet van in. Er is al zoveel muziek van Sonny Rollins. En het kost me ook steeds meer moeite naar mezelf te luisteren. Dan stoor ik me aan bepaalde solo’s of noten en weet dat ik het niet meer kan verbeteren.’

Maar deze keer veerde Rollins op toen hij de opnamen, gemaakt in Arnhem en in de Vara Studio in Hilversum, hoorde. ‘Ik herinner me dat ik met Han en Ruud een geweldig weekje in Holland had, maar niet dat we zo fantastisch speelden. Jullie hebben echt goed werk verricht door al deze opnamen terug te vinden. Dit moet gehoord worden.’

Het is dit enthousiasme dat Rollins ertoe bracht vanuit zijn woning in Woodstock, New York akkoord te gaan met dit interview. ‘Zo af en toe belt er een journalist die ik nog ken van vroeger, om te vragen hoe het met me gaat. Dat vind ik prima hoor, maar ik heb niet zo veel meer te vertellen. Ik zit hier met mijn herinneringen en kan helaas niet meer afmaken waar ik zo’n zeventig jaar geleden mee begonnen ben. Dat is het enige dat me dwars zit. Verder geen klachten.’

Hoe is het met uw gezondheid?

‘Ik voel me uitstekend. Die pandemie heeft me niet wezenlijk geraakt. Mijn leven nu bevindt zich toch al in een soort lockdown. Ik ga nauwelijks de deur uit en vul mijn dagen met yoga en het bestuderen van Boeddha. Ik lees heel veel over boeddhisme en bereid me voor op wat er hierna gebeurt. Ik verlang niet naar de dood, daarvoor voel ik me veel te goed, maar ik zie er ook niet tegenop.

‘Het enige waar ik echt van baal, is dat ik niet meer op mijn sax kan blazen. Ik heb hem nog lang vastgehouden en met mijn vingers gespeeld, gewoon om het gevoel niet kwijt te raken. Maar daar zag ik uiteindelijk het nut niet van in. Ik moest accepteren dat het klaar was. Jammer, want ik denk niet dat ik volbracht heb waar ik toe voorbestemd was.’

U gelooft in reïncarnatie, misschien kunt u in een volgend leven afmaken waar u mee begonnen bent.

‘Het is maar de vraag of ik van het ene leven als Sonny Rollins naar het andere leven als Sonny Rollins mag. Maar ik zou graag doorspelen, want ik blijf denken dat het beste nog moest komen.’

Bent u niet tevreden met het machtige oeuvre dat u achterlaat en de wetenschap dat uw muziek de levens van vele jazzliefhebbers verrijkt heeft? Meer kon u toch niet doen?

‘Dankzij het boeddhisme heb ik geleerd dankbaar te zijn voor wat ik heb bereikt. Maar als ik terugkijk op mijn muziekleven dan vind ik dat ik best veel tijd heb verspild, vooral in studio’s. Op het podium had ik het meestal naar mijn zin, alleen platen maken ging me steeds meer tegenstaan. Maar het hoorde erbij, ik wist niet beter.’

Wat stond u tegen aan platen opnemen?

‘De druk die er op me werd gelegd. In het begin, en dan heb ik het over de jaren vijftig, wist ik niet beter. We woonden met z’n allen in New York. Miles, Monk, Max Roach, Bud Powell en Charlie Parker. We kwamen bij elkaar over de vloer en gingen samen de studio in. En ’s avonds gingen we spelen in de clubs. Dat al deze mensen nu nog altijd als de grote jazz-iconen worden beschouwd wist ik toen natuurlijk niet. Ik voelde me prettig in hun gezelschap en de enorme talenten van Miles Davis en Bird (Charlie Parker) inspireerden me ook. Ik ben door Bird echt anders gaan blazen. Vooral harder.  Miles leerde me te blijven zoeken naar de juiste begeleiders. En Thelonious Monk was misschien wel mijn grootste voorbeeld. In ieder geval als mens, echt een eigenheimer zoals je zelden tegenkomt. Jammer dat we zo weinig gespeeld hebben, we hadden altijd de grootste lol samen.

Monk was pianist. U speelde toch het liefst in triobezetting met alleen een drummer en een bassist?

‘Ja, zo maakte ik mijn beste platen en voelde ik me op het podium het fijnst. Dat kun je ook weer op die nieuwe plaat uit Holland horen. Dat ik meestal met meer dan drie man op het podium stond, deed ik omdat ik dan meer tijd had om uit te rusten en, als ik niet in vorm was, anderen de aandacht van mij konden afleiden.

‘In de studio heb ik me eigenlijk alleen in de jaren vijftig echt op mijn gemak gevoeld. Daarna kregen de platenmaatschappijen te veel invloed. Ik voelde me minder vrij. Ik ging ook nooit meer echt met plezier meer de studio in. Platen maken deed ik vooral omdat het moest om optredens te krijgen, zo wisten de mensen dat Sonny Rollins nog leefde en muziek maakte.’

‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik nooit met Louis Armstrong en Fats Waller heb gespeeld. Zij waren het die me aan de jazzmuziek brachten.’Beeld John Abbott

Als u terugkijkt op uw carrière, bent u het dan eens met de gangbare opvatting dat u uw beste werk opnam tussen 1955 en 1960, waarna u vooral als podiumartiest door bleef groeien?

‘Als ik dat na mijn dood in de necrologieën mag lezen, vind ik dat best. Platen als Way Out WestSaxophone Colossus en Newk’s Time uit die jaren hebben me veel gebracht. Ik ben daarna wél beter gaan spelen, hoor. Goed improviseren kost jaren om te leren. Maar voor mij werden de concertzalen belangrijker dan de studio. Toen Lucille (zijn vrouw, die in 2004 overleed, red.) en ik in de jaren zeventig besloten om alleen nog maar in grote concertzalen op te treden, was dat echt een verademing. Ik was beroemd genoeg om die te vullen, kon leven van de concerten en had de plaatverkoop eigenlijk niet meer nodig.’

De eerste keer dat ik u hoorde spelen was in 1981 op Tattoo You, een plaat van de Rolling Stones, in het liedje Waiting On A Friend. Waarom deed u daarop mee?

Rollins buldert van het lachen. ‘Haha, dat heb ik me ook lang afgevraagd. Mijn vrouw wilde dat ik het deed toen Mick Jagger om me gevraagd had. Het zou goed zijn voor mijn naamsbekendheid maar het leek me niks. Ik was helemaal geen fan van de Rolling Stones. Nu ben ik wat milder maar ik vond dat ze de blues van zwarte muzikanten hadden gestolen. The Beatles vond ik leuker, die hadden goede tunes. Nee, riep ik dus tegen mijn vrouw. Ik ben Sonny Rollins en ga niet meespelen met de Rolling Stones. Lazer op.

‘Ze wist me dus toch over te halen, maar echt leuk vond ik het niet. Ik weet nog dat de taxichauffeur de studio niet goed kon vinden en we te laat waren. Alleen Mick Jagger was daar, en die was strontchagrijnig. Hij was een grote ster en die had ik laten wachten. Ik speelde wat er gevraagd werd, maar had niet het idee dat hij er iets van begreep. Ik denk overigens dat het best mooi was. Laatst hoorde ik het op de radio voorbijkomen en dacht: verrek, dat ben ik.’

Volgt u nog wat er in de muziek gebeurt?

‘Nauwelijks. Ik vind Kamasi Washington goed. Die haalt een mooi bezield geluid uit zijn tenor. Maar hij lijkt alleen te staan. Het ontbreekt aan een echt grote nieuwe scene die jazz weer zo belangrijk kan maken als het was toen ik opgroeide. Maar het is natuurlijk ook niet eerlijk om deze tijd te vergelijken met de jaren van John Coltrane, Miles Davis, Ella Fitzgerald en Charlie Parker.’

Behalve aan veel moois en inspiratie heeft Parker u ook aan de heroïne geholpen.

‘En er ook weer vanaf gebracht. Het is waar dat ik zoals zovelen dacht dat Bird misschien wel zo fantastisch kon spelen door de dope die hij gebruikte. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig was heroïnegebruik hip, zoals dat nu zou heten. De soldaten hadden het meegenomen uit de oorlog met Japan.

‘Het was natuurlijk levensgevaarlijk spul, en ik weet nog dat tijdens de plaatopnamen van Miles, Bird en mij (januari 1953, later uitgebracht op het Miles Davis album Collectors’ Items), Bird me vaderlijk maar hard toesprak dat ik gek was als ik hiermee door zou gaan. Mijn muziek zou er onder te lijden krijgen. Zijn woorden hielpen beter dan de afkickcentra die ik had bezocht.’

Stel dat u een volgend leven weer als Sonny Rollins mag leiden, met wie zou u het liefst muziek gaan maken?

‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik nooit met Louis Armstrong en Fats Waller heb gespeeld. Zij waren het die me in de jaren dertig, toen ik een jaar of 9 was, aan de jazzmuziek brachten.

‘Maar mijn grote wens is toch een weerzien met Billie Holiday. Meneer, u moest eens weten hoe verliefd ik op haar was. Begin jaren vijftig stond ik met Miles Davis’ band samen met haar een week lang op het affiche van hetzelfde podium in ik geloof New Jersey. Ik hield zo van haar stem en van haar persoonlijkheid. Maar ik durfde haar nauwelijks aan te spreken.

‘Pas toen ze ernstig ziek was, vlak voor haar dood in 1959, leerden we elkaar een beetje kennen. Ik weet nog dat ik haar in een slechte toestand in een taxi naar huis bracht. Ze kon nauwelijks lopen en ik hielp haar naar boven. Daar gaf ze me een exemplaar van haar boek Lady Sings The Blues. Ze schreef er iets liefs in dat ik voor mezelf hou. Dat boek heb ik altijd bewaard en neem ik graag mee naar wat nog komt.’

Sonny Rollins: Rollins In Holland. Nederlands Jazz Archief/Resonance Records. (Verschijnt 27/11 gelimiteerd als 3-dubbel-lp en 4/12 als dubbel-cd).

De brug

Tussen 1959 en 1961 trok Sonny Rollins zich terug uit de muziek. Niet tevreden over zijn saxgeluid repeteerde hij dagelijks urenlang, buiten het zicht en vooral het gehoor van iedereen, op de Williamsburg Bridge in New York. Een actie-comité spant zich al jaren in om de brug naar de saxofonist te vernoemen. Rollins: ‘Er wordt te veel geromantiseerd. Ik wilde gewoon een tijd lang al mijn energie aan studeren geven en dat zou thuis te veel overlast veroorzaken. Maar het is een sympathiek gebaar. Al zal ik de Sonny Rollins Bridge niet snel betreden, want ik kom nooit meer in New York.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden