'Jazz inspireert mij het meest'

Veel kunstenaars worden geïnspireerd door andere kunstenaars. Vandaag schrijver P.F. Thomése over: niemand in het bijzonder...

Nee. P.F. Thomése heeft geen inspirator. Niet dat hij ongevoelig is voor kunstuitingen of afgeschermd van welke invloed dan ook een roman denkt te kunnen schrijven. Integendeel. Maar om uit die overdaad aan kunstvormen en kunstenaars één te verkiezen, lukt hem niet, wil hij ook niet. En daar kan hij eindeloos over praten. Dus toch een interview. ‘Ik laat mij niet vastleggen op één persoon. Daarvoor is inspiratie een te ongrijpbaar en complex gegeven, dat niets te maken heeft met de persoon van de kunstenaar.’

In eerste instantie, gevraagd naar zijn inspirator, volgt een vulkaanuitbarsting van uiteenlopende kunstenaars: de klassieke componisten Bach, Stravinsky en Wagner, filmregisseur Pasolini, jazzmusici Charlie Parker en Duke Ellington, schilder Francis Bacon, de schrijvers Proust, Nabokov en Skvorecký. En jazzpianist/componist Thelonious Monk, schilder/schrijver Theo van Doesburg (‘Ik vind de scherven van de kosmos in mijn thee’).

Na een denkpauze van een paar dagen komt hij opnieuw tot de slotsom geen inspirator te kunnen noemen. In een gesproken essay vol droge humor doet hij uit de doeken waarom niet, en daarbij vallen nog meer namen van kunstenaars wiens werk hem – toch wel ja – inspireren. Maar iemand uitverkiezen tot Grote Held, dat vindt Thomése een ‘genante aangelegenheid’. ‘Ik wil mij niet afhankelijk maken van een losse profeet in het heelal.’

‘Zo ben ik als puber nooit ingewijd in de religie van het adoreren van een popster, over wie je alles wilt weten en wiens gitaarsolo’s je op je zolderkamer probeert te evenaren. Heel kort wilde ik Rimbaud zijn of Jack Kerouac. Maar vooral in theorie. Zo avontuurlijk en heldhaftig is het leven van een schrijver in de praktijk niet. De meesten slijten hun dagen thuis, achter een bureau.’

Sympathie heeft hij voor beeldend kunstenaar Marcel Duchamp. ‘Een intelligente man die nooit vóór zijn kunstwerken is gaan staan. Net als de uitvinder van de paperclip. Hij wilde onzichtbaar blijven, zijn werken, die een soort uitvindinkjes zijn, moesten los gezien worden van zijn persoon. Kunst moet je niet terugbrengen tot de persoon van de maker. Nee, het hoort een unieke beleving te worden van degene die het leest, er naar kijkt, het hoort.

‘Je bezighouden met de maker kan de beleving van diens werk in de weg staan. Dat heb ik lange tijd gehad met Richard Wagner. Hij had zó’n onsympathieke boeventronie, ik had geen zin om me daar aan over te leveren. Die uitstraling van banaliteit en grofheid heeft lange tijd verhinderd dat ik mij door zijn unendliche Melodie liet bedwelmen, wat toch het doel is van zijn tovermuziek: om het publiek verdoofd mee te voeren. Net zo goed als je de scheten latende lolbroek Mozart uit de film Amadeus maar beter los kunt zien van de overrompelende muziek die er onder die naam is gecomponeerd.

‘Zelf heb ik onderschat hoe groot de aandrang van de buitenwereld is om zich te vereenzelvigen met de maker. Het sterkst heb ik dat ervaren met Schaduwkind. Zonder het verlies van mijn dochtertje had ik dit boek niet kunnen schrijven, maar toch heeft de tekst zich losgemaakt van mijzelf. In een roman transcendeert een schrijver zijn eigen ervaringen en gedachten tot iets nieuws. Schaduwkind gaat dan ook niet over míjn persoonlijke verlies, maar alle interviews naar aanleiding van dit boek gingen daar wél over. De particuliere beleving trekt ons tegenwoordig kennelijk erg aan. Gelukkig ben ik inmiddels zeven jaar verder en raakt Schaduwkind steeds meer losgezongen van die meneer met dat gegroefde gelaat. Zo wordt het een boek dat op zichzelf staat, zoals het hoort.’

Maar welke invloed heeft die veelkleurige brij van inspiratoren op het schrijverschap van P.F. Thomése?

‘Je wordt soms aangeraakt door een klank, een schilderij, een gedicht. Op een zeker moment. Een volgende dag of een jaar later kan het weer iets geheel anders zijn dat je raakt.

‘Als ik met het pistool op de borst moet kiezen, kom ik uit bij muziek. Schrijvers zijn jaloers op componisten en musici; zij bewandelen de directe weg tot het hart. Muziek heeft een directe verbinding met het zenuwstelsel. Een schrijver is beperkt tot de ratio en zoekt allerlei kronkelweggetjes en ingewikkelde sluip-door-kruip-doorroutes om tot het hart van de lezer door te dringen. Een schrijver reflecteert op de werkelijkheid, een musicus en zijn luisteraars zitten er middenin.

‘Maar een muziekgenre of een musicus kiezen, zal mij niet lukken. Ik heb een ruim muzikaal hart. Waarom zou ik iets uitsluiten? Je hebt muziek en herrie. De mogelijkheden van muziek zijn zo groot, daar blijf ik mij over verbazen.

‘Toen ik mijn dochter verloor kon ik aanvankelijk niet naar muziek luisteren. De eerste muziek die ik weer opzette, was van pianist Paul Bley. Alleen heldere, anti-sentimentele muziek kon ik verdragen. Paul Bley maakt schitterende jazz die raakt aan klassieke muziek.

‘Momenteel draai ik vaak Thelonious Monk. Ik heb zijn complete werken gekocht, uitgevoerd door Duitse jazzmusici onder leiding van Alexander von Schlippenbach. Monks kubistische losse-schroevenmuziek blijft betoveren, wie het ook uitvoert. Net zoals de Goldberg Variaties van Bach zijn wonderen blijven prijsgeven, of ze nu worden uitgevoerd op piano door Glenn Gould of op de clavecimbel door Andreas Staier, naar wiens ruige vertolking ik nu luister. Naar deze componisten kan ik wel tweehonderd keer luisteren. Een roman of zelfs een gedicht zal ik nooit zo vaak ter hand nemen.

‘Literatuur wordt gedomineerd door middelmatigheid. Daar is gewoon heel veel van. Voordat ik achter mijn bureau ga zitten om te schrijven, lees ik wel eens een paar bladzijden in Proust of Nabokov. Om die stilistische geconcentreerdheid op de bladzijde te ervaren. Om te memoriseren waar literatuur ook alweer over gaat. Maar muziek helpt mij meer. Om op gang te komen draai ik instrumentale muziek. Woorden leiden te veel af. Als ik power nodig heb, zal ik de opzwepende cd’s van Charles Mingus draaien. En als me dat te druk is, kies ik voor de ‘nadenkende’ akkoorden van sopraansaxofonist Steve Lacy. Ja, arbeidsvitaminen. Zoals een bouwvakker die de radio aanzet zodra hij aan het werk gaat.

‘Jazz inspireert mij het meest bij het schrijven. Duke Ellington. Charlie Parker. Het gejaagde, het onaffe spreken mij aan. Hoe virtuoos Parker ook is, je hoort dat zijn composities niet af zijn. Dat is het aantrekkelijke van geïmproviseerde muziek: het ontstaat op het moment dat het wordt gespeeld. Schrijven begint ook met invallen die je probeert op te vangen. Ik probeer niet te lang in één cadans te blijven, bij schrijven is die neiging heel groot. Alsof er maar één zangpartij is.

‘Ik streef ernaar het ordeningsprincipe van een jazzimprovisatie toe te passen, door versnellingen en vertragingen aan te brengen en tegen de ene melodielijn een contrapunt aan te brengen, zodat een alinea in tegenspraak met zichzelf raakt, er een dubbelzinnigheid ontstaat. In mijn roman Vladiwostok! is dat het duidelijkst herkenbaar. Personages doen daarin iets anders dan zij zeggen. Of denken. Als ik schrijf, probeer ik als een trio of een quintet te klinken. Het is moeilijk uit te leggen hoe dat werkt. Het heeft te maken met een bepaalde dynamiek. Het onaffe. Het terloopse van Duke Ellington, met die grote notenhouten vingers van ’m op de toetsen. Ik schrijf omdat het onvoorspelbare mij boeit. Wat op schrift verschijnt is vaak anders dan je had gedacht. Je kunt zeggen: in mij wordt gedacht en ik heb er geen enkele greep op. Je geest is onnavolgbaar.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden