Janacek deelt postuum de dreun uit die hij bedoelde

Uit een dodenhuis, de opera die Leos Janacek ontleende aan Dostojevski’s semi-autobiografische verslag van het leven in een strafkamp, is een monstrum zonder kop of staart, net als het leven zelf....

Roland de Beer

Het libretto dat Janacek rond 1928 in het Tsjechisch op papier kwakte, maakt geen essentieel onderscheid tussen hoofd- en bijrollen en is vaak bestempeld als naïef; de partituur als weerbarstig. Maar beter is het te spreken van visionair muziekdrama.

Zoveel mag wel geconcludeerd worden na de lumineuze voorstelling waarmee het Mahler Chamber Orchestra, het Schönberg Chor, acteurs en twintig vocale solisten dinsdag het Holland Festival openden onder leiding van Pierre Boulez en Patrice Chéreau. Kon hun première in de Wiener Festwochen, twee weken geleden, bij vlagen nog een indruk wekken van gedetailleerde overdaad, één opvoeringsetappe verder bleken alle snippers en flarden van het Dodenhuis hun plaats te kennen, en deelde Janacek postuum de mokerslag uit die hij ooit voor ogen moet hebben gehad.

Boulez rekende af met ieder misverstand dat muzikale verveloosheid hetzelfde zou zijn als kleurloosheid. De vertolking waarmee de 82-jarige klankchirurg afscheid neemt van het operagenre, laat geen detail van Janaceks schrijnende orkestraties onbelicht, en biedt alle zangstemmen de ruimte. Bajesklanten en operagangers transporteert hij naar een Siberië waar iedereen uiteindelijk maar aan een ding gehoorzaamt: de merkwaardige magie van Janaceks ritme. Waar Boulez de energie vandaan haalt is een raadsel.

Met Chéreaus enscenering, gezet tussen troosteloze wandkolossen van Richard Peduzzi, is het van hetzelfde laken een pak. Geen piep van de piccolo of dreun op het bekken, of het wordt vertaald naar een beweging en een tegenbeweging op de groezelige bühne, waar 69 arme drommels (en één drommelin) allemaal hun eigen kwaal of eigen geschiedenis hebben.

In de grapjassenpantomime waarmee klootzakken en onschuldigen elkaar met vaal-erotische acts vermaken, (akte II), door Chéreau meesterlijk gezet in een sfeer van bruinwerkers en voyeurs, is de schaamluis haast voelbaar. Aangrijpend was de zang van de vrouwenmoordenaar, en zelfs aan de vrijlating zat een luchtje: de enige die de poort uit mocht, bariton Olaf Bär, had dat zo helder als wat aan zijn geld te danken.

Kortom, een feest. Men was ontdaan en gelukkig, tranen werden weggepinkt, er werd lang geklapt, en Boulez werd toegejuicht of niemand hem ooit terug zal zien. Maar hij dirigeert hier nog twee dodenhuizen en een concert in het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden