Jan van Mersbergen over waarom thrillerschrijvers níét de puzzelstukjes moeten aanreiken

Jan van Mersbergen is schrijver van romans (als Jan van Mersbergen) en van thrillers (als Frederik Baas). Waarin verschillen die genres nou, als ze al van elkaar verschillen? 

Foto Floor Rieder

Bij de presentatie van mijn tweede, onder pseudoniem geschreven thriller Herberekening hield Peter Buwalda een toespraak: ‘Of een schrijver nou romans schrijft of thrillers, hij heeft maar één opdracht: de lezer naar de volgende pagina lullen.’

Toen de redactie Boeken mij vroeg een stuk te schrijven over het verschil tussen het schrijven van een roman en een thriller, ging ik met die woorden van Buwalda in mijn achterhoofd voor mijn boekenkast staan, waar romans en thrillers broederlijk op alfabet staan. Met welke middelen kletst de romanschrijver de lezer naar de volgende pagina, en hoe verschillen die van de thrillerauteur, die vooral op spanning inzet? Of is er juist overlap en zijn de genres inwisselbaar?

Jan van Mersbergen. Foto Hollandse Hoogte

Wat voor boek zou bijvoorbeeld Boven is het stil van Gerbrand Bakker (2008) zijn als thriller?

Dan komt in de proloog een vader in beeld, op een duistere zolder. Hij wordt wakker. Hij weet niet hoe hij daar gekomen is. Hij roept om hulp maar niemand hoort hem. Zijn gedachten gaan terug naar zijn zoon, en naar een gebeurtenis maanden geleden. Einde van de proloog. Wat volgt is hoofdstuk 1: een jonge knecht komt bij de boerderij aan, de zoon valt als een blok voor deze knappe jongen...

In eerste instantie zal de thrillerschrijver aansturen op de knecht, de indringer, als degene door wie de vader op zolder is beland. Uiteindelijk volgen een paar wendingen en blijkt de zoon het zelf gedaan te hebben. Aan het einde van de thriller zegt de zoon: ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’

De mooie heldere beginzin van Gerbrand Bakkers debuutroman wordt dan een slotbekentenis.

Maar Boven is het stil is een roman en de complete roman ligt in die beginzin besloten. De lezer weet direct wat er in dit boek onderzocht gaat worden: waarom zorgt die zoon niet voor zijn vader, zoals dat hoort? Wat zijn de achtergronden en nuances? Geen zoektocht naar wie het heeft gedaan, maar een onderzoek naar de verhoudingen tussen personages.

Die vader op zolder, dat lijkt op de opening van veel Nederlandse thrillers die ik reken tot de wakker-worden-thrillers: spannende boeken die beginnen met een proloog waarin een personage, vaak een vrouw, wakker wordt in een donkere vochtige ruimte, meestal een donkere kelder. Ze heeft pijn, een droge keel, om haar polsen zit een touw. Hoe is ze hier verzeild geraakt? Ze weet het niet, maar de thriller zal – en dat is een belofte – onthullen hoe het zit.

Dan schakelen we terug in de tijd, en naar een andere plaats: een Vinexwijk. Deze vrouw leek haar leventje goed voor elkaar te hebben: een knappe man, twee leuke kinderen, een mooi huis, vriendinnen bij de tennisclub. Tot in de buurt een eigenaardige man opduikt...

Op de eerste bladzijde van Oorsprong zet thrillerfenomeen Dan Brown aartsbisschop Antonio Valdespino neer.

‘Toen de trein de top had bereikt, zag Kirsch een eenzame gestalte op het perron staan. De verweerde, broodmagere man droeg traditionele katholieke kledij: een paarse soutane en een wit koorhemd, en een zucchetta op zijn hoofd. Kirsch herkende het magere gezicht van zijn gastheer van de foto’s en werd verrast door de adrenaline die opeens door zijn aderen stroomde.’

Een man die daar alleen staat is een eenzame gestalte. Natuurlijk heeft hij een verweerd en broodmager gezicht, draagt hij traditionele kledij en een typisch hoedje dat met de lokale termen wordt geduid. De man, van wie we inmiddels weten dat hij verweerd en broodmager is, heeft ook nog een mager gezicht, voor de duidelijkheid. Kirsch voelt zijn bloed veranderen in adrenaline.

Vet aangedikte spanning in clichés, die zeer weinig ruimte laten voor eigen verbeelding bij de lezer.

W.F. Hermans opent Nooit meer slapen met de kernachtige beginzin ‘De portier is een invalide’, gevolgd door een beschrijving van een eikenhouten bureautje met telefoon en de goedkope zonnebril waardoor de portier roerloos voor zich uitstaart, en de zin: ‘Zijn linker oorschelp moet afgescheurd zijn bij de ontploffing die hem verminkt heeft, of misschien verbrand toen hij neerstortte met een vliegtuig.’

De verteller van Hermans twijfelt over de toedracht van de verminking. Hij weet het simpelweg niet. Hij ziet een invalide, en gist. Deze verteller heeft, net als de portier, een beperking.

Thrillervertellers zijn doorgaans stellig, want de afspraak met de lezer is: leun maar achterover, ik ga jou vertellen hoe het zit. Alle mogelijke details die Brown over de aartsbisschop noemt kloppen.

De thrillerverteller reikt netjes passende puzzelstukjes aan, de vorm en de kleur van de stukjes zijn bekend. De lezer mag ze naar de juiste plek schuiven.

Afgelopen maand las ik Mijn allerliefste schat van Gabriel Tallent, een indrukwekkende roman over een totaal verknipte relatie. Op bladzijde 207 zegt de vader, die bang is dat het misbruik van zijn dochter uitkomt, tegen haar: ‘We zitten samen in dit schuitje, kleine slettenbak.’

Foto Floor Rieder

Waarom doet de opgefokte adrenalinespanning van Dan Brown me niets, en de onderhuidse spanning van Tallent wel?

Is die romanspanning waar ik van hou in een thriller te pakken? Zonder moord, achtervolging, bloed? Zonder een enge man achter een boom in een donker bos met een ronkende kettingzaag in zijn handen?

Spanning overbrengen met literaire middelen. Maar wat zijn die literaire middelen?

Daar kan ik kort over zijn: voor mij is literatuur beeldende kunst. Met woorden beelden oproepen die indirect bij de lezer gevoel loswoelen.

In haar pas verschenen, eerste roman Stromboli werpt Saskia Noort, bekend van haar thrillers, mooie beelden op. Zoals bijvoorbeeld in een seksscène: ‘Dan begint het beuken. Ik denk aan eenden.’

Noort laat ruimte en schept verwarring, met die eenden, en dat geeft spanning aan deze eenvoudige zinnetjes.

De zorg van de vader voor zijn zoon in Cormac McCarthy’s The Road is intens en doet me meer huiveren dan de complotten en puzzels van Dan Brown, vooral als de zoon het pistool dat ze koesteren is kwijtgeraakt en de vader zegt: ‘Het geeft niet.’

Alle lezers voelen: dit is verschrikkelijk. Maar deze man probeert zijn zoontje te ontzien. Dat is spanning, in een zorgverhouding.

Dat zoekt ook Gerbrand Bakker met de zoon die zijn vader naar boven doet: zorg die mis gaat. Dat laat W.F. Hermans zien als de verteller de portier beschrijft: verbeelding over een verminking.

De beste thriller die ik dit jaar las is De vrouw in het raam, van A.J. Finn. De verteller is een onbetrouwbare, want haast hallucinerende, verwarde vrouw die amper voor zichzelf kan zorgen. Ze ziet een moord. Je vraagt je meteen af: Heeft ze dat wel echt gezien? Ze drinkt erg veel wijn, slikt pillen, heeft angsten... een bijzondere verteller, die groter is dan de moord die ze denkt te zien.

Deze thriller is een verademing, tussen de gewelddadige boeken die met stellige overtuiging actie en spanning uitgieten over de lezer.

Vergelijk Ik ben Pelgrim van Terry Hayes met De gele vogels van Kevin C. Powers.

De eerste is een forse thriller die de halve wereld bestrijkt, over enorme complotten, chemische wapens en de harde realiteit van een oorlog, over het verschil tussen de westerse wereld en het Midden-Oosten. Knap gedaan, maar met de hoofdpersoon meeleven deed ik niet.

Powers is een Irak-veteraan. In zijn boek legt de moeder van een soldaat de hoofdpersoon een vraag voor: ‘Wil je op mijn zoon letten?’

‘Ja,’ is het antwoord, ‘ik zal op hem letten.’

Dat is alles. Zorg voor hem, alsjeblieft.

Iedereen, ook de lezer, weet dat die belofte niet waar te maken is, en als het met die andere soldaat verkeerd gaat zit de hoofdpersoon niet gevangen in internationaal terrorisme maar in de belofte aan een moeder en in schuldgevoel.

De Irak-oorlog teruggebracht tot een zorgkwestie: dan komt de oorlog wel binnen.

Jan van Mersbergen en Frederik Baas

Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971) debuteerde in 2001 met de roman De grasbijter. Hij schreef daarna onder meer De Ruiter, Naar de overkant van de nacht en Morgen zijn we in Pamplona, die verschenen bij uitgeverij Cossee.

Als Frederik Baas publiceerde hij vorig jaar bij Ambo Anthos zijn eerste thriller Dagboek uit de rivier – op de achterflap stond meteen al dat Baas het pseudoniem van Van Mersbergen was. In april verscheen Baas’ tweede thriller, Herberekening.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.