RecensieJan van Eyck

Jan van Eyck wist door hemzelf uitgevonden realisme tot het maximaal haalbare te perfectioneren ★★★★★

Jan (ca. 1390 - Brugge, 1441) en Hubert van Eyck (Maaseik, ca. 1366/1370- Gent, 1426), Aanbidding van het Lam Gods (1432). Buitenluiken van het gesloten altaarstuk. Beeld Sint-Baafskathedraal, Gent / Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

Het hoogtepunt van de Jan van Eyck-expositie in Gent zijn de gerestaureerde buitenluiken van Het Lam Gods.

Adam zet een stap. Een stapje, eigenlijk: in het hart van Jan van Eyck: een optische revolutie, de mooie, wat zeg ik, prachtige, haast onovertrefbare Jan van Eyck-expositie in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, verplaatst de eerste mens zijn rechterbeen voorwaarts, de tenen gekruld, de zool zichtbaar. Het is een kleine stap voor Adam, maar een grote stap als het gaat om actie in een Van Eyck-schilderij. Dat gebrek aan misbaar is wat Van Eyck Van Eyck maakt. Dat, zo toont de tentoonstelling, én zijn gedetailleerde weergave van de uiterlijke wereld, haar veelvormigheid, de rijkdom aan optische effecten.

Het is de grootste Jan van Eyck-presentatie tot op heden; groots ook qua publicitaire tamtam. Er hangen maar liefst tien werken van de meester zelf (op een totaal van vijftien), waarbij ik de acht luiken van Het Lam Gods voor het gemak tel als één werk, plus vele van tijdgenoten uit de Zuidelijke Nederlanden en Italië: Fra Angelico, Masaccio en de obscure, maar niet te versmaden Pisanello. De fraai vormgegeven expositie (veel chic rood en stemmig blauw) neemt haar onderwerp ruim. Ze toont ook de Bourgondische hofcultuur waarin Van Eyck gedijde, hier belichaamd door manuscripten, tapijten, kandelaars et cetera, en gaat vergezeld van een catalogus met geleerde essays en buitengewoon hoogwaardige reproducties, waaronder veel close-ups van de schilderijen. Licht is het ding niet, Kaïn had Abel ermee dood kunnen slaan.

Er zijn omissies, zoals te verwachten bij een Van Eyck-expositie. Het diptiek uit The Met in New York, op de dunste plekken slechts een millimeter dik, dat de conservatoren al migraine bezorgt wanneer het van zaal wisselt, kwam niet naar Gent. Het Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw en het Portret van een man met rode tulband, twee publiekslievelingen uit de National Gallery in Londen, evenmin. Wie daarvoor een bruikleenaanvraag doet, stelde prof. dr. Maximiliaan Martens, een van de gastconservatoren, tijdens de preview, heeft iets niet helemaal begrepen. Je vraagt het Louvre ook niet of ze de Mona Lisa even opsturen.

Het hart van de expositie betreft de acht buitenluiken van Het Lam Gods uit de Gentse Sint-Baafskathedraal, eerder al gerestaureerd en nu voor het eerst (en daarna nimmer meer) in een tentoonstelling bijeen. Het achttal (de engel Gabriël, een stadsgezicht, een nis met waskom, Maria, Joos Vijd (de opdrachtgever), een marmeren beeld van Johannes de Doper, een marmeren beeld van Johannes de Evangelist, Elisabeth Borluut (Vijds echtgenote)) levert tevens de zaalthema’s: ‘Moeder en kind’, ‘Woord van God’, ‘Individuen’ et cetera. De thematische opzet werkt goed: hij noopt tot vergelijken. Gerard David schildert een gekroonde Madonna in een kerk, Jan van Eyck schildert een gekroonde Madonna in een kerk. Hmm, ja, die van Van Eyck is toch beter.

Over mogelijkerwijs Vlaanderens beste schilder ooit is frustrerend weinig bekend. Van Eycks geboorteplaats, bijvoorbeeld, blijft een vraagteken. En over waar hij werd opgeleid tasten we eveneens in het duister. Waarschijnlijk was hij voor korte tijd gelieerd aan graaf Willem van Holland, want in 1422 zat hij in Den Haag. Ook zou hij als boekverluchter hebben gewerkt aan een getijdenboek dat lang verbleef in de Koninklijke Bibliotheek in Turijn, tot het in 1911 verloren ging bij een brand (er bestaan foto’s van). Het staat vast dat Van Eyck vanaf 1425 werkte voor Filips de Goede van Bourgondië. Hij diende de vorst als hofschilder en vertrouweling, en ondernam in diens gezelschap verscheidene diplomatieke missies, onder meer naar Spanje, Portugal, Italië en, wellicht, Jeruzalem. Tot zijn dood in 1441 bleef Van Eyck Filips trouw.

Een echte Van Eyck of niet?

Over de omvang van Van Eycks oeuvre bestaat zeker geen consensus. Generaties Van Eyck-kenners twisten er al ruim een eeuw over welke stukken wel en niet bij het corpus horen, een debat dat zeker nog wel een eeuw zal aanhouden. De scherpslijpers beschouwen zo’n vijftien werken als authentiek. De flexibelen houden het op een dikke twintig. 

Maar er waren er sowieso meer. Uit contemporaine bronnen weten we van Van Eycks die in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan, met de Maelbeke-Madonna (hier aanwezig als kopie) als een van de spectaculairste. In Gent is een aparte zaal met kopieën van werken van Van Eyck die van de radar zijn verdwenen. De werken zeggen iets over Van Eycks statuur: die was groot, en slonk nimmer.

‘Als ich can’, noteerde hij soms bij zijn werken, vrij vertaald: ‘zo goed als ik kan’ – en wat hij kon was veel. Het idee dat Van Eyck het schilderen met olieverf uitvond, zoals de 16de-eeuwse kunsthistoricus Vasari schrijft, is lang en breed naar het rijk der fabelen verbannen (de methode gaat minstens terug tot de 12de eeuw), maar Van Eyck, die experimenteerde met siccatieven, perfectioneerde de techniek zeker. Al glacerend, de sterk verdunde verf laag op laag aanbrengend, creëerde hij schilderijen met een verzadigde, edelsteenachtige kwaliteit. De techniek opende een heel nieuw register aan stilistische mogelijkheden.

Van Eyck benutte deze ten volle. De accuratesse waarmee hij allerhande natuurverschijnselen weergaf, was ongeëvenaard – in zijn tijd, en in elke andere tijd. De rotswand op het schilderij De heilige Franciscus ontvangt de stigmata, bijvoorbeeld, is echt een wand; geologen zijn in staat de lagen en gesteenten erin te determineren en dateren (Laat-Paleozoïcum). En de vogels die Van Eyck in elk vergezicht schilderde, vliegen zoals de vogels buiten uw raam doen: in V-formatie, heel aerodynamisch. Vogels, overigens, waarvan in al hun kleinheid de soort soms is te herkennen: boerenzwaluwen op Het Lam Gods, kraanvogels bij De drie Maria’s aan het graf. De lucht, ten slotte, is bij Van Eyck geen hemelsblauw azuur met witte vliegende schotels, zoals je de treft bij de Italianen van die tijd, maar, zoals Matthias Depoorter schrijft in de catalogus, ‘een etherische atmosfeer met levensechte wolken’. Een meteoroloog zou die wolken kunnen categoriseren: cumulus, stratus, cirrocumulus. Bij het restaureren van Het Lam Gods kwam nog een wolkensoort tevoorschijn: rechts van de heilige geest verschenen witte sliertwolken.

In zijn weergave van bloemen en andere vegetatie ging Van Eyck al helemaal los. Alleen al op de benedenluiken van Het Lam Gods komen 75 verschillende planten voor, waarvan 48 bepaalbaar. Een hoogstandje is de witte lelie die aartsengel Gabriël vasthoudt op het linker buitenluik: formaat, kleur, vorm en afwisseling van bloeiende en niet-bloeiende kelken zijn perfect natuurgetrouw. Daarmee zijn we er nog niet, want ook de stengel is zeer minutieus, met een schuin afgesneden onderkant, zodat de bloem meer water kan opnemen, evenals de afzonderlijke bladeren: groot aan de basis, kleiner aan de top. Het kon nóg exacter. De stampers en de meeldraden in de lelies schilderde Van Eyck óók stuk voor stuk, al begint het bouwwerk hier te wankelen. De bloem telt vijf helmknoppen op de meeldraden, terwijl dat er in het echt zes zijn.

Foei, Jan van Eyck. Beter opletten de volgende keer.

Eenzelfde grondigheid treffen we aan in Van Eycks weergave van het licht. Vooral in de reflecties leefde hij zich uit. Misschien wel de spectaculairste weerspiegelingen vinden we wederom op Het Lam, op het linker binnenluik, om precies te zijn, bij de voorste ridder van Christus. Zie hoe Van Eyck in dienst borstwering de geknakte reflectie van het rode vaandel schilderde, maar zie vooral ook hoe hij in het concave schild de vensters liet weerspiegelen van de ruimte waarin het Lam stond, de Vijd-kapel, en dit dan ondersteboven, zoals in het echt. Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar deze omgekeerde glimlichten lijken me een serieuze kandidaat voor de titel ‘meest doordacht geschilderde reflectie aller tijden’ – samen met de spiegel op het Arnolfini-portret, uiteraard.

Jan van Eyck, De heilige Franciscus ontvangt de stigmata (1440).Beeld Philadelphia Museum of Art

Over de wijze waarop Van Eyck dergelijke effecten wist te bereiken, is het laatste woord nog niet gezegd. Lang is gedacht dat hij empirisch te werk ging, wat wil zeggen: dat hij schilderde naar de waarneming en naar de waarneming alleen. Gastconservator Martens, die in de catalogus een erudiete beschouwing aan de kwestie wijdt, heeft echter een andere kijk op de zaak: Van Eyck, stelt hij, werkte meer theoretisch dan vaak wordt aangenomen. Allerhande inzichten uit de middeleeuwse optica, in het bijzonder uit de geschriften van de 10de-eeuwse Arabische astronoom en wiskundige Alhazen, zouden mede bepalend zijn geweest voor Van Eycks verbluffende graad van realisme.

Dat realisme moet overigens niet te modern worden opgevat. De minutieuze evocaties zijn bij Van Eyck altijd ingebed in een doordacht theologisch programma. Op de Madonna bij de fontein (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) bijvoorbeeld, staat alles in dienst van de toen heersende Mariacultus: de fontein, het perkje, de rode rozen. Voor Van Eyck was zo’n rode roos niet enkel een mooi stuk natuur, maar ook een symbool voor het bloed van Christus.

Wat je treft in dit en andere werken, is het meditatieve karakter ervan. De verstilling. Van Eyck was de meester van het antidrama. Bij hem is het: licht, camera, geen actie. Zijn bloedende Lam doet denken aan een levend standbeeld; verschijnt er een engel aan het graf, dan slaan de drie Maria’s hem rustig gade; ontvangt de heilige Franciscus de stigmata, dan zit hij erbij als tijdens de yogales.

Zingende engelen aan het orgel – veel uitbundiger dan dat wordt het bij Van Eyck niet. Iedereen in zijn werk staart contemplatief voor zich uit.

Op de portretten wordt de volumeknop nog een stukje verder omlaag gedraaid. In de laatste zaal hangen er een stuk of acht bijeen, misschien wel het mooiste ensemble van de expositie. Tijdgenoten als Baudouin de Lannoy en Jan de Leeuw doemen op vanuit het duister als heiligen in een visioen. Ze zijn extreem specifiek, deze beeltenissen van mannen en vrouwen met hun vreemdsoortige hoofddeksels en ernstige gezichten. Ze hebben niets schematisch of generieks. Integendeel, Van Eyck schilderde iedere mens alsof het de eerste was die hij ooit zag. 

Ook was hij immuun voor idealisering of mooimakerij. Kwalificaties als knap of lelijk deden bij Van Eyck niet ter zake. En dus heeft Timotheus op het Léal Souvenir geen wenkbrauwen, en een klein litteken op de linkerzijde van zijn kin, en is de kale kop van Joos Vijd, die oude schildpad, besprenkeld met kleine moedervlekken en wratjes. 

Het knappe van zulke portretten is niet dat Van Eyck geen stukje van het gezicht, hoe onaanzienlijk ook, onopgemerkt liet; het knappe is dat hij uit al die uitvoerig bekeken ogen, monden, wenkbrauwen en rimpels weer een solide geheel bakte. Zijn koppen zijn nooit een optelsom van onderdelen. Het doet hem ver uitstijgen boven tijdgenoten en navolgers.

Want het wonder van Jan van Eyck, zo toont deze expositie opnieuw, was het definitieve karakter van zijn kunst. Wat hij uitvond, een verdicht en gefragmenteerd realisme, werd door hem direct ook tot het maximaal haalbare geperfectioneerd. Het is wellicht de reden dat, zoals Peter en Linda Murray schrijven in hun standaardwerk The Art of the Renaissance, Van Eyck betrekkelijk weinig (of eigenlijk geen enkele) volwaardige opvolgers kende – de twee klassen mindere Petrus Christus was misschien de enige uitzondering. 

Wat had zo’n opvolger ook kunnen toevoegen? Nog meer bloemen? Nee, wie het werk van Jan van Eyck had gezien, die haalde de mosterd liever elders. Die zocht het in fantasie, pathos en hete tranen, en meer zulke dingen, waar Van Eyck wars van was.

Jan van Eyck: een optische revolutie

Beeldende kunst

★★★★★

Museum voor Schone Kunsten, Gent, 1/2 t/m 30/4

Zie voor het complete programma van het Van Eyck-jaar: www.vaneyck2020.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden