ColumnSylvia Witteman

Jan Terlouw overspeelde zijn hand met Oosterschelde windkracht 10

null Beeld

Met een half oog, of misschien zelfs maar een kwart oog, keek ik naar Freek de Jonges laatste conference en met de rest van mijn ogen naar het haardvuur. Dat ging prima, tot Freek het woord ‘Oosterschelde’ liet vallen. Daar zat ik al als een stokstaartje rechtop, en de teletijdmachine knalde me terug naar 1976. Jan Terlouws Oosterschelde windkracht 10.

Indertijd was Jan Terlouw een soort God. Hij schreef boeken die heel leuk waren om te lezen, en in die boeken zat ook nog een Boodschap. (Net als Freek is ook Jan de zoon van een dominee, dan krijg je dat.) Van die boodschap had je als kind niet echt last; je kon eromheen lezen. Pas toen ik als 20-jarige Koning van Katoren nog eens opnieuw las, kwam ik erachter dat het eigenlijk allemaal over politiek ging. Zo’n snoodaard, die Jan!

Tekenfilms werken vaak volgens dezelfde koppelverkoop: de kinderen kijken met plezier naar een leuke film, en voor de (noodgedwongen) meekijkende ouders zit er hier en daar een knipoog, verwijzing en/of dubbele bodem in. De ouders hoefden die kinderboeken natuurlijk niet mee te lezen, maar ze moesten ze wél kopen voor hun kinderen, en dat deden ze omdat ze wel wisten dat Jan een weldenkend, redelijk mens was en dat zijn boeken louter frisse, maatschappelijk relevante gedachten zouden oprakelen in de hoofdjes van hun kinderen.

Terlouw kreeg her en der gouden griffels, en overspeelde toen, zoals dat gaat, zijn hand. Ik kreeg Oosterschelde, windkracht 10 voor mijn 11de verjaardag. Het plaatje op de voorkant stond me niet aan (een jongen die verzwolgen wordt door een woeste zee hoort geen keurig geföhnd Fred Emmer-kapsel te hebben), maar op de inhoud verheugde ik me des te meer.

Nou, dat viel aanvankelijk niet tegen. Die watersnoodramp was spannend, natuurlijk. ‘Terwijl hij voetje voor voetje door het water waadde om Piet en het kind te bereiken, brokkelde de dijk onder de voeten van die beiden weg. Juichend sloeg het water een groot gat, waarin Piet Strijen, oud 14 jaar, met het kind in zijn armen verdween. De wind gierde; en het water nam het land in bezit.’

Vintage Terlouw, nietwaar? En dan is er ook nog iets met een moord, en een in zee gevonden kistje, en Piets grote zus Anne die bij kaarslicht in haar eentje een kind baart, prima allemaal.

Zowat honderd pagina’s gaat het goed, en dan komt deel twee. Opeens bevinden we ons niet meer in de jaren vijftig, maar in de jaren zeventig (indertijd, het is moeilijk meer voor te stellen, het heden). Anne heeft inmiddels twee zoons, van rond de 20. En wat doen die jongens? Mensen redden? Moorden oplossen? Van een toren springen op een stapel kussens? Nee: die jongens discussiëren met elkaar, en met hun ouders, over de Deltawerken. De fucking Deltawerken! Meer dan honderd pagina’s lang! Met woorden als ‘getijde-estuarium’ en ‘stormstuwcaissondam’!

Met holle ogen van teleurstelling bladerde ik haastig verder, op zoek naar soelaas. Maar dat kwam niet. Het was nog saaier dan dat gezeur over de Waddenzee waar we op school mee doodgegooid werden, en daar had je dan tenminste nog zeehondjes. Wat had je in die Oosterschelde? Mosselen. I rest my case.

Het loopt goed af, dat wel. ‘Dat geld’, zegt ze, ‘dat betalen we om een brug te bouwen. Een brug over de kloof tussen twee soorten mensen. Mensen die in de techniek geloven, en mensen die vinden dat een lieveheersbeestje een veel kunstiger bouwwerk is dan de Haringvlietsluizen.’

Leuk hoor. Maar tussen Jan en mij is het na Oosterschelde nooit meer helemaal goed gekomen.

Meer lezen?

Op deze pagina vindt u meer mooie (non-)fictie, achtergrondverhalen, interviews en pittige recensies.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden