Brief boekenweekthema

Jan Siebelink schrijft een brief aan zijn moeder (en laat u meelezen)

‘De moeder, de vrouw’, dat is het thema van de Boekenweek die volgende week begint. Daarom vroegen we Jan Siebelink, auteur van het Boekenweekgeschenk, daarover te schrijven. Dat wilde hij. Het resultaat is deze ‘Brief aan mijn moeder’.

Jan Siebelink in zijn schrijfkamer. Beeld Erik Smits

Lieve moeder,

Ik val maar met de deur in huis. De aarde warmt op. Hergebruik en duurzaamheid zijn woorden die velen in de mond bestorven liggen. Alles wordt anders. ‘Transitie’ heet dat tegenwoordig. Het hele land moet om. Mam, ik kan jouw reactie wel raden: ‘O, dat zei papa ook in het voorjaar als de laatste vorst uit de grond was. Dan huurde hij een los arbeider. Die kruide mest op het land en spitte het om. In de zomer bloeiden daar de zinnia’s en de zonnebloemen. En de opwarming van de aarde? Die zou ons wel goed van pas zijn gekomen. Het was een hele toer om tijdens de lange, strenge winters de broeikassen warm te houden. Uiteindelijk hebben de hoge cokes-nota’s ons de das omgedaan en is het mooie bedrijf dat we samen hadden opgezet failliet verklaard. Daar kwamen die lui van de gemeente het pad in om sloten op de deuren aan te brengen! Ze waren met z’n vijven. Er mocht nooit meer iets geteeld worden.’

Liever luisteren? Hieronder staat de voorgelezen versie

Nou, dat zie ik nog voor me. Je wilde ze tegenhouden, je ging voor ze staan en je vroeg, handen op je heupen: ‘Zo, kan één man dat niet af? Daar gaat zeker al ons belastinggeld naar toe!’

Vader was toen al te ziek om er zich nog druk over te maken. Ik zag wel dat hij zich een beetje voor jouw felle optreden geneerde.

Je zou nu 113 jaar geweest zijn. Antonia Jacoba Hupkes, geboren op 1 maart 1906 in het Duivense Broek, De Liemers. De sneeuw lag zo hoog dat de dokter uit Doesburg de eenzaam gelegen boerderij niet kon bereiken. Oma en jij redden zichzelf. Dat sterke heb je van meet af aan meegekregen. Je zou het hard nodig hebben.

Het zal mij altijd bijblijven dat we in de kleine, armoedige sterfkamer van het Gemeenteziekenhuis (nu Rijnstate) waren. Je had na een lange strijd je laatste adem uitgeblazen. Je jongste zusje mompelde: ‘Och, wat was Annie toch gek met haar drie jongens.’ Je bent 78 geworden.

Jouw drie jongens zijn Arno (74), Hans (79) en ikzelf (81). Je zult het je niet kunnen voorstellen. Wij evenmin. Drie bejaarde mannen, maar ze hebben in hun werkzame leven wel voldaan aan de ongeschreven wet van het gezin waarin ze opgroeiden: zij moesten het verder schoppen dan de ouders, doorleren. De kwekerij voortzetten raadde vader ten zeerste af.

Elk jaar gedenken we jouw verjaardag en die van vader in een kleine eetgelegenheid, onder aan de Bergweg, op nog geen honderd meter van de voormalige kwekerij. We halen herinneringen op. Hans heeft de gewoonte om uit zijn deel van de nalatenschap een ons nog onbekende foto of brief te tonen. Dit keer een strip melkbonnen uit ’44, het geboortejaar van de jongste en een foto van jou uit 1924. Je was toen 18 en lid van het koor Sursum Corda in Ellecom. Ik heb lang naar de foto gekeken en je kwam me zo helder voor de geest dat ik dacht je te kunnen aanraken.

Moeder (eerste rij, derde van rechts) in Ellecom met het koor Sursum Corda, 1924. Beeld Erik Smits

Een herinnering die ik tijdens het etentje niet verteld heb. Ik was met vader op de kwekerij. Het moet in ’43 gebeurd zijn, ik was vijf. De buurvrouw komt aanrennen en roept dat het niet goed gaat met Annie. Ik zie vaders ontzetting. Je bent een paar dagen in het ziekenhuis gebleven.

Een zomerse zondagochtend, na de oorlog. Ik ben negen en zit met een boek in vaders leunstoel. Hans zit op een kruk aan jouw voeten, jij hebt mijn jongste broertje op schoot. Je kijkt plaatjes met hem, fluistert verhaaltjes, terwijl vader, aan tafel, luid een paauweaanse preek leest. De thuisdienst zal uren duren. Je hebt de suitedeuren goed dichtgetrokken, het zijraam van het haakje gehaald. De wereld is buitengesloten. Alle aandacht moet op het Woord gericht zijn. Jij probeert de kinderen bezig te houden, je geeft vader de ruimte, je probeert greep op alles en iedereen te houden. Dan trekken op straat luidruchtige voetbalsupporters voorbij. Vader kijkt jou verstoord aan, leest door, luider. Tenslotte is na een lang gebed (jij vouwde je handen niet, je legde ze over elkaar) de dienst voorbij. Je staat op om koffie te maken. Ik loop achter je aan, blijf bij je staan, ga dan terug naar de kamer waar vader nog steeds aan tafel zit, bleek, onthutst over wat hij zonet heeft gelezen: ‘Dat geloof van u is zelfbedrog. U bent voor God onacceptabel. Ik vraag het totale verlies van uzelf, de algehele leegmaking, de ontmanteling van uw persoon. Ja, pas dan is er een geringe kans ….’ Calvinisme, in zijn donkerste vorm, en Zen lijken elkaar hier te raken.

Wat had ik met jullie beiden te doen. De welhaast sartriaanse eenzaamheid in die dichte kamer.

Je zet de koffiekopjes op tafel en ik hoor nog jouw woorden tegen vaders gebogen hoofd: ‘Mens, wat doe jij jezelf aan.’

Veel later, volwassen, heb ik je weleens gevraagd: ‘Hoe is dat gegaan tussen jou en vader? Wanneer is het eigenlijk begonnen?’ Je wilde, of kon, er geen antwoord op geven.

Vanaf vijf uur ’s morgens was vader op de kwekerij. Maar met alle geploeter bleef het besteedbare inkomen ver onder het minimum. Die armoede mocht niet worden gezien. Die verguldde jij door eindeloos sokken te stoppen, kleren te verstellen, broeken uit te leggen of in te korten. Duurzaam uit bittere noodzaak. Maar we zouden er netjes bijlopen.

Vader en moeder met kleine Jan, zes maanden oud. Beeld Erik Smits

Eén keer per jaar gingen we naar de stad om nieuwe kleren te kopen. C&A was wel goedkoop, maar rooms. Wij gingen naar de protestantse Kreymborg. Daarna kregen we bij Ruteck’s iets te drinken. We behoorden tot een zuil, maar toen vader eenmaal in de tang was geraakt van de lekenbroeders vervreemdde hij van collega’s, buren, familie. Ons gezin hoorde tenslotte nergens meer bij. Een eenzaam eilandje in een zee van zuilen.

Jij hield ons gezin op de been, mam. Ik heb je weleens horen verzuchten: ‘Hoe krijg ik vandaag een warme maaltijd op tafel?’ Zelf kan ik me niet herinneren ooit iets te kort te zijn gekomen. We leefden heel zuinig en tijdens de oorlog, toen de kwekerij en de groententuin door granaten getroffen waren, konden we voor iets extra’s terecht bij familie aan de overkant van de rivier, de IJssel. Eén voedseltocht, in november ’44, een paar maanden na de bevalling van Arno, zal ik nooit vergeten. Jij reed op een fiets met houten banden, ik achterop, want de Duitsers lieten een moeder met kind doorgaans ongemoeid. We waren al op de terugweg, op de stikdonkere Veerweg. Soldaten van de Wehrmacht schenen met knijpkatten in ons gezicht. Ze vonden in je fietstassen bonen, aardappels. Je mocht doorrijden. Thuis, je triomfantelijke blik! Op je onderjurk had je een zak genaaid. Daarin twee pakjes roomboter.

Dát zochten die Duitsers.

Weet je nog, moeder? Ik zat in het laatste jaar van de Rijkskweekschool. Op tafel ligt Eenzaam avontuur van Anna Blaman. Bij het ontbijt kijk je me met een ondeugende blik aan. Vannacht, toen je weer eens niet kon slapen, heb je de roman gelezen. ‘Nou, nou’, zei je, ‘het onderbroekje dat de hoofdpersoon uittrekt, blijft aan de hoge hak van haar schoen hangen…’ Om vervolgens in enkele zinnen het boek perfect samen te vatten.

Op zaterdagavond, voor we naar de stad gingen, kwamen vrienden mij ophalen. Jij zorgde dat er flesjes bier in huis waren, wat in de jaren vijftig zeker niet algemeen gebruikelijk was. We discussieerden over De vreemdeling van Camus. Jij kwam erbij zitten, luisterde.

Je had graag door willen leren. Het hoofd van de lagere school is bij jullie thuis geweest. Je leerde makkelijk. Hij wilde jou bijwerken zodat je naar de normaalschool (de Pabo nu) in Doetinchem zou kunnen gaan. Hij wilde er geen geld voor hebben, hoogstens iets van de slacht. Maar het was 1914. Je vader lag als dienstplichtig soldaat bij de grens in Limburg. Op je vijftiende kreeg je een dienstje in Dieren bij een oom. Zijn vrouw was wegens zenuwzwakte opgenomen en jij moest toezicht houden op acht lastige, verwende kinderen. Je had van nature gezag. Oom was op je gesteld. Hij zat in de houthandel en nam je mee naar de beurs in Krasnapolsky. Het verhaal gaat dat hij je ook meenam naar het Wimbledon-tennistoernooi. Is dat misschien je meest zorgeloze tijd geweest? Je hebt er nooit over willen vertellen.

Ik denk vaak aan je, maar de afgelopen dagen extra. De kruisraketten zijn weer in het nieuws. Begin jaren tachtig demonstreerde het halve land tegen plaatsing van Amerikaanse raketten in Europa. Ik bezocht je, zeker na het overlijden van vader, een paar keer per week en zag op het raam van de voorkamer tot mijn verbazing een affiche. Jij was voor tweezijdige ontwapening en je was ongemeen fel in de verdediging van je standpunt: de Russen waren niet te vertrouwen. Je lachte strijdlustig: ‘Dat had je niet van mij gedacht hè? Op m’n 75ste nog actievoeren!’ Als antwoord tilde ik je hoog op en samen zwierden we de kamer rond. Tot de tranen van het lachen over je wangen rolden. ‘Jong toch, zet me nu maar neer. Genoeg gevlogen.’

Later die middag kwam ons gesprek nog op de tandarts en de saneringskaart. Bij dat laatste woord reageerde je onmiddellijk: ‘Jaja, als kleine zelfstandige waren wij vrijwillig verzekerd, de arbeider verplicht.’ De trots van de kleingrondbezitter en wat ik toen zei, dat de tandarts zich van dat verschil niets aantrok, je was er nog altijd woedend over. Gaatjes vullen kostte te veel tijd. Hij trok liever. Dat leverde meer op.

Gedrieën, de broers en ik, zaten we voor jouw verjaardag in het restaurant onder aan de straat en opeens kreeg het gesprek een verrassende wending. Arno zat aandachtig naar die mooie sepiafoto van jou te kijken. Hans zei toen peinzend dat jij waarschijnlijk wel een dochter had willen hebben. Dat zou een extra steun voor je zijn geweest. Arno keek ons beiden lang aan. ‘We hebben een zusje gehad. Ze heette Anne, net als mijn eerste doopnaam. Ze heeft één ademtocht geleefd.’

‘Maar, hoe weet je dat?’ vroeg mijn andere broer.’ Heeft moeder jou dat verteld?’

‘Nee. Ik weet het.’

En ik dacht terug aan de buurvrouw die de kwekerij oprende, aan vaders ontredderde gezicht.

‘Jij gelooft het’, zei ik. ‘Dan is het waar.’

Lieve, karaktervolle moeder. Ik schrijf je en de vragen stapelen zich op. Antwoorden krijgen kan niet, hoeft ook niet. Ik mag jou geheimen toedichten, bedenken. Maar jij houdt het recht op je eigen geheimen. Dit schrijven is als genoeglijk praten met jou, zoals we dat zo vaak gedaan hebben.

Even ben ik weer bij je, thuis.

Zoen, Jan

De lezers van Jan Siebelink (81) weten wie zijn vader was; Jan senior, de bloemenkweker te Velp, wiens dood het aangrijpende slot vormt van de bestseller Knielen op een bed violen (2005). Over zijn moeder weten we minder, al schreef zoon Jan over haar in De overkant van de rivier (1992) en in Margje (2015). Nu de Boekenweek in aantocht is, met het Boekenbal op vrijdag 22 maart als aftrap, leek het de boekenredactie een goed idee om de auteur van het Boekenweekgeschenk te koppelen aan het thema van dit jaar, ‘De moeder de vrouw’. Daar was hij voor te porren. Het resultaat is de hier volgende, ontroerende brief van een zoon aan zijn moeder. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.