James Nachtwey

Veel van zijn foto's komen uit de frontlinies. Ze tonen de gruwelijkheden waartoe mensen in staat zijn. 'Te erg om te publiceren', volgens sommigen....

Op de dag van het interview dreigt de Russische minister van Buitenlandse Zaken met een nieuwe grondoorlog tegen Tsjetsjenië, vallen er weer slachtoffers in Oost-Timor en zit oorlogsfotograaf James Nachtwey in een anonieme buitenwijk van Milaan. Nachtwey wacht op drukproeven van zijn boek, Inferno, een fotoboek over de vele oorlogen en rampen die hij vastlegde in de jaren negentig. Een paar weken lang begeeft hij zich om de vier uur van zijn hotel naar de drukkerij, dag en nacht, om geen enkel detail over het hoofd te zien, daar is hij de man niet naar.

Hij spreekt zacht, oordelen over anderen komen niet over zijn lippen. 'Mijn foto's zijn mijn statements.' Het voortdurende werk op de slagvelden heeft een introvert, bedachtzaam mens van hem gemaakt, zegt hij later. Er vallen vaak lange stiltes tijdens het gesprek. Dan richt hij zijn blik naar de grond en zoekt naar woorden. Hij vraagt naar de situatie in Oost-Timor. 'In Nederland is er waarschijnlijk meer informatie over dan hier. Als ik niet hier zou zijn, zou ik me nu in Oost-Timor bevinden, maar ik heb er vrede mee dat ik niet overal tegelijk kan zijn. Tijdens de oorlog in Kroatië was ik in Zuid-Afrika aan het werk.'

Hij weet dat de Nederlandse journalist Sander Thoenes onlangs werd doodgeschoten, hij kende hem niet. In de twintig jaar dat Nachtwey de brandhaarden en slagvelden van de wereld bereisde, sneuvelden veel van zijn collega's en vrienden. Terwijl hij aan de vooravond van de verkiezingen in Zuid-Afrika, in 1994, gevechten vastlegde tussen anc-aanhangers en Zulu-arbeiders in een township, werd pal naast hem zijn collega en vriend Ken Oosterbroek doodgeschoten en raakte een andere collega die bij hen was, Greg Marinovich, zwaargewond.

De eerste vraag die werd gesteld in de Nederlandse media na de dood van Thoenes was: is hij wel voorzichtig genoeg geweest.

'Dat is een voor de hand liggende vraag. Mensen vragen zich af wat ze zelf gedaan zouden hebben. Ik ken de omstandigheden van de dood van die journalist niet, maar als je naar een oorlogsgebied gaat of naar een conflictzone, loop je altijd een risico. Dat is een deel van het vak. Er is chaos, de dingen zijn onvoorspelbaar. Iedereen bepaalt zijn eigen, persoonlijke risiconiveau. En iedereen moet dat voor zichzelf beslissen. Het zou niet beoordeeld moeten worden door een ander. Als ik een risico neem en een collega niet, dan is het niet aan mij om die ander op zijn besluit te beoordelen.'

Zijn er veel 'cowboys' onder uw collega's? Verslaggevers en fotografen die te avontuurlijk zijn en onverantwoord veel risico's nemen? Vietnam leek er indertijd vol mee te zitten.

'Ze zijn er nog wel, de mensen die naar een oorlogsgebied gaan om snel naam te maken, maar het zijn er bijzonder weinig. Het is niet typerend voor de pers in het algemeen. De mensen met wie ik heb gewerkt, waren redelijk verantwoord bezig. Het zijn professionele, betrokken mensen. Ze nemen zeker risico's, maar ze zijn niet roekeloos.'

U hebt meestal meer oorlogservaring dan de soldaten of strijders met wie u bent.

'Ervaring helpt, maar het kan niet al je problemen oplossen. Je hebt ook instinct nodig en geluk. Er zijn situaties waarin het bijna suïcidaal is om je schuilplaats te verlaten. Je kunt vastzitten in een schuilplaats als het artillerievuur te hevig is of als de gevechten te bedreigend zijn. Je moet de patronen van het geweld observeren en dan beslissen wanneer het juiste moment is gekomen om je bloot te geven en je werk te doen. Daar heb je instinct voor nodig. Er bestaat een verband tussen overleven en het doen van je werk. De afweging is heel, heel persoonlijk.'

In hoeverre kun je afgaan op de informatie van de strijdende partij met wie je optrekt?

'Als ik met een strijdende groep ben, probeer ik bij hen te blijven, want zij zijn mijn onderwerp, ik probeer vast te leggen wat ze doen. Hun vijand is dan ook een bedreiging voor mij. Maar je moet altijd voor jezelf blijven denken. Zij kunnen ook fouten maken. Het is soms moeilijk in te schatten. In Centraal-Amerika bijvoorbeeld, met die hit and run-tactieken, veranderde de situatie voortdurend. De rebellen konden zich opeens terugtrekken en dan verscheen het leger meteen op de positie waar ik even daarvoor verbleef. Het belangrijkste is dat je nooit tussen de strijdende partijen in raakt, want iedereen schiet op alles wat beweegt voor hen.'

Wat waren de belangrijkste veranderingen in de oorlogsvoering van de laatste decennia?

'De meest conventionele oorlog die ik heb meegemaakt, was in Libanon. Beiroet was verdeeld. Er was een groene lijn met de christenen aan de ene, en de moslims aan de andere kant. De meeste oorlogen zijn minder overzichtelijk, en hebben voortdurend bewegende frontlinies. Maar elke oorlog is anders. Elke dag in elke oorlog is anders.'

Toen James Allan Nachtwey (1948) uit Massachussets kunstgeschiedenis en politicologie ging studeren, had hij niet de ambitie om oorlogsfotograaf te worden, hoewel zijn studiekeuze zijn belangstelling voor esthetiek en politieke processen illustreerde. De rol van de media in de Vietnam-oorlog - die er in slaagden de opinie van de Amerikaanse bevolking en zijn leiders te veranderen - inspireerde hem. Hij bracht zichzelf het vak van fotograaf bij. Na een aantal losse baantjes werd hij persfotograaf voor een krant in New Mexico. In 1980 begon Nachtwey vanuit New York een freelance carrière als oorlogsfotograaf. Noord-Ierland was het vertrekpunt van een reis langs de slagvelden van de wereld die tot op de dag van vandaag voortduurt, een eindeloze reis lijkt het, langs menselijk lijden. Hij werkt al lange tijd voor het fotobureau Magnum en won vele prestigieuze fotoprijzen, waaronder in 1992 en 1994 de World Press Photo Premier Award. Zijn levensloop laat zich lezen als de geschiedenis van de wereldconflicten. Noord-Ierland, Beiroet, Nicaragua, El Salvador, Sri Lanka, Zuid-Afrika, de Filipijnen, Soedan, Libanon, Somalië, Rwanda, Bosnië, Tsjetsjenië, Kosovo. Veel van zijn foto's komen uit de frontlinies, uit het hart van de strijd en de ellende. Weggeschoten gezichten, toegetakelde lijken, mensen in het diepst van hun lijden, tijdens hun gruwelijk sterven. Toch zijn het foto's waarvan je je niet meteen afwendt.

Onder meer door de sterke composities en de juiste timing zijn ze mooi te noemen. 'Het is nu eenmaal een van de paradoxen in het leven dat er schoonheid is in tragedie', zegt hij daarover. 'Maar ik denk niet dat een foto van een tragedie bruikbaar is, als hij alleen maar mooi is.'

De vorm moet de inhoud dienen, zegt hij. Het is vooral het kleinmenselijke en de emotie die veel van zijn foto's kenmerken; woede en agressie op de gezichten, de doffe uitgebluste blik in de ogen van een soldaat, een kind dat toekijkt wanneer een lijk wordt weggesleept, guerrillastrijders die het zwaar verminkte lichaam van een kameraad in schone kleren hijsen om hem nog enigszins toonbaar te maken, een jongeman die zijn van honger stervende vader verzorgt.

'Ik wil niet alleen kwaadheid opwekken over de oorlog, maar ook mededogen. Ik wil dat mededogen de ultieme boodschap is van mijn foto's. Ik streef ernaar dat de mensen die die foto's zien, een link kunnen maken met de mensen op die foto's. Ik wil een brug bouwen.'

Nadat u de World Press Photo Premier Award won in 1992 met een foto uit Somalië, zei u dat het de gruwelijkste oorlog was die u ooit hebt gezien. Twee jaar later zei u hetzelfde over Rwanda. Veranderen de oorlogen, of wordt u gevoeliger?

'De oorlog in Rwanda was uniek. Ik begrijp de politieke dynamiek van de oorlog, maar ik vind het nog steeds moeilijk te geloven dat dat kon gebeuren. Dat honderdduizenden mensen face to face afgeslacht konden worden met zulke primitieve wapens, knuppels, messen, machetes, door hun landgenoten, hun buren, in zo korte tijd. Kinderen met gespleten schedels, opengereten mensen. Het is heel moeilijk om je dat niveau van angst en haat voor te stellen. Dat mensen met wie je je hele leven hebt geleefd zich opeens tegen je keren, gaat mijn bevattingsvermogen te buiten.

'In Somalië was dat enigszins anders. Het belangrijkste wapen dat daar werd gehanteerd was de vernietiging van voedsel. Het vee werd gedood, de gewassen verbrand, de voedselvoorraden gestolen. Mensen stierven de hongerdood, een extreem wrede, langzame, pijnlijke dood. Maar het was vanuit de daders gezien onpersoonlijker. Degenen die het deden zagen de mensen niet feitelijk doodgaan. In Rwanda... was dat zo anders.'

In elke oorlog liggen vormen van wreedheid besloten.

'Laat me jou een vraag stellen: "Heb jij ooit het gevoel gehad dat je honderdduizend mensen wilt vermoorden met je blote handen?" Dat wil ik maar zeggen, ik weet ook niet wat voor gevoel dat is. Het is gemakkelijker te begrijpen als het gaat over soldaten die op een meer conventionele manier vechten. Daar kan me niets bij voorstellen. Je vraagt waarom Rwanda zo wreed was. Het ging de verbeelding voorbij, dat is het antwoord.'

Hij sluit zich niet af voor emoties als hij aan het werk is, zegt hij. 'Dat kan niet, maar je moet proberen je emoties te kanaliseren in je werk. Ik heb daar geen speciale technieken voor. Ik ben een keer weggelopen, toen ik een dode man zag in Nicaragua van wie het gezicht was weggesneden, maar ik realiseerde me meteen dat dat fout was. Ik ben teruggegaan en heb toch die foto gemaakt.'

Hebt u er achteraf veel moeite mee, thuis, als u terugkomt uit een oorlog?

'Jawel. Voortdurend. Dat wordt een deel van je leven. Het is een last die je permanent met je meedraagt. Het is... Ik ben eigenlijk niet van plan om over mijn persoonlijke problemen te praten. Ik wil er alleen over kwijt da jt e voortdurend met dit soort dingen moet omgaan. Het is een onafscheidelijk deel van mijn leven geworden.'

U hebt twee jaar geleden gezegd in een interview dat u het soms moeilijk vond om naar uw eigen foto's te kijken, zo pijnlijk waren ze.

'Ik denk niet dat je er iemand een dienst mee bewijst als je een tragedie fotografeert op een manier die binnen de grenzen van de goede smaak valt, zoals men dat noemt. Er bestaat niet zoiets als goede smaak wanneer je het hebt over genocide. Er is geen goede smaak aan een hongersnood. Ik wil geen onaandoenlijke foto's maken. Een foto van iemand die lijdt, is een noodkreet. Mensen kunnen zich openstellen voor die noodkreet of ze kunnen het lijden de rug toekeren. Maar het is onze verantwoordelijkheid als journalisten om die noodkreet te laten horen namens die mensen.'

In augustus plaatste 'de Volkskrant' een foto op de voorpagina van een man in Oost-Timor die juist het slachtoffer was geworden van een lynchpartij. Er kwamen heel veel reacties op, een aantal lezers vond dat de krant hiermee te ver was gegaan.

Opeens fel: 'Waren ze boos op de krant? Waarom?'

Ze vonden het te gruwelijk om naar te kijken.

'Juist. In feite verpestte die foto hun ontbijt. Maar dat is het doel van die foto, om hun ontbijt te verpesten. Om ze even te laten stilstaan, om ze even uit hun dagelijkse routine te halen, om ze even te storen, kwaad te maken. Ze zouden zich eens moeten afvragen waarom ze kwaad worden op de krant, waarom ze een ingezonden brief naar de krant sturen in plaats van naar de Indonesische ambassade. Iemand komt gruwelijk om het leven, of misschien wel honderdduizend mensen, en ze maken zich druk om hun koffie. Ze moeten zich maar eens afvragen waar hun prioriteiten liggen. Het is zeer misplaatst om die woede te richten tegen de boodschapper.'

Waarschijnlijk was het te erg, het was hun te veel.

'Maar het is ook te veel. Dat is waar het om gaat. Wat er gebeurt in Oost-Timor is te veel, onacceptabel. Als mensen boos worden vanwege zo'n foto beseffen ze diep in hun hart dat het onacceptabel is wat er gebeurt. Maar ze moeten hun boosheid richten tegen degenen die de vernietiging veroorzaken. Wat ze ook moeten begrijpen, is hoe bevoorrecht ze zijn dat ze elke dag van hun leven kunnen ontbijten in hun mooie, veilige, rustige huis, terwijl elders in de wereld mensen worden afgemaakt, of helemaal niks te eten hebben.'

Als mensen zich afwenden van de boodschap, schiet je als boodschapper toch je doel voorbij?

'Je kunt het niet iedereen naar de zin maken. Journalisten hebben een verantwoordelijkheid. En sommige mensen voelen zich beledigd als je die verantwoordelijkheid neemt. Als ze zich meer bezorgd maken om hun ontbijt, of de krant niet meer kopen, laat ze dan maar. Als lezers of kijkers niet kunnen omgaan met die informatie, betekent dit niet dat je er maar mee moet ophouden. Het is niet de taak van de pers om de mensen te beschermen tegen de realiteit. Er zijn mensen in de wereld die wel degelijk reageren, die verantwoordelijkheid hebben en nemen. Op hen moeten we ons concentreren.'

U bedoelt de leiders?

'Zij zijn een heel belangrijk deel van het publiek. Degenen die de besluiten nemen. Als zij de pijn voelen die in die beelden ligt, weten ze dat duizenden anderen hetzelfde voelen. Het werkt twee kanten op. De Vietnam-oorlog is daar een goed voorbeeld van. Door de vloedgolf van gevoelens die de media op gang brachten onder het volk, hebben de vs zich uiteindelijk eerder teruggetrokken.'

Ziet u uw werk als een missie?

'Dat weet ik niet. Het is zeker een vak. Het is een verantwoordelijkheid.'

Tegenover?

'Tegenover de mensen die ik fotografeer, tegenover de mensen die naar de foto's kijken, tegenover de mensen die ze publiceren. Net zoals ik wil dat mensen zich niet afkeren van mijn foto's, kan ik mezelf niet afkeren van het vak. Ik heb nu het avontuur niet meer nodig. Ik hoef mezelf niet meer te bewijzen of te testen. Dat heb ik al lang achter me gelaten. Die behoeften zijn al lang bevredigd.'

Kun je verslaafd raken aan oorlog?

'Ik heb er nooit aan gedacht in termen van verslaving, maar een zekere aantrekkingskracht heeft het wel. Het drama, de onvoorspelbaarheid, het gevaar, het delen van het gevaar, het feit dat je getuige bent van iets unieks. Strijd is compleet uniek. Er is een tijd geweest dat ik dacht: "Ik moet midden in de strijd zijn, in de dynamiek van de oorlog." Het midden van de strijd is nog steeds een belangrijk element in mijn werk, maar het is breder geworden. Ik fotografeer de laatste jaren ook vluchtelingenkampen of hongersnoden. In Roemenië heb ik de omstandigheden gefotografeerd waarin weeskinderen leven en in India de werkomstandigheden van de kaste der onaanraakbaren.'

U heeft zichzelf eens een anti-oorlogsfotograaf genoemd, maar uw werk heeft meestal geen duidelijke politieke stellingname tegen een van de strijdende partijen.

'Mijn foto's uit Tsjetsjenië zijn niet erg vriendelijk voor de Russen. Als je mijn Rwanda-foto's bekijkt, zie je dat mijn sympathie niet ligt bij de moordenaars. Mijn werk is in zekere zin politiek, maar het is niet ideologisch. Mijn sympathie ligt bij degenen die lijden en die onderdrukt worden. Maar ik wil persoonlijk niet behoren tot iemand anders z'n ideologie. Mijn foto's zijn een aanklacht tegen oorlog als vorm van gedrag.'

Een enkele keer legt Nachtwey zijn camera terzijde tijdens zijn werk. In Zuid-Afrika sleepte hij zijn gewonde vriend Marinovich uit de gevarenzone. 'Ik grijp in als een persoon van niemand anders hulp kan krijgen dan van mij.' Twee keer redde hij een slachtoffer van een lynch partij. Toen hij dat vorig jaar in Indonesië weer probeerde, dreigde de massa zich tegen hem te keren. 'Je doet het impulsief. Ik had bijzonder veel geluk. Als een van hen mij had geslagen, dan was de rest gevolgd. Ik had echt heel veel geluk.'

Hij 'kiest' zijn oorlogen niet, zegt hij. Hij gaat, elke keer weer, 'omdat het belangrijk is om mensen te helpen bij het bepalen van hun opinie op het moment dat een conflict zich voordoet.' Het is nooit bij hem opgekomen om ermee op te houden. Nog niet. Zijn ervaring schept verplichtingen, zegt hij, het is de noodzaak van het vak om mensen de 'echte wereld' te laten zien.

In Tsjetsjenië en Oost-Timor heerst spanning, in Milaan heerst in en rond de modehuizen een opgewonden drukte vanwege de jaarlijkse modeweek. 'Het contrast is wel extreem, ja. Ik geef daar niet om. Maar ik voel me zeker nog deel van de wereld waar ik vandaan kom. Ik kan me inleven in het leven van mijn familie en vrienden. Het doet me genoegen om te zien hoe gelukkig ze zijn, met hun kinderen. Hoe goed ze het getroffen hebben. En dat wil ik ze dan ook laten zien. Misschien kan ik dat gevoel wel versterken voor ze. De afstand tussen hun leven en het mijne is soms groot, maar niet onoverbrugbaar. Ik kan nog steeds normaal met andere mensen omgaan, ik geef ze het voordeel van de twijfel en heb vertrouwen in hun menselijke waarden.'

Thuis, in New York, is hij soms maar een paar maanden of weken per jaar. Een gezin heeft hij niet, een privéleven nauwelijks. 'Het permanente risico dat je om kunt komen, maakt een huwelijk heel moeilijk. Een paar van mijn collega's zijn met het oorlogswerk opgehouden toen ze kinderen kregen. Een privéleven is wel mogelijk, maar je moet het voor jezelf uitvinden. Je moet begrijpen dat je niet alles kunt hebben. Mijn leven zal er nooit zo uitzien als dat van andere mensen, maar ik heb vrienden die toch mijn vrienden blijven ook al hebben we heel lang geen contact, die zich met me verbonden voelen. Sommige collega's, die ik geregeld tegenkom, zijn goede vrienden. Maar ik sta overal voor open in het leven. Ik zeg niet dat ik nooit zal trouwen en geen kinderen zal hebben. Het moment is gewoon nooit aangebroken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden