interview

Jacob Derwig (51) en Erik Whien (43) maken een voorstelling over dood en rouw: ‘Het is heel heilzaam’

Jacob Derwig (links) en Erik Whien.  Beeld Eva Roefs
Jacob Derwig (links) en Erik Whien.Beeld Eva Roefs

Verdriet is het ding met veren is gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Max Porter: een vader en twee zoontjes verliezen hun vrouw en moeder.

In dit verhaal is kraai een personage – dat moet u maar even aannemen. Maar ‘kraai’ is ook een metafoor voor rouw. En meer: kraai is symbool, herinnering, cliché, literaire referentie, verzinsel, fabeldier, en ook gewoon een lelijke zwarte vogel. Als acteur Jacob Derwig of regisseur Erik Whien het over kraai hebben, bedoelen ze soms het één, soms het ander, en soms alles tegelijk.

Jacob Derwig: ‘Kraai is chaos, redeloosheid, agressie, extase, levensdrift. Hij is alles wat je misschien niet wil maar wel móet voelen. Hij dringt zich onuitgenodigd aan je op, en gaat pas weg als je hem niet meer nodig hebt.’

Het personage kraai speelt een hoofdrol in Grief is the Thing with Feathers (vertaald als Verdriet is het ding met veren) de verrassende literaire bestseller uit 2015 van Max Porter. De Brit Porter (40) schreef een onnavolgbaar boek over een vader en twee zoontjes die hun vrouw en moeder verliezen, en in de daaropvolgende rouwperiode bezoek krijgen van een reusachtige pratende kraai. De komst van het dier wordt (deels) verklaard uit een obsessie van de vader, die werkt aan een boek over de kraaiengedichten van Ted Hughes. Wanneer zijn vrouw overlijdt, neemt de vogel de lege plek in die zij achterlaat. Overdrachtelijk, maar levensecht.

Het 122 bladzijden tellende boekje omvat flarden proza, poëzie, een stukje manuscript, raadsels, fabels, toneeldialoog en zelfs een quiz. Porter verwerkt de herinnering aan de plotselinge dood van zijn vader in zijn jeugd op een manier die even chaotisch en versnipperd is als de rouw zelf. Het is een ‘kraaiachtig’ boek ook: slim, vreemd, speels en onvoorspelbaar; soms lief en soms wreed.

Onbegonnen werk, om zo’n boek naar toneel te vertalen. En toch is dat precies wat Derwig en Whien doen. Ze moeten wel, want ze zijn verliefd. Erik Whien: ‘Gister konden we onverwachts opeens met Max Porter zoomen. Hingen we helemaal idolaat achter de laptop. Hij is echt onze held. We hebben allebei een beetje een ‘mancrush’.’

Ze zitten samen in de kantine van Theater Rotterdam, waar de voorstelling straks alvast drie avonden speelt, binnen de proefopening van de theaters. Het is de derde keer dat Derwig (51) en Whien (43) samenwerken, na de gelauwerde producties Who’s Afraid of Virginia Woolf? (2014) en Revolutionary Road (2017). Net als bij die laatste maakt Derwig ook nu de bewerking. Of althans: ‘Ik maakte een eerste versie, en daarna zijn we er nog acht of negen keer doorheen gegaan. En nog is het niet klaar, haha.’

Grijnzend toont Whien zijn notitieblok: daarin staat met grote blauwe blokletters: ‘Klopt het concept?’

In de zoektocht naar een geschikt stuk voor hun nieuwe samenwerking kwam Max Porter vaak voorbij. Derwig: ‘Dat boekje gaat zó door merg en been. In drie korte zinnen zit je opeens middenin de ziel van een man zonder vrouw - soms via een sprookje, soms via een pratende kraai. Het is curieus en ongrijpbaar, maar er schuilt zo’n wáár hart in. En is dat niet precies wat we zoeken in een stuk?’

Erik Whien: ‘Je krijgt er als lezer niet meteen grip op, maar dat vreemde element van die kraai breekt iets open. Het gaat voorbij de ratio, en dat maakt je ontvankelijker, denk ik. Daardoor komt de emotionele lading des te harder binnen. Ik hou het bij het lezen nooit droog.’

Maar door de complexe vertelstructuur leek een toneelversie lang geen optie. Tot ze ontdekten dat het in het Verenigd Koninkrijk wèl al was gedaan, door niemand minder dan Cillian Murphy (Peaky Blinders) in een bewerking van toneelschrijfgrootheid Enda Walsh.

Derwig: ‘Toen we dat hoorden, stonden we te juichen: ‘Het kan wel!’ Maar toen lazen we die tekst…’

Whien: ‘…en wisten we: zo moet het dus niet.’

Het boek van Porter is nadrukkelijk een drieluik, waarin afwisselend de stemmen klinken van de vader, de kraai, en ‘de jongens’, die meestal samen aan het woord zijn (‘We waren dappere nieuwe jongens zonder een mama’.) Walsh en Murphy maakten daar een solo van. Derwig: ‘Dat werd een beetje statisch: het tegenovergestelde van het dynamische en levendige van Porter.’

Dus besloot hij een voorbeeld te nemen aan de vrijpostigheid van de auteur, en al even blasfemisch te grasduinen, te knippen en plakken, te snoeien en te schrappen. ‘Porter heeft een boek geschreven dat volkomen vrij is. Hij nodigt de lezer uit om er zijn eigen structuur van te maken. Dat hebben wij ook gedaan: we zijn als kraaien in de tekst gaan pikken. En dat klopte. Dat is de adem van het boek, en van de kraai.’

In hun versie staat de wisselwerking centraal tussen de vader (Derwig) en de zoons, gespeeld door Jesse Mensah en Romijn Scholten. Erik Whien: ‘Hoe zij zich ontwikkelen, hoe ze alledrie ouder worden, hoe ze er sterker uitkomen, dat vind ik gewoon fantastisch mooi. Het is een gezinsdrama.’

Glunderend: ‘En gister bij dat zoom-gesprek bleek dat Porter onze opzet heel geslaagd vindt.’

In een sober, hermetisch decor, tombe en een wachtkamer ineen, staan Derwig, Mensah en Scholten voortdurend met z’n drieën op toneel: de vader geïmplodeerd, en de jongens, nou ja, jongens. Samen vormen ze een moederloze microkosmos, waarin algauw de kraai luidruchtig zijn intrede doet. In Whiens enscenering blikken de drie als het ware terug op die gekke periode van rouw, waardoor ze het herbeleven. Dat gebeurt met veel energie: met verhalen, spelletjes, geplaag en geruzie, dans en live muziek. De makers noemen het een bonte avond van rouw.

Whien: ‘En de grootste klus die wij moesten klaren was natuurlijk: er ís helemaal geen kraai. Maar de personages hebben hem heel levensecht ervaren. Dat heb je toch soms als je aan je jeugd terugdenkt? Dat je je iets heel levendig herinnert, ook al is het niet gebeurd?’

In hun voorstelling veranderen alledrie de personages afwisselend in ‘kraai’, al naar gelang hun behoefte of gesteldheid. Maar meestal is het de keurige vader die transformeert tot vuilbekkende vogel. Dan recht Derwig zijn rug en zet zijn borst uit. Zijn haar gaat in de war, zijn ogen staan scherp. Waar de vader sloft, huppelt en danst de kraai. En hij spreekt, pesterig, uitdagend, met een lage, hese stem. Kraai komt altijd een beetje adem tekort.

Derwig: ‘Hij is de nar, de clown, de grote ontregelaar. Hij zet dat hele huis op z’n kop. Dat is natuurlijk heerlijk om te spelen.’

Acteur en regisseur praten vaak over wat dat nu precies betekent, in niet-overdrachtelijke zin. Wat gebeurt er in het gezin als ‘kraai’ opeens opduikt?

Whien: ‘Ik denk dat de jongens ervaren dat er in hun vader iets openbarst, dat hij onbekende, ontregelende emoties beleeft. Dat onderzoeken wij. Wat voor man was hij als hij ‘kraai’ werd? Hoe onvoorspelbaar of uitzinnig was hij op zo’n moment?’

Derwig vult aan: ‘Dit is een man die in zijn hoofd leeft, die alleen maar literatuurwetenschappelijke boekjes zit te schrijven. Als zijn vrouw sterft, is hij in shock: niets beweegt, hij is als bevroren. Totdat opeens die kraai opduikt. Dat beest jaagt hem op de kast, laat hem lachen, maakt hem kwaad. Godzijdank, want anders was hij totaal geïmplodeerd. Kraai maakt dat hij weer kan voelen.’

De onderliggende vraag is, volgens Whien: zie je rouw als een soort virus waartegen je je moet beschermen, of iets dat je toelaat, ook als het lelijk of beangstigend is?

Als je ‘ja’ durft te zeggen op dat laatste, zegt hij, dan is rouw/kraai je beste vriend. ‘De vader in het boek zit niet op kraai te wachten, maar laat hem toch toe. Omdat hij weet dat het uiteindelijk goed voor hem zal zijn.’

Voor de makers is hun voorstelling zowel een lofzang op de kindertijd als een ode aan het vaderschap. Whien heeft twee zoontjes van 3 en 5 (met actrice Hannah van Lunteren), Derwig een zoon van 17 en een dochter van 13 (met actrice en scenarioschrijver Kim van Kooten).

Whien: ‘Jij denkt bij het spelen toch ook aan je kinderen?’

Derwig: ‘Continu.’

Dit stuk doet hem soms denken aan de periode dat hij er kort na de geboorte van zijn dochter thuis even alleen voor stond, vertelt hij. ‘Kim was ernstig ziek en moest in het ziekenhuis worden opgenomen. Toen kwam ik net als deze vader in een vreemd soort twilight zone terecht van geregel en geredder, en nooit weten of je het goed doet. Ik sliep slecht, want deed alle nachtvoedingen, maar was ook obsessief aan het werk, omdat ik elke minuut dat ik niet bij de kinderen kon zijn, optimaal wilde besteden. Dus ik herken wel een beetje wat die vader doormaakt: hoe ontregelend het is als een pijler in het gezin wegvalt.’

Whien: ‘En wat mij in het boek zo ontroert is hoeveel geduld die jongens hebben met zijn geploeter. Ze geven hem alle ruimte voor zijn worsteling, stimuleren die zelfs. Dat is pijnlijk herkenbaar in een ouderkindrelatie: dat kinderen de kracht hebben om af en toe hun ouders te dragen. Ze helpen hun vader vooruit als die weer eens…’

Derwig: ‘Z’n hakken in het zand zet, en zegt: ik wil er niet aan.’

Whien: ‘En dat gaat ook gewoon vanzelf, omdat het kinderen zijn, die doorleven, en plezier maken. Er zit een zin in het stuk… Je moet me even helpen, Jacob, met die blindedarmontsteking?’

Zonder te haperen citeert Derwig: ‘De vanzelfsprekendheid waarmee ze lief voor me zijn doet pijn als een blindedarmontsteking. Ik kan wel in elkaar krimpen van de pijn omdat ze zoveel liefde geven terwijl ze totaal geen input krijgen van mij.’

‘Kinderen zijn heel zelfvoorzienend’ vult hij aan. ‘Die kunnen gewoon liefde geven…’

Whien: ‘Als jij het zelf niet terug kan geven.’

Dat weet hij uit ervaring: bij Whien is het vaderschap nauw verweven met rouw. Vijf jaar geleden stierven kort na elkaar zijn ouders: zijn vader overleed onverwacht aan een hartaanval, waarna zijn moeder besloot niet meer verder te leven. ‘Mijn zoontje werd geboren, en drie maanden later overleed mijn vader. Toen stierf mijn moeder een jaar later, en kort daarop werd mijn tweede geboren. Dat was een totaal bizarre tijd.’ Grappend: ‘Maar ik kan het iedereen aanraden.’

Hij bedoelt dit: kort na de geboorte van een kind verkeer je even in een andere wereld, een soort vierde dimensie. ‘Het is heel groot, intens en zwaar, en voelt heel levend. De rouw paste daar op een heel natuurlijke manier ook in.

‘Ik denk dat iedereen wel herkent dat als je iets ergs meemaakt, dat heel diep en echt kan voelen. Dat is ook wat dood en rouw kunnen doen. Dood maakt gewoon…’, hij knipt met z’n vingers, ‘wakker.’ Er zitten ook mooie kanten aan rouw.’

Derwig is die ervaring tot nu toe gelukkig bespaard gebleven, zegt hij. ‘Maar dit is een goede oefening. Ik ben nog nooit zo ontroerd geweest tijdens het spelen van een voorstelling.’

Dat zijn regisseur een persoonlijke verbintenis heeft met het onderwerp voegt een extra betekenislaag toe, denkt hij. Tegen Whien: ‘Bij deze voorstelling vond ik het fijn dat jij in elk geval het kompas goed had. Jij hebt tot je knieën in de rouw gestaan, en mede daardoor is dat hier diep menselijk en herkenbaar.’

Ze praten samen veel over het onderwerp. ‘Maar ik heb het gevoel dat jij veel verder bent in je leven, omdat jij al zoveel meer rouw hebt verwerkt.’

Jacob Derwig Beeld Eva Roefs
Jacob DerwigBeeld Eva Roefs

Derwig vertelt over het angstige moment dat de vader van Kim (Kees van Kooten, red.) een hartaanval kreeg, ‘nota bene op het schoolplein.’ Hoe hij vervolgens de kinderen van school haalde, en ze moest vertellen dat hun opa - ‘Epi’, noemen ze hem thuis – een zware operatie onderging, en het niet zeker was of hij dat zou overleven. ‘Waarop mijn zoon zei: ‘Maar ik kan Epi nog helemaal niet missen.’ Wat zeg je dan, als vader? Toen besefte ik: ik ben daar nog helemaal niet klaar voor.’

Whien: ‘En toch ook wel, denk ik. Mijn ervaring is eigenlijk dat het vanzelf gaat. Het ontrolt zich voor je. Als je niet met je hakken in het zand gaat, is het best gemakkelijk. Het gebeurt gewoon.’

Mensen zijn vaak bang voor dood en rouw, heeft hij gemerkt. ‘Alsof degene die het overkomt in één keer een inktzwarte diepte in flikkert. Maar ik zit gewoon ergens in een kamer met vrienden, erover te praten, soms te huilen, dan weer te lachen. En het gaat allemaal stap voor stap. Je hoofd werkt ook wonderlijk hè? Als een geliefde dood gaat, kan je daar niet meteen de volledige omvang van zien. Stukje bij beetje, per dag, per maand, manifesteert zich de hele ijsberg. Je groeit erin. Daar kun je op vertrouwen.’

Het is een beetje zoals kijken naar de sterren, dan overzie je ook niet de volle omvang van het heelal. ‘Goddank, want dat zou een verlammende existentiële hoogtevrees geven. Het is te groot. Zoiets geldt voor rouw ook: het is een, groot zwart gat.’

Derwig: ‘Daarom is kunst ook zo waardevol, die kan je even in die diepte laten kijken. Deze voorstelling is een oefening voor het publiek om met dood en rouw om te gaan. Zoiets kortstondig in een veilige context ervaren is heel heilzaam.’

Whien: ‘Zoals het toedienen van een klein beetje gif kan werken als medicijn. Door het toe te laten, geneest het.’

Verdriet is het ding met veren van Max Porter bij Theater Rotterdam. 19, 20 en 21 april (uitverkocht). Op 23/5 is via TR de online versie te zien.

Jacob Derwig

Jacob Derwig (51) behoort tot de beste en succesvolste Nederlandse acteurs. In zijn prijzenkast prijken drie Gouden Kalveren, naast de toneelprijzen Arlecchino en Louis d’Or (twee). Van 2005 tot 2012 speelde Derwig vast bij Toneelgroep Amsterdam (nu ITA). In 2008 ontving hij uit handen van Pierre Bokma de Paul Steenbergen Penning, de toneelspelersprijs die hij in 2018 doorgaf aan collega Eelco Smits. Hij was te zien in talrijke films en series, waaronder In therapie, Penoza, Klem, Alles is familie, Publieke werken en Bankier van het verzet.

Erik Whien

Regisseur Erik Whien (43) maakt geraffineerde, psychologisch subtiele, diep menselijke voorstellingen. Hij behoorde tot de artistieke leiding van Toneelgroep Oostpool, en regisseert nu onder meer bij Theater Rotterdam en Het Nationale Theater. Recente succesvolle voorstellingen waren Revolutionary Road bij TR en Sea Wall en Krapps laatste band bij HNT. In 2019 boekte hij artistiek succes met Becketts Eindspel, gespeeld door Hans Croiset en René van ’t Hof. De Volkskrant gaf vijf sterren en noemde Eindspel ‘een voorstelling waarom je moet lachen om maar niet te hoeven huilen’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden