J.L. van der Pauw - De bombardementen op Amsterdam-Noord

De Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord waren het doel, maar bij de bombardementen werden vooral burgers gedood. Hadden de geallieerden beter kunnen weten?

Historici zijn milde mensen. Voor historische tragedies zoeken zij niet primair naar schuldigen, maar naar oorzaken en omstandigheden in een poging te verklaren en te begrijpen. Zo ook J.L. van der Pauw, wiens aangrijpende studie naar de bombardementen door de geallieerden op Amsterdam-Noord in juli 1943, vandaag, exact 66 jaar na dato, verschijnt. Toch is er aanleiding om van schuld te spreken. Voor die boude bewering draagt Van der Pauw in zijn aangrijpende relaas voldoende belastend materiaal aan.

Op zaterdagmorgen 17 juli 1943 stijgen in het Engelse Suffolk in alle vroegte 44 zware bommenwerpers van het type B-17 op en zetten, geladen met 440 zware brisantbommen, koers naar het Oosten. De zogeheten ‘vliegende forten’ zijn onderdeel van de in Engeland gestationeerde United States Army Air Force (USAAF), die in de strijd tegen Duitsland samen met de Britse RAF bombardementvluchten boven West-Europa uitvoert. Voor de eenheden die erop uit worden gestuurd is het hun eerste operatie. Doel ervan is de Fokkerfabriek aan de Papaverweg in Amsterdam-Noord, die in dienst is van de Duitse oorlogsindustrie en aan de vernietiging waarvan de geallieerde bevelhebbers hoge prioriteit hebben gegeven.

De gezagvoerders hebben de strikte order om alleen te bombarderen als het doelwit met het blote oog goed waarneembaar is. Omdat er van grote hoogte – tussen de zes en de zeven kilometer – zal worden gebombardeerd, kan er van een precisiebombardement, zoals de omschrijving ‘high altitude precision bombing’ suggereert, eigenlijk geen sprake zijn.

Even voor negenen blijkt het zicht boven Amsterdam-Noord beperkt door zware bewolking. De commandant in het voorste vliegtuig die met het afwerpen van zijn bommen de volgers het signaal moet geven met bombarderen te starten, besluit – indachtig de instructie – zijn luiken dicht te houden. Een toestel ter rechterzijde meent het doel echter wel te zien en laat op eigen houtje zijn bommen vallen, waarop de rest van de formatie achter hem hetzelfde doet.

De gevolgen zijn rampzalig. Alle bommen komen ver van de Fokkerfabriek terecht. Geen enkele bom treft doel. De ravage in Noord is enorm. Afgezien van een emballagefabriek zijn uitsluitend woonwijken getroffen: de Van der Pekbuurt en het westelijk deel van de Vogelwijk. Er vallen 186 doden – 185 burgers en één Duitse militair – en 104 zwaargewonden. ‘Van je vrienden moet je het hebben’, sneert de gelijkgeschakelde pers de volgende dag.

Het is niet de eerste keer dat het misgaat. In Eindhoven vielen in december 1942 138 doden bij een luchtaanval op de Philipsfabriek, waarbij een deel van de bommenlast der geallieerden op woonwijken terechtkwam. En op 31 maart 1943 was het weer raak toen bommen, bestemd voor oorlogsindustriële doelen, op (bewoond) Rotterdam-West vielen, met ruim 400 doden als resultaat. Vijf dagen later, op 5 april, gebeurde hetzelfde in Mortsel nabij Antwerpen waar in plaats van de beoogde vliegtuigfabriek een dichtbevolkte woonwijk werd getroffen, met maar liefst 936 doden tot gevolg. Men was dus gewaarschuwd dat de term ‘precisiebombardementen vanaf grote hoogte’ een innerlijke tegenstrijdigheid bevat.

Maar de Nederlandse regering in ballingschap geeft ook na 17 april geen krimp en neemt genoegen met schriftelijke excuses van het Air Ministry en de reprimande die General Eaker de bemanning van de vlucht op Noord geeft voor ‘promiscuous and inaccurate bombing’.

Om het ongehavende Fokker als nog te treffen, besluit men het op 25 juli opnieuw te proberen. De actie wordt ditmaal uitgevoerd door de Britse Royal Air Force (RAF), met middelzware bommenwerpers, die een afworp van geringere hoogte en met meer precisie mogelijk maken. Om drie uur die zondagmiddag worden de bommen boven de vliegtuigfabriek gelost. Negen van de tachtig bommen treffen het Fokkercomplex en richten aanzienlijke schade aan. Van de overige vallen er 26 op bewoond gebied waarbij vier burgers omkomen.

De operatie is in zoverre geslaagd dat Fokker voor even uit de running is, maar van een totale vernietiging is geen sprake. Nog voor de de geallieerden een gedetailleerd beeld hebben van de werkelijke schade, besluiten zij tot een derde bombardement. Dit maal worden naar Engeland uitgeweken Franse vliegeniers van het zogeheten ‘Lorraine Squadron’ met de taak belast. Net als voor de uitvoerders van de operatie van 17 juli is het hun eerste missie.

Op woensdagmorgen 28 juli, even over negenen, lossen de twaalf lichte Boston-bommenwerpers van een hoogte van 4.110 meter en bij uitstekend zicht hun 48 brisantbommen. Niet een ervan treft doel. Zelfs de Duitsers zijn in verwarring. Zij vragen zich af waar de aanval dit maal op gericht was. Niet op de werf van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij, een kilometer ten noordwesten van Fokker, die 19 bommen te verstouwen krijgt en ook niet de zwavelzuurfabriek van Ketjen, twee kilometer ten oosten daarvan, die door vier wordt geraakt, laat staan de Van der Pekbuurt, die door de rest opnieuw zwaar wordt getroffen en waar 17 doden en 22 zwaargewonden te betreuren zijn. De bevolking vlucht massaal naar de overkant van het IJ.

Zijn de mislukte bombardementen op Noord te beschouwen als onvermijdelijke bedrijfsongevallen of is hier sprake van verwijtbaar falen? Wie Van der Pauws conclusie leest, neigt tot het laatste. Was het geen nonchalance om tot twee maal toe onervaren squadrons met de taak te belasten? Was het misplaatste eerzucht of ongedisciplineerdheid om op 17 juli de instructie slechts bij goed zicht te bombarderen te negeren? Ernstiger is dat, door de ervaringen in onder andere Eindhoven, Rotterdam en Mortsel, ook de hogere echelons zich bewust moeten zijn geweest van de risico’s van het op grote hoogte uitvoeren van zware bombardementen.

Dat men er weinig van heeft opgestoken mag blijken uit het RAF-bombardement op het Haagse Bezuidenhout in maart 1945 (circa 550 doden), en de geallieerde ‘vergissingsbombardementen’ die op 22 februari 1944 Enschede, Arnhem en Nijmegen zouden treffen. In Nijmegen vielen daarbij bijna 800 doden. Achtergrond en naweeën van dát bombardement zijn beschreven in het eerder dit jaar verschenen Nijmegen ’44 – verwoesting, verdriet en verwerking van Joost Rosendaal (Vantilt).

J.L. van der Pauw: De bombardementen op Amsterdam- Noord – Juli 1943. Boom, 144 pagina’s, € 19,50. ISBN 978 90 8506 739 9. De bombardementen worden vandaag om 15 uur herdacht op de Noorderbegraafplaats in Amsterdam- Noord, aansluitend is daar de boekpresentatie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.