Review

Iván Fischer maakt orkestklank helder en levendig

Aan alles is te horen dat Iván Fischer Mozart hoog heeft zitten. Hij maakt de orkestklank helderder en levendiger dan de meeste dirigenten. Het eerste bedrijf was absoluut betoverend. Maar Die Zauberflöte is een berucht lastige opera om te ensceneren, en er ontstonden toch wat lege plekken.

Het podium van het Concertgebouw wordt tijdens Die Zauberflöte een soort operabühne.

Bij dirigent Iván Fischer gaat het allemaal net even anders. En dat hoor je. Bijvoorbeeld als hij in Mozarts Requiem de koorzangers van Collegium Vovale Gent verspreid door het orkest opstelt, waardoor zang en instrumenten een geheel vormen. En je merkt het aan alles wanneer hij het orkest in de zaal zet, voor het podium, dat in Die Zauberflöte een soort operabühne wordt.

De in Amsterdam woonachtige Hongaar Fischer was twee dagen te gast in het Concertgebouw met het door hem opgerichte Boedapest Festival Orkest. Het minifestival was geheel gewijd aan muziek die Mozart componeerde in 1791, zijn laatste levensjaar - muziek die bijna al het voorgaande overtreft in lyriek, subtiliteit en zeggingskracht.

Een leuke verrassing was de niet zo bekende aria Per questa bella mano, waarin Zsolt Fejérvári de hoge fladdernootjes van de voorgeschreven solocontrabaspartij met vanzelfsprekend gemak aanvlijde tegen de wat pompeuze zang van bas Hanno Müller-Brachmann. Na deze amuse trad Ákos Ács aan als solist in het Klarinetconcert, dat een bijzonder verzorgde uitvoering beleefde, joyeus en gevoelvol ondersteund door het orkest. Omdat het Requiem is voltooid door Mozarts leerling Süssmayrheeft het tegen het eind altijd een dipje.

Mezzogeluid

Markant was, als gezegd, de fusie van het orkest en het koor dat glorieerde in het Dies Irae en het Rex tremendae. Sopraan Norma Nahoun heeft een wat meisjesachtig stemmetje, anders dan Barbara Kozelj met haar gave mezzogeluid. Tenor Bernard Richter trok net als Müller-Brachmann af en toe erg stevig van leer.

De volgende avond echter namen ze in Die Zauberflöte revanche als Tamino en Papageno, de beste zangers in een cast die plezierige, maar verder geen heel opvallende prestaties leverde. Bijzonder is dat Fischer zich met deze productie, waarmee hij Europa bereist, tevens als operaregisseur doet gelden. De manier waarop het Concertgebouw tot operahuis was getransformeerd was heel knap. Op een groot projectiescherm verscheen een levensecht prentenboek met prachtige tekeningen van Margit Balla, die als decor fungeerden.

Slim was ook dat Fischer voor de gesproken passages Nederlandse acteurs als dubbelgangers van de zangers inzette (die hij eerst zogenaamd uit het publiek rekruteerde). De kleurige kostuums en de ogenschijnlijk uit beschilderd bordkarton bestaande decorstukken sloten nauw aan bij de illustraties.

Mozarts laatste jaar

Mozarts laatste jaar, door het Boedapest Festival Orkest e.a. o.l.v. Iván Fischer. 17/5 en 18/5, Concertgebouw, Amsterdam.

Muzikaal effectieve ingeving

Maar het bleef niet bij projecties alleen, want ook de ruimte achter het scherm werd gebruikt, zodat de musici menigmaal de orkestbak in en uit slopen: een logistiek ingewikkelde, maar muzikaal bijzonder effectieve ingeving. En aan het einde van beide aktes ging het scherm ook nog omhoog, zodat de ruimte zich visueel én akoestisch opende.

Aan alles is te horen dat Fischer Mozart hoog heeft zitten. Hij maakt de orkestklank helderder en levendiger en neemt tempi net wat pittiger of bedaarder dan de meeste dirigenten.

Het eerste bedrijf was absoluut betoverend.

Maar Die Zauberflöte is een berucht lastige opera om te ensceneren: in de tweede helft ontstonden toch wat lege plekken. Dat had natuurlijk vooral te maken met die gesproken passages, maar ook met de eigenlijk nogal saaie geprojecteerde silhouetten die nu iets te vaak de plaats innnamen van de illustraties. Maar het slot, waarbij het scherm opnieuw omhoogging en hogepriester Sarastro probeerde het stokje van Fischer over te nemen, was toch weer een triomf.

Vrijmetselaars

Die Zauberflöte biedt een wonderlijk mengsel van sprookje en symboliek. Dat komt doordat Mozart en zijn librettist Emanuel Schikaneder allebei lid waren van de vrijmetselaarsbeweging. De proeven die Tamino en Pamina moeten ondergaan, verwijzen naar de inwijdingsriten van een vrijmetselaarsloge. Zo zouden de plechtige, herhaalde akkoorden waarmee de opera begint en die op sleutelmomenten terugkeren, een verklanking zijn van de klop op de deur waarmee de leden van de loge zich kenbaar maakten. Het werd de makers van de opera indertijd kwalijk genomen dat ze deze geheimen hadden prijsgegeven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.