Inwijding in het leven vanaf het ziekbed

Een saaie ambtenaar lijkt de dood tegemoet te gaan: geen stof voor een energieke roman, deze nachtkaars. Maar Marlene van Niekerk slaagt erin de ambtenaar nieuwe levenskracht te schenken....

Wonderlijk boek, dit Memorandum van Marlene van Niekerk. Maar ook wonderbaarlijk. Wat zich aanvankelijk laat lezen als een moeizaam gewrochten tekst, het kleurloos opgetekende verslag van de laatste maanden van een doodsaaie ambtenaar, blijkt uiteindelijk een schat te zijn, boordevol leven en stemmen. Er is schrijversmoed voor nodig, zoals Gustave Flaubert die had een personage te scheppen zonder belangrijke inzichten of, zonder interessante geschiedenis, zonder grote passies, dat toch iets van een held krijgt.

Een held op ziekenhuispantoffels wellicht, maar toch onvergetelijk, omdat de wereld die hij de lezer gaandeweg voortovert onvergetelijk is.

De alleenstaande heer Johannes Frederikus Wiid, directeur Stadsverfraaiing, -reiniging en -instandhouding, held in de traditie van Flauberts Bouvard en Pécuchet, besluit aan de vooravond van een nieuwe ziekenhuisopname de staat op te maken van zijn leven. Eerder werkte hij nauwkeurig een memorandum uit waarin hij de verschillende richtingen schetste die zijn leven kan gaan na de gevaarlijke operatie die hem morgen wacht. In keurige tabellen schetste hij het verloop van ziekenhuisopname, operatie, en daarop volgende dagen.

Daarbij onderscheidde hij twee scenario’s. In het ene zou hij na een kort ziekbed sterven, in het andere zou hij wellicht nog een aantal maanden te gaan hebben. Dit memorandum nu herlezende constateert hij dat er iets wezenlijks aan ontbreekt. Het heeft geen stijl, geen muziek, geen onderliggende toon die de blote feiten tot een verhaal aaneensmeedt en adem geeft. Tot een verhaal dat verteld wil worden en gelezen.

Hij had nog een tweede memorandum geschreven met woorden en begrippen uit allerlei verschillende disciplines, nauwgezet, dat wel, maar eerder toch een allegaartje, een rommelzolder van woorden en ideeën, opnieuw zonder verband. Maanden geleden had hij het onsamenhangende, raadselachtige gesprek gevolgd van twee mannen die met hem een nacht – hun laatste? – doorbrachten op de intensivecare-afdeling van het ziekenhuis. Met zijn opmerkelijke notulistengeheugen had hij wat voor hem geheimtaal was in zich opgenomen en na zijn ontslag uit het ziekenhuis had hij bijna dagelijks een bezoek gebracht aan de plaatselijke bibliotheek om met steun van de bibliothecaris te duiden wat hij die nacht had opgevangen. Al speurende naar betekenis en roerende in tal van wetenschappen en disciplines is hij recent tot de ontdekking gekomen dat die hakkelende, ijlende, doodzieke mannen hem en zijn leven onbewust en onbedoeld richting hebben gewezen. Op hun sterfbed, en in het zicht van zijn eigen overlijden, hebben zij een gat geslagen in zijn dorre ambtenarenheelal en de poorten van de wereld wijd geopend.

Die blijkt ineens vol wonderen, rare kennis, inzichten, geluiden, vergeten betekenissen.

Zo vlak voor wat misschien wel zijn definitieve ziekenhuisopname is, acht hij het tijd te proberen uit de wonderlijke smeltkroes van teksten die hij die nacht met steeds grotere bevreemding beluisterd heeft de zin te puren, alsof die vreemde verhalen samen een soort gedicht, gezang of gebed vormen. Dit definitieve memorandum is het verslag van zijn speurtocht door de bibliotheek en tegelijkertijd van zijn bijna triomfantelijke inwijding in het leven dat hij voor het eerst leert aanraken met iets van overgave.

Als jongen imiteerde hij volwassenen, zonder zelf te bestaan. Als ambtenaar notuleerde hij betekenisloze zinnen of hij maakte ze betekenisloos, ongevaarlijk. Ontheemd en onteigend, zo valt zijn leven, tot dit moment, samen te vatten, eigenlijk zonder een authentieke ervaring. En dan blijken de beide stervende mannen in hun wonderlijke samenspraak, diep in de godvergeten nacht van het ziekenhuis, juist de verwording van het leven, de onteigening van onze leefwereld tot aan de uiterste grenzen te verkennen. Dichters en schrijvers, onderzoekers en denkers citerende, spelende met allerhande kennis, kritiseren zij de wijze waarop we onze steden inrichten.

Wiid eindigt zijn memorandum met een passacaglia, de ontroerende samenvatting van zijn nieuw gewonnen levenskunst, die ook een ars moriendi is. Grandioos die pagina’s, een ode aan de bezonkenheid en aan een verhevigde waarneming tegelijkertijd. Hoe te leven? Hoe de hand uit te steken naar een ander? Beter dan hier kan dat niet worden opgeschreven.

Henk Pröpper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden