Intimiteiten op papier

Wie de brieven van Gustave Flaubert aan Louise Colet heeft gelezen, herinnert zich ongetwijfeld die pot jam waarmee hij zijn geliefde vergelijkt, en waarin hij wegzakt, en die pantoffels waarop de schrijver in Croisset op een nacht nog eens een blik werpt. 'Oh', schrijft Flaubert aan zijn elf jaar oudere muze, 'die zullen mij nooit verlaten! Ik geloof dat ik evenveel van ze hou als van jou. (. . .) Ik snuif er de lucht van op, ze ruiken naar verveine en geuren naar jou zodat mijn hart zwelt.'

Bijna elf jaar na die aandoenlijke pantoffel-brief stuurt Flaubert zijn vriendin een laatste poststuk. 'Mevrouw', klinkt het nu, 'ik heb vernomen dat u gisteren in de loop van de avond de moeite hebt genomen bij mij aan te bellen. Ik was er niet. En uit vrees voor de beledigingen mijnerzijds die u zich door een dergelijke hardnekkigheid uwerzijds op de hals zou kunnen halen, gebiedt de wellevendheid mij u te zeggen, dat ik er nooit zal zijn.' En hij besluit: 'Ik heb de eer u te groeten.'

De meeste brieven die Flaubert aan haar richtte, zijn bewaard gebleven; met de antwoorden die Louise schreef heeft haar nichtje vermoedelijk de kachel aangemaakt. Hoe vollediger zou ons beeld zijn van die onstuimige liefde als we ook Colets brieven nog hadden kunnen lezen. Want nergens vind je meer confidenties dan in heftige briefwisselingen.

Je kunt je geen wereld voorstellen zonder brieven, zonder goede zielen die brieven schrijven, zonder andere zielen die ze lezen en ervan genieten, zonder weer die derde zielen die ze van deze naar gene brengen, een wereld zonder afzenders, zonder geadresseerden en zonder postbodes. De brief, zegt de Spaanse dichter Pedro Salinas in Defensa de la carta misiva y de la correspondencia epistolar ('Pleidooi voor de brief en de correspondentie per brief'), is 'op z'n minst net zo'n waardevolle uitvinding als het wiel in de geschiedenis der mensheid'. Maar worden, in een tijd van gsm, e-mail en sms, nog wel spannende brieven geschreven? In de wereld van Salinas, die stierf in 1951, verdrongen telegrammen de brieven. In zijn pleidooi voor de brief heeft hij het over een gebiedend, heerszuchtig opschrift op de gevel van een telegraafkantoor, 'een peloton van letters', op militaire toon: wire, don't write, schrijf geen brieven, stuur telegrammen.

Meestal tref je in zulke getelegrafeerde berichten weinig geestige of vileine opmerkingen aan, geen overpeinzingen of scherpzinnigheden, geen lezenswaardige epistolaire listen en lagen. E-mails zijn zakelijk; de brief is intiem. Het schrijven van brieven is een kunst en een denkoefening. Cicero schreef vele brieven aan zijn ouders en zijn vrienden, filosofen kozen de briefvorm voor hun geleerde verhandelingen, zoals Epicurus of Seneca; zijn hele leven uitte Erasmus zich in brieven en Voltaire verstuurde meer dan zestig jaar lang bijna elke dag een lange brief.

In zijn twee jaar geleden verschenen studie en bloemlezing Quand l'Europe parlait français onderzocht Marc Fumaroli 'de l'Académie française' die typische Franse appetijt voor het converseren en het schrijven van bespiegelende of galante brieven. Bijna alle geleerden, schrijvers en vorsten van Europa spraken toen Frans, van Amsterdam tot St.-Petersburg, van Berlijn tot Lissabon. De brief was in de 18de eeuw, 'dé eeuw van de conversatie', het vehikel bij uitstek voor de voortzetting van het salongesprek. Dat deden later Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir eigenlijk ook: ze lunchten in het Parijse restaurant La Coupole, lazen hun kranten en keuvelden wat, gingen dan naar huis en schreven vervolgens elkaar een brief.

De 17de-eeuwse markiezin en schrijfvaardige femme savante Marie de Rabutin-Chantal, de vrouw van de markies Henri de Sévigné, zegt Benedetta Craveri in La civiltà della conversazione, dat onlangs in het Frans is vertaald, organiseerde ooit een regelrechte epistolaire competitie tussen haar en haar neef, Roger de Rabutin, graaf de Bussy. Ze noemden hun probeersels en hun schrijfsels rabutinages.

Al op haar 25ste was ze weduwe; haar man Henri, markies de Sévigné, overleed na een duel om een minnares. Haar hele verdere leven heeft madame de Sévigné aan haar kinderen gewijd én aan de literatuur. Ze schreef haar dochter Françoise-Marguerite de Sévigné, gravin de Grignan, brieven met het allerlaatste nieuws uit Parijs - drie door haar biograaf Roger Duchêne bezorgde delen in de prestigieuze Bibliothèque de la Pléiade.

In de vertaling van Ben Rekers: 'Het hof is verrukt over de bruiloft van de prins de Conti en mademoiselle de Blois. Ze houden van elkaar als in een liefdesroman.' En: 'Ik vertelde je vorige keer over het kapsel van madame de Nevers en hoe ver de kapster Martin deze mode heeft voortgezet.' En in weer een andere brief: 'Het is nu eindelijk achter de rug. La Brinvilliers zweeft door de lucht. Haar arme lichaampje is na de executie in een ontzaglijk groot vuur geworpen en haar as is door de wind meegevoerd (. . .).' Of nog: 'Er is iets tragisch gebeurd in Livry. Herinner je je die zogenaamde devoteling die zijn hoofd niet durfde om te draaien? Ik zei altijd dat het net was alsof hij er een glas water op droeg. De devotie heeft hem nu gek gemaakt: op een nacht heeft hij zich vijf of zes messteken toegebracht en helemaal naakt en bebloed is hij toen midden in zijn kamer op zijn knieën gevallen.'

In zijn herziene biografie, met citaten uit de dit keer ongecensureerde en ongekuiste brieven, vertelt Duchêne het verhaal van die correspondentie. Tijdens haar leven is geen enkele brief gepubliceerd; ze heeft ook niet voor haar nalatenschap gezorgd. Haar brieven echter gingen door vele handen en bij het schrijven dacht ze ongetwijfeld aan haar bestemmelingen en lezers. Madame de Sévigné hanteerde een precieuze conversatiestijl; haar brieven zijn met grote zorgvuldigheid geschreven. In haar handen werd alles literatuur. Joseph de Maistre, zelf een groot briefschrijver en bewonderaar van de markiezin, merkte ooit eens op dat hij haar dochter eigenlijk wel had willen trouwen 'om alle brieven van de moeder als eerste te hebben mogen ontvangen en lezen'. En Marcel Proust wilde het liefst de eeuwigheid ingaan in haar gezelschap.

De brief is een gehalveerd gesprek, geen tête-à-tête maar een lastig karwei. Je schrijft niet in de salon, in een luie stoel of bank, maar gezeten aan de schrijftafel of staand - zoals Denis Diderot. De filosoof en encyclopedist schreef vele tientallen brieven aan zijn geliefde Sophie Volland. 'Ik zal u beschrijven, mijn beste lieve, hoe onze dagen hier verglijden', verzucht hij op 20 oktober 1760. En dan rapporteert hij, vel na vel, twaalf kantjes, hoe het in de salon toeging aan tafel. Hij vertelt over de gasten, over hun vriend, de baron Grimm, en de abbé Galiani, over madame Rodier, 'die in het donkerrood was, wat haar niet stond'. De baron, noteert Diderot, zei haar: 'Nee maar, lieve zuster, u bent zo mooi als een paasei!'

Zo'n gehalveerd gesprek is iets wonderlijks. 'Ziet u maar wat een kronkelpaden we hebben gevolgd', aldus Diderot aan Sophie, 'net zo grillig en verward als de koortsdromen van een ijlende zieke. Maar toch, zoals alles samenhangt in de geest van een dromer of een gek, ook in een gesprek is alles met elkaar verweven (. . .).' Maar wie weet is alles fictief, zegt vertaalster Anneke Brassinga in het nawoord van de Brieven aan Sophie. Er zijn geen antwoorden van Volland; ook geen portret van haar. Er is wel eens geopperd dat die brieven voor ons, voor het nageslacht, zijn geschreven. Het is een afgeronde liefdesgeschiedenis, begin en einde van de correspondentie hebben iets heel vanzelfsprekends. Bij Diderot is de aangeschrevene niet langer het natuurlijke eindpunt - de al dan niet verzonnen brieven van Diderot zijn uitgesproken literair.

De roman in briefvorm was een populair genre. Voor beschrijvingen en als didactische verhandelingen waren zulke brievenromans al sinds de 16de eeuw heel gebruikelijk. Pascal schreef Lettres provincales en Montesquieu Lettres persanes, Swift Drapier letters en Samuel Richardson Pamela, or Virtue Rewarded, Rousseau La nouvelle Héloise, Goethe Die Leiden des jungen Werthers en Betje Wolff en Aagje Deken Sara Burgerhart.

In Choderlos de Laclos' beroemde brievenroman Les liaisons dangereuses, zegt Joke J. Hermsen in haar onlangs verschenen Heimwee naar de mens - Essays over kunst, literatuur en filosofie draait het allemaal om wraak, wraak en nog eens wraak. 'Vanaf de eerste brief die de markiezin de Merteuil aan de burggraaf de Valmont stuurt, krijgt de lezer de volgende les ingeprent: de liefde is een puur machtsspel. Als je buit door een ander wordt ingepikt, is er voldoende reden voor wraak.' Behalve over Laclos heeft Hermsen het ook over de epistolaire bravoure van Betje Wolff en Belle van Zuylen, over nagelaten brieven van Friedrich Nietzsche, Lou Andreas-Salomé en Sigmund Freud, én over Flaubert die zich in zijn brieven opwindt over Colets nieuwe minnaar, 'die driedubbele hansworst', de dandy en dichter Alfred de Musset.

'De liefde komt niet in de eerste plaats', citeert Hermsen uit een van Flauberts brieven. Liefde hoort in de achterkamer thuis. 'Er zijn in het zielenleven andere, belangrijkere dingen (. . .). Dus als je de liefde als een hoofdgerecht van het bestaan beschouwt: nee. Als saus: ja.' Literatuur was voor Flaubert erotiek. 'Er vloeit iets dieps en buitengewoon wellustigs uit me op, in geconcentreerde stralen, als een zaadlozing van de ziel', schrijft hij aan zijn vriend Bouilhet. En hij geeft hem ook raad: 'Bewaar je losbandigheid voor de stijl, naai je inktpot!'

In e-mails of andersoortige kattebelletjes neemt misschien gaandeweg die haast erotische lust om je in mooie volzinnen uit te drukken af. En toch verschijnen, ook in Nederland, ondanks e-mail en sms, nog steeds in keurige briefvormen gegoten oprispingen en opwellingen, liefdesverklaringen, wraakoefeningen en andere epistolaire erupties: brievenboeken van Reve of venijnige epistels van Brouwers, smachtende liefdesbrieven van Morriën, gekunstelde Venetiaanse reisbrieven van Meijsing, aangrijpende kampbrieven van Hillesum, historische correspondenties bij Haasse en brieven uit Nergenshuizen van Paul de Wispelaere.

'E-mail', schreef Henk Hofland in een van zijn columns, 'is de geschreven vorm van fast food'. Woordgebruik en zinsbouw zijn tot de essentialia gecomprimeerd. Vroeger bestond de epistolaire prestatie uit een reeks van omslachtige handelingen, 'vel in de schrijfmachine draaien, of als je het met de hand deed, met reserve je ongeoefend handschrift bekijkend, dan naar een envelop zoeken, postzegel, brievenbus - een halve dagtaak'. Misschien levert de elektronische post alsnog opwindende literatuur op.

Er wordt hoe dan ook weer meer geschreven. E-mail heeft het geschreven woord gered. In haar roman Nemo, opgeschreven volgens een procédé dat in wezen niet van de klassieke brievenroman verschilt, liet Monika Sauwer zien hoe je ook met de stijl en met de grammatica van e-mails een epistolair en literair talent zou kunnen zijn.

In maart 1997 schrijft Renate - voorheen René - Stoute 'een brief aan een oude jas vol stenen', een openhartig geschrift over haar geslachtsveranderende operatie. Ze staat voor de spiegel en richt haar blik 'op mijn meidenpiemel'. Morgen is ze dat aanhangsel kwijt. 'En daarmee, oude kwelgeest, was jouw lot voorgoed bezegeld.' Die brief heeft ze nooit verstuurd, wel gepubliceerd, in het literaire tijdschrift Maatstaf, een nummer dat geheel was gewijd aan nooit verstuurde schrijversbrieven.

De toon van zo'n brief is wellicht openhartiger en gevoeliger dan memoires of dagboeken. Dat komt omdat je iemand aanspreekt. Maar je kunt natuurlijk in brieven ook liegen, zoals Voltaire dat onophoudelijk deed. Hij schreef zijn brieven niet altijd op de data die er boven staan. Maar wie neemt hem dat kwalijk? De brieven van Voltaire, noemde Hugo Brandt Corstius - toen het dertiende en laatste deel van zijn correspondance in de Bibliothèque de la Pléiade verscheen - 'de mooiste van de wereld'. Al tijdens zijn leven werden Voltaires brieven voorgelezen, gekopieerd, vervalst, besproken en bewonderd.

Sommigen uiten hun hartstochten in felle brieven, bij anderen is de briefstijl strak, met een strenge betiteling en titulatuur. Soms is de toon van een brief ook zuur of giftig, saai en kleurloos. Belle van Zuylens neef Willem maakte zich in zijn brieven aan haar dikwijls schuldig aan Hollandse, conventionele plichtplegingen. Zelf ging ze zo ver ze maar kon in de intimiteit op het papier. Toen die deftige stijl van een of andere brief haar bij het lezen weer een keer vreselijk tegenviel, antwoordde ze hem berispend: 'Cher Willem, ne keuvelez pas.'

Joke J. Hermsen: Heimwee naar de mens - Essays over kunst, literatuur en filosofie.
De Arbeiderspers; 247 pagina's; euro 19,95.
ISBN 90 295 1553 8.
Benedetta Craveri: L'âge de la conversation.
Gallimard, import Nilsson en Lamm; 486 pagina's; euro 28,50.
ISBN 2 07 076352 8.
Roger Duchêne: Madame de Sévigné.
Fayard, import Nilsson en Lamm; 690 pagina's; euro 32,55.
ISBN 2 213 6127 65.
Jacqueline Duchêne: Place Royale - Le roman de la mère de Madame de Sévigné.
J.C. Lattès, import Nilsson en Lamm; 221 pagina's; euro 18,.
ISBN 2 7096 2457 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden