Interview trio Young Fathers: knuffelaars met een missie

De macho staat te kijk op het jongste album van de Schotse band Young Fathers. ‘Het beeld van de man in rock en hiphop is zo star.’

Young Fathers, gefotografeerd in Bristol voorafgaand aan een concert, Maart 2018. Foto Alex Atack

Hoe de muziek van Young Fathers te duiden? Noem het maar pop. Doen zij ook. Kayus Bankole: ‘Niet omdat we nou zulke poppy muziek maken, maar omdat pop zo’n inclusief containerbegrip is dat wij er ook onder vallen.’

Je zou anders hiphop kunnen proberen. Ja, er wordt gerapt op de platen van Young Fathers, maar net zo vaak ook gezongen; zeker op het onlangs verschenen album Cocoa ­Sugar. En de muzikale inbedding is behoorlijk atypisch voor hiphop. In een nummer als Wow doen kille synths denken aan het rudimentaire elektronische geluid van Krautrock. Rock misschien? Er scheurt wel eens een elektrische gitaar voorbij, maar in Lord zijn daar een pingelpiano en gospelkoor op gestapeld. Turn heeft dreigende ­tribale drums, Border Girl neigt naar electrofunk en de beat van See How klinkt alsof iemand een herhaaldelijk een stalen lade dichtsmijt, waarna een koortje aan het eind van het nummer verzachtende heling biedt.

Young Fathers is niet in een genre te vangen. Al hebben de sluipende ritmen en de gefluisterde raps iets bezwerends, waardoor je ze – vooruit – zou kunnen vergelijken met een band als Massive Attack.

Die warsheid van genres en het talent om uit de meest uiteenlopende bouwstenen een prikkelend, toegankelijk geheel te smeden maken het trio uit Edinburgh een van de spannendste Schotse acts van nu.

Het debuutalbum Dead van Kayus Bankole (Nigeriaanse ouders, geboren in Edinburgh), Graham Hastings (geboren en getogen in Edinburgh) en Alloysious Massaquoi (als kind uit Liberia gevlucht naar Edinburgh) kreeg in 2014 de Britse Mercury Prize voor het beste Britse album van het jaar. Het trio leverde zes nummers voor de soundtrack van Danny Boyles hitfilm T2 Trainspotting en toerde samen met de Britse muziekgiganten van Massive Attack.

In een concertzaal in Bristol proberen Bankole en Hastings uit te leggen waarin het herkenbare van het Young Fathers-geluid schuilt. Maar de drie dertigers, vrienden sinds ze elkaar als 14-jarigen ontmoetten in de Bongo Club, een hiphopclub voor tieners in Edinburgh, volgen geen pasklare recepten als ze hun liedjes maken.

Hastings, die de meeste muziek voor zijn rekening neemt: ‘We kennen geen vast proces, we werken op intuïtie. We voelen aan waar een song naar toe moet, zonder dat we erover praten. We hebben ook geleerd dat tegenstellingen opwinding teweeg kunnen brengen. Zaken die aan de uiteinden van het muzikale spectrum liggen bij elkaar voegen en uitvogelen hoe je ze kunt laten werken; je raakt er op een gegeven moment verslaafd aan.’

Het trio laat uitersten meesterlijk rijmen. Confronterend agressieve gitaren en kille elektronica lossen meer dan eens op in gracieuze, catchy refreintjes en soulvolle koortjes.

Als er één constante is op Cocoa Sugar – de titel verwijst naar de combinatie van bitter en zoet – dan schuilt die in de teksten. Het wemelt op het album van de slechte mannen. Vaak als sprekend personage opgevoerd, zoals op de single In My View. Bankole rapt: ‘I really wanna take your honour. I’m writing blank cheques. I’m a greedy bugger.’ (Ik wil je onteren. Ik schrijf blanco cheques. Ik ben een inhalige klootzak.) En in Wow declameert een mannenstem (Massaquoi), verstoken van elke emotie, dat hij zichzelf op de eerste plaats zet. Een cynisch achtergrondkoortje gaat van: ‘Ego, giving me what I need.’

Het voelt als maatschappijkritiek, maar zonder dat je kunt vastpinnen waar de teksten precies over gaan.

Hastings: ‘Dat komt omdat we niet met het vingertje willen wijzen. Veel op dit album gaat over het kwaad dat machtige mannen aanrichten. Als je daar iets over wilt zeggen, kun je beter vanuit het perspectief van een ‘right horrible fucking bastard’ zingen dan dat je een protestsong schrijft. Protestsongs als concept zijn versleten. Net zoals ­antibiotica worden ze steeds zwakker hoe vaker je ze gebruikt,  mensen luisteren niet meer naar je.’

Ze zetten sowieso vraagtekens bij het beeld van ‘de echte man’, of dat nu goed is of slecht. Dat de man niet mag huilen is getuige de tekst van See How achterhaald en achterlijk want, zoals de vaders zingen: ‘I’ve ­always seen brave men filled with ­tears.’ (Ik heb moedige mannen met tranen in hun ogen gezien.) In zo’n beetje alle uitingen van Young ­Fathers, van songtekst tot platenhoes, wordt gespeeld met het machobeeld in rock en hiphop.

In de video van een ouder nummer als Shame bijvoorbeeld: een opgefokte Britse lad rent met een bebloede kop door een grijs, industrieel landschap. Iemand is hier overduidelijk op zoek naar ruzie. Midden in het nummer ontlaadt de agressie zich. Niet in een matpartij maar in een solodans die evengoed rauw als gracieus is.

En dan schuwen de leden van de band ook de lichamelijke aanhankelijkheid niet. Op bandfoto’s is het te zien: hier haakt een hand in een arm, daar rust een hoofd op een schouder.

Hastings: ‘We voelen ons op ons gemak in elkaars fysieke nabijheid.’

Bankole: ‘Ik ben een superknuffelaar. Als we op tournee zijn, omhels ik mijn collega’s geregeld.’

Het roept wel eens vragen op.

Bankole: ‘Gisteren, na ons concert, wilden drie mensen iets weten over mijn seksualiteit.’ Hij zet verbaasde ogen op. ‘Who cares?’

Hastings: ‘Tuurlijk zijn we ons bewust van onze intimiteit. Maar pas als we commentaar krijgen van mensen om ons heen, beseffen we weer eens hoe we afwijken van de norm.’

Ze tarten niet moedwillig het bestaande beeld van mannelijkheid?

Hastings: ‘Nee, dat niet. Dat zou te makkelijk zijn. Je strijkt mensen haast vanzelf tegen de haren in, omdat bestaande opvattingen over mannelijkheid zo star zijn in rock en hiphop.’

Volgens Bankole gaat het erom alle facetten van jezelf, of het nu agressie of tederheid is, te accepteren en te tonen. ‘Ik weet nog goed dat ik opgroeide met het idee dat ik als jongen altijd stoer en sterk moest zijn. Toen ik G (Graham) en Ally (Alloysious) in de Bongo Club ontmoette, waren ze met elkaar aan het dansen. Voor mij was dat ondenkbaar. Maar toen ik me er ook in stortte, voelde het als een bevrijding. Dit maakte ook deel van me uit.

‘Zoiets gaat voorbij aan traditie of verwachtingspatronen. Daar hebben we een bloedhekel aan. Zo’n acceptatie betekent een verrijking, net zoals de tegenstellingen in onze muziek een coherent geheel vormen. Tegenstellingen maken je compleet. Ze maken je menselijk.’

Young Fathers: Cocoa Sugar (Ninja Tune)

7/4 Paradiso Noord, Amsterdam

Op voorgaande albums is het sociale engagement van Young Fathers evidenter dan op Cocoa Sugar. Hun tweede album heet White Men Are Black Men Too. Het leek erop dat het trio, met de titel en het nummer Old Rock ‘n Roll, de bron van de albumtitel, zich wilde distantiëren van een beeld van de witte man als universele dader en de zwarte man als universeel slachtoffer. Maar het trio heeft het cryptische statement nooit toegelicht. De uitspraak diende als ‘een positieve insteek voor een discussie over racisme en discriminatie die in alle openheid gevoerd moet worden’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.