Internationaal Boekenbal

Na het verschijnen van zijn Verzameld Werk bij de Duitse uitgever Suhrkamp is Cees Nooteboom niet achterover gaan zitten om die acht prachtbanden verzaligd te strelen alsof het werk een prematuur sluitstuk was....

Tumbas heet het boek, ‘misschien wel vanwege de vrolijke klank die dat woord in het Spaans heeft’. Waarmee is aangegeven dat deze ommegang langs de mondiale reservaten van woordloosheid niet tot somber ondergangsgemompel leidt, maar eerder een vitale excursie is van een schrijver die zijn levenslange bronnen van inspiratie dank zegt.

Dode schrijvers spreken namelijk nog steeds, zegt Nooteboom in het inleidende essay. De luttele versteende woorden op hun graf roepen een werveling aan citaten en levende beelden wakker, en een bezoek aan hun tomben is de voortzetting van een gesprek, tussen die schrijvers en deze schrijvende lezer.

Tumbas is een reis die ook een hommage vormt, een virtueel museum van bewonderde schrijvers door de eeuwen heen, en tevens (door middel van citaten, kenschetsen van oeuvres en persoonlijkheden) een verkenning van het hoofd en hart van Cees Nooteboom, een inleiding op zijn eigen wijdvertakte werk.

Via de band spelend deelt Nooteboom ook af en toe een steekje uit. Bij het graf van Kawa-bata in Japan herinnert hij zich de brief die Mishima in 1961 aan het Nobelprijscomité in Stockholm schreef om Kawabata voor de prijs aan te bevelen, ‘een vorm van collegialiteit waar de meeste schrijvers geen last van hebben’. Het werkte, want Kawabata kreeg zeven jaar later de Nobelprijs.

Dat zullen we een Mulisch nog niet zien doen, dat die laten we zeggen Nooteboom schriftelijk aanbeveelt in Stockholm. Maar het is ook de vraag of diens verkapte ergernis tot zijn Herenclubgenoot zal doordringen, aangezien Mulisch er prat op gaat dat hij zich nimmer in het werk van tijdgenoten verdiept. Door weg te kijken kun je de concurrentie van de deur houden.

Of het door Nootebooms selectie komt of niet, opvallend is hoeveel schrijvers, allen scheppers van oninwisselbare oeuvres, uiteindelijk toch weer in elkaars nabijheid zijn neergelegd. Bladeren door Tumbas is op die momenten het bijwonen van een postuum, internationaal Boekenbal.

Sartre en De Beauvoir rusten onder één steen (op Montparnasse), Goethe en Schiller naast elkaar (in Weimar), als om uit te drukken dat de onderling uitgewisselde brieven en de talloze ontmoetingen slechts een voorbereiding waren op hun eeuwige hereniging. Maar ook Leopardi en Vergilius kunnen elkaar fluisterend verstaan (in Napels), Ezra Pound en Joseph Brodsky (op San Michele bij Venetië), en Adriaan Roland Holst en Lucebert (in Bergen, waar trouwens ook Du Perron ligt).

Pessoa kon Nooteboom niet vinden, wat vreemd is, want die heb ik zelf in 1995 in Lissabon nog een saluut gebracht. In Tumbas wordt de schrijver op de dodenakker weggestuurd door een wachter: ‘Nee, Pessoa is hier niet meer, die is weggegaan.’ Wat Nooteboom deze mooie gedachte ingeeft: ‘Ik zag het voor me, hoe de man van de beroemde tekening met zijn snor, zijn hoed en zijn lange wapperende jas door de wijde poort naar buiten was verdwenen en op weg naar zijn nieuwe graf waarschijnlijk even café A Brasileira had aangedaan.’ De kampioen der heteroniemen blijkt nog altijd niet voor één gat te vangen.

Soms geven de stemmige foto’s van Simone Sassen, los van Nootebooms commentaar, aanleiding tot een mijmering. Hé, Drummond de Andrade (in Rio de Janeiro) stierf in 1987 twaalf dagen na zijn vrouw.

Ach, de moeder van Charles Baudelaire (op Montparnasse) overleefde haar zoon bijna vier jaar. Wat ligt Robert Louis Stevenson er schitterend bij (op een berg op het eiland Upolu, Samoa), boven het ‘groene, stomende regenwoud, en daarbuiten, als een oneindige omarming, de Stille Oceaan’.

En hoe vreemd dat James Joyce (Zürich) er als beeld bij staat, met beslagen bril, sigaretje in de hand, wandelstok tegen de lange dunne benen.

Ze zijn er dus nog, al zijn ze dood. Met een paar scherpe herinneringen tekent Nooteboom portretten van Mary McCarthy en Thomas Bernhard, maar heeft ook oog voor minder klassieke namen als Emmanuel Bove en Pierre Kemp.

Of de arme Peruaanse dichter César Vallejo, van wie Nooteboom ‘lang geleden, toen het destijds door intellectueel Nederland zo gesmade Avenue nog bestond’, al enkele gedichten vertaalde. Boodschap begrepen.

Er mag één criticus meedoen: Charles-Augustin Sainte-Beuve, die in zijn dagen oppermachtig leek, postuum door Proust op zijn nummer werd gezet, omdat hij de openbare persoonlijkheid van de schrijver als toegang tot het werk gebruikte, een misvatting die ‘tot aan de dag van vandaag in de secundaire wereld van de literaire feuilletons doorwerkt’. Sainte-Beuves konterfeitsel torent op een zuil boven iedereen uit, maar is ‘een mengsel tussen een lijdende Sokrates en een faun die te laat uit een nachtmerrie ontwaakt is’.

De criticus die het allemaal weer niet snapte, en misprijzend vanaf zijn sokkel de bijziende ogen toeknijpt: voorgoed met die grimas te moeten voortbestaan is een lot dat Nooteboom zijn criticasters denkelijk van harte gunt.

De laatste dode staat in het dankwoord achterin. Daar worden de vrienden opgesomd die, naast de uitputtende website www.findagrave.com (dat uitsluitsel geeft over Pessoa: hij is verkast naar het Jerónimos-klooster), zo behulpzaam waren Nooteboom en Sassen naar de verlangde rustplaatsen te sturen: ‘Fons Rademakers, Collevecchio’ – geen denker of dichter, wel een acteur en regisseur die onder meer Hermans (geen graf) en Mulisch (gaat nooit dood) heeft verfilmd.

Rademakers stierf nadat dit boek was voltooid. Op een volgende tocht zal Nooteboom hem zeker gedenken.Arjan Peters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden