Ingewijd in de liefde op pagina 21

Aan sommige boeken van je jeugd bewaar je een onuitwisbare herinnering. Maar valt de magie van toen nu nog te begrijpen?...

Ik was 10 en tot over mijn oren verliefd. In mijn klas zaten genoeg leuke meisjes – Marianne Prins met haar blonde vlechten, Tineke Molhoek, die zulke fijne verhalen verzon – maar geen van hen kon tippen aan Marion, de heldin van Het paard zonder hoofd. Ik had het boek geleend uit de bibliotheek, op goed geluk, omdat ik het omslag zo opwindend vond. Daarin komt een onthoofd speelgoedpaard-op-wielen van een helling bolderden, bereden door een straatschoffie dat met een woeste grimas het halsgat omklemt.

Paul Berna, een broodschrijver die tussen 1957 en 1973 een boek per jaar produceerde, schreef Le cheval sans tète als detectiveverhaal voor kinderen, in 1955. Het werd in twintig landen vertaald, beleefde twee verfilmingen, en is in Frankrijk nog altijd in druk. Van de intrige herinner ik me weinig, maar net als in een Maigret-verhaal zijn sfeer en personages minstens zo belangrijk. En die raakten me zo, dat ik ervan droomde zelf in Louvigny-Triage te wonen, de fictieve provinciestad waar het ruikt naar kolenstook en armoe, en waar een derdehands appelschimmel het kostbaarste stuk speelgoed is van de vriendenclub van André Joye, ‘de moeilijkst toegankelijke van alle geheime bendes van Louvigny-Triage’.

Berna schildert het clubje 10-jarigen als stadsnomaden in de dop: ze leven op straat, hebben geen sou en delen onverwachte meevallers (met z’n tienen één sigaret). Ze hebben ook weinig op met volwassenen, zoals de marktkoopman Roublot, die zogenaamd groentemolentjes verkoopt maar in werkelijkheid een doortrapte boef is.

Zulke gehaaide straatkinderen was ik in jeugdboeken nog niet tegengekomen, laat staan dat er zomaar in gezoend werd – en uitgerekend door de onweerstaanbare Marion, de penningmeesteres van de club (met twaalf cent in kas), voor wie ik meteen als een blok was gevallen. Marion draagt een afgeknipt mannencolbert boven een grijs rokje, ‘zo kort als dat van een balletdanseres, waaruit haar lange benen staken, die zo dun en zo recht waren als twee stelten’, met een zwarte baret ‘die haar vaal en hard maakte’. Het mooiste: ze heeft altijd een sliert straathonden achter haar aan, ‘ruige, weerzinwekkend lelijke beesten’ met namen als Butor, Mataf en Mustafa, die ze met een geheimzinnig fluitje tussen haar tanden commandeert.

Door deze droomvrouw wordt clublid Fernand op pagina 21 ingewijd in de liefde: ‘Marion gaf haar vriendje een kus op zijn wang en rende met grote passen weg’ Mooiere zinnen had ik nog nooit gelezen, en betoverd las ik het vervolg – waarin voor mij het hele misdaadverhaal verdween: ‘Op de hoek van de Ceciliastraat keek ze nog eens om naar Fernand, en wuifde hem een laatste keer toe. Voor Fernand was deze heerlijke donderdag pas werkelijk afgelopen na die laatste vluchtige groet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden