Indringend is het lijden, rauw en kaal

De abt vond dat het tijd was de houtskooltekeningen van Albert Servaes eens uit zijn klooster te halen...

Van onze verslaggever Rob Gollin

Zo uitgemergeld was Christus zelden afgebeeld. ‘Een uitgehongerde chimpansee’, luidde een kwalificatie. De Romeinse Curie zag duivelse invloeden. Zeker drie keer telde de Heilige Stoel zes tenen aan de voet van de lijdende figuur op weg naar Golgotha. 666 is volgens de Openbaring van Johannes het getal van het Beest, de Antichrist. En Simon van Cyrene, die Jezus helpt het kruis te dragen, heeft twee hoofden. Het tweekoppige Beest in hoogsteigen persoon.

De Getekende Kruisweg (1919) van de Vlaamse expressionist Albert Servaes (1883-1966) hing dan ook nauwelijks zeven maanden in de kapel van Luithagen, een voorstadje van Antwerpen, toen de veertien houtskooltekeningen in maart 1921 op last van het Vaticaan aan het oog van biddende parochianen werden onttrokken. Ongeschikt als devotiestuk, was het oordeel. Maar deze week, precies 90 jaar na vervaardiging, zijn ze na omzwervingen in Haarlem en Tilburg teruggekeerd in kerkelijke omgeving – zij het tijdelijk, en ook nog in de voormalige protestantse Grote Kerk in Breda, waar vandaag officieel de tentoonstelling Weg van Passie wordt geopend.

De abt van het trappistenklooster Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven in Berkel-Enschot vond dat het er maar van moest komen. Servaes’ schepping hangt er sinds 1952 op de gang. Inspiratiebron voor de broeders, maar onzichtbaar voor onbevoegden. ‘Zeker elke week krijgen we een verzoek om ze te mogen zien’, zegt Bernardus Peeters.

Dat zijn monniken de staties in weerwil van het Vaticaanse decreet als devotiestuk gebruiken, sluit Peeters niet uit. ‘Maar als gemeenschappelijke oefening bidden we de kruisweg niet.’ Of het dictaat uit 1921 nog geldt, is trouwens de vraag. De Romeinse index van verboden voorwerpen is aan het begin van de jaren zeventig opgeheven. Abt Bernardus: ‘Verbod of niet, religieuze kunst roept nu eenmaal devotie op. Maar het is in de eerste plaats een geweldig kunstwerk. Het lijden is zo indringend uitgebeeld. Je kunt geen toeschouwer blijven. Je wordt meegetrokken.’

De Getekende Kruisweg was onmiddellijk omstreden. De diepgelovige Servaes, expressionist uit de vroege Latemse School, kreeg de opdracht van de bevriende pater Jerôme uit het Karmelietenklooster in Luithagen. Het werk botste frontaal op de destijds gebruikelijke traditie van kruiswegstaties. Geen kleurrijke verf, maar houtskool. Een vierkante vorm in plaats van langwerpig, naar het uitspansel reikend. Wars van alle opsmuk, en zo tegenpool van de volle landschappen, gevuld met symbolen en metaforen. Schetsend, zoekend, ver weg van gedetailleerd lijnenspel.

‘Het lijden is rauw en kaal uitgebeeld’, zegt beeldend kunstenares Marie José Eijkemans, samensteller van de expositie in Breda. ‘Dat is zonder twijfel beïnvloed door de ellende van de Eerste Wereldoorlog. Servaes werkte onder het kanongebulder bij Ieper.’

Het verklaart volgens haar ook waarom het werk zo hard aankwam in Vlaanderen. De wonden van het slagveld lagen nog open. Maar er zouden ook prozaïsche redenen voor het protest zijn geweest. Een Vlaamse prelaat in Rome manifesteerde zich als motor van de weerstand. Zijn schilderende broer kreeg destijds veel opdrachten van de kerk in België. Eijkemans: ‘De inzet was ook het behoud van een monopolie op de christelijke kunst. Dat kon je niet laten aantasten door zo’n ongeschoolde kunstenaar als Servaes.’

Niet dat deze alleen stond. Vanuit Nederland kwam er steun van Titus Brandsma, Karmelietenpater en hoogleraar. Hij schreef meditaties bij de staties. Exposities in beide landen moesten leiden tot meer begrip. Tevergeefs: het werk keerde terug in het atelier van Servaes en kwam in het bezit van een privéverzamelaar in Haarlem. Een Tilburgse textielbaron kocht de tekeningen begin jaren vijftig van diens weduwe, om ze vervolgens af te staan aan het klooster in Berkel-Enschot. Maar iets van het werk zou zich toch nestelen in de samenleving: de twaalfde statie – Christus gestorven aan het kruis, sterk naar voorbeeld van het Isenheimer Altar van Matthias Grünewald (ca.1470-1528) – verscheen als afbeelding in talloze Vlaamse huiskamers.

Lopend langs de staties in de Grote Kerk wijst Eijkemans op elementen die het los van de religieuze beleving tot een bijzonder kunstwerk maken: de gebogen lijn in de gewaden die overal terugkeert, de consequente richting van het gedragen kruis, de evenwijdigheid van ledematen, het oplichten van handen. ‘Het raakt telkens de essentie. Niets lijdt de aandacht af van het verlossende lijden.’

Is de kapel in Luithagen geen geëigender plek voor het kunstwerk dan de kloostergang in Berkel-Enschot? Abt Bernardus: ‘Dat zal nog niet zo eenvoudig zijn. De tekeningen waren in de kapel bevestigd aan speciaal gemetselde muurtjes. Die zijn inmiddels gesloopt. Bovendien staat het werk in Nederland op de lijst van beschermde kunstvoorwerpen. Nee, ik zou het gewoon maar hier laten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden