Indonesische pers moet wennen aan vrijheid

De nieuwe minister van Informatie schrapte de gehate mediawet. De regering van Indonesië legt de pers niets meer in de weg....

Gerrit de Boer

'HEREN IK sta aan uw kant. Ik zal u niet teleurstellen.' Met die woorden introduceerde luitenant generaal Yunus Yosfiah zich vorig jaar mei, vlak na zijn benoeming als minister van Informatie, aan de Indonesische pers. De reacties waren sceptisch. Hoe kon iemand uit het personvriendelijke leger, die bovendien werd verdacht van betrokkenheid bij de dood van vijf journalisten in Oost-Timor in 1975, de persvrijheid in Indonesië garanderen?

Maar de vrees bleek onterecht. Yunus schrapte de gehate, en onder voormalig president Soeharto veel misbruikte verordening uit 1984, die de minister van Informatie de macht gaf een druk- of uitzendvergunning voor onbepaalde tijd en op zeer vage gronden in te trekken. Het verkrijgen van een vergunning om een nieuw medium op te zetten is veranderd van een zenuwslopend en handenvol geld kostend proces in een simpele en kostenloze procedure. Als gevolg hiervan is het aantal publicatie- en uitzendvergunningen gestegen van 289 naar meer dan duizend.

Als het aan minister Yunus ligt is het einde nog lang niet in zicht. 'Als we dit land willen ontwikkelen is het aantal van duizend nog verre van afdoende', zei hij in februari. Hoogwaardigheidsbekleders die klagen over gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef van de pers snoert hij de mond door te verklaren dat deze meer goed doet dan kwaad. En als klap op de vuurpijl pleit hij voor afschaffing van zijn eigen ministerie, dat hij overbodig acht en typisch voor een totalitair regime.

'Yunus heeft ons zonder meer verrast', zegt Dadang, secretaris-generaal van de onder Soeharto verboden Alliantie voor Onafhankelijke Journalisten AJI. 'De vrijheid van de pers is groot en het ministerie van Informatie progressief.' De AJI heeft zelf ook geprofiteerd van de nieuwe wind. De minister toonde zich vanaf het begin voorstander van de oprichting van onafhankelijke belangenorganisaties voor de media naast de door de vroegere regering erkende en monopolistische Associatie voor Indonesische Journalisten (PWI). Ondertussen bestaan er meer dan dertig en is ook de AJI officieel erkend.

De Indonesische pers heeft volop gebruik gemaakt van de verworven vrijheid. Misstanden in het land worden uitvoerig en uiterst openhartig aan de kaak gesteld. Aanvallen op personen, onder Soeharto uit den boze, zijn aan de orde van de dag. Zelfs president Habibie krijgt er in de redactionale kolommen regelmatig van langs, evenals het leger. Zucht naar sensatie is daarbij onvermijdelijk, zeker in een land waar roddel de nationale hobby is en waar de competitie om de gunst van het publiek zo snel is gegroeid. Maar volgens minister Yunus zal dat probleem zich vanzelf oplossen omdat lezers net als in het Westen zullen leren onderscheiden welke media ze kunnen vertrouwen en welke niet.

Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Het afleggen van de jarenlang in acht genomen (zelf)censuur gaat gepaard met aanpassingsproblemen, vooral bij de visuele media. Niet alleen de staatstelevisie maar ook de commerciële stations drijven voor hun berichtgeving nog veel op mededelingen van ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders. Voor onafhankelijke en diepgaande achtergrondreportages over de problemen in gebieden als Oost-Timor, Irian Jaya of Ambon moet de kijker nog altijd uitwijken naar buitenlandse stations zoals ABC uit Australië, de BBC en CNN.

'De televisie kan zich alleen richten op het nieuws en laat weinig ruimte voor analyse', verdedigt Desi Anwar zich. Anwar is een prominent nieuwslezeres van en producente bij het commerciële station RCTI (nog steeds eigendom van de tweede zoon van Soeharto, Bambang Triatmojo). 'Kranten en weekbladen nemen standpunten in. De televisie kan dat alleen als er beelden zijn die het standpunt onderschrijven. Daarnaast zijn de genoemde gebieden te ver weg. Wij hebben geen tijd en geld voor lange reportages.'

Dadang van de AJI: 'De beperkingen liggen niet meer bij het ministerie van informatie. De eigenaren van mediabedrijven begrijpen nog steeds niet wat persvrijheid inhoudt. Zij denken aan winst- en verliescijfers en beïnvloeden daarmee direct en indirect de inhoud van de informatie. Wat we nodig hebben is een statuut voor de pers en een ethische code waarin de redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd. In het geval van problemen moeten de betrokken partijen zich kunnen wenden tot een eveneens nog ontbrekende onafhankelijke persraad.'

Dadang wijst verder op een aantal wellicht nog belangrijkere zaken, die totale persvrijheid in de weg staan. Journalisten vormen regelmatig het mikpunt van intimidaties en geweld. In Oost-Timor vielen pro-Indonesische burgermilities onlangs het kantoor aan van de plaatselijke krant, Suara Timor Timor, omdat de journalisten in hun ogen te veel sympathie koesteren voor de onafhankelijkheidsbeweging. In Jakarta sloegen militairen in op journalisten die het agressieve gedrag van de ordetroepen tijdens een studentendemonstratie probeerden vast te leggen. En zo zijn er nog meer voorbeelden.

Ook het salaris van journalisten is over het algemeen verre van toereikend. Veel journalisten zien zich gedwongen geld aan te nemen - het uitreiken van enveloppen met inhoud tijdens persconferenties of interviews is heel gewoon in Indonesië - of bijbaantjes te zoeken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook dat staat onafhankelijkheid en professionaliteit in de weg.

Ondanks de toegenomen vrijheid is de cultuur nog grotendeels geënt op het verleden toen woorden als 'verantwoordelijkheidsbesef' en 'landsbelang' discussies over de rol van de pers domineerden. 'Journalisten worden nog altijd beïnvloed en gemanipuleerd door de politiek, door media-eigenaren en door de massa. Naast de al genoemde invoering van een persstatuut en een persraad liggen daar onze priorioteiten in de nabije toekomst', zegt Dadang. Volgens hem moeten er landelijke loonschalen komen en een goede regeling voor de bescherming van journalisten. Dat zal veel tijd kosten omdat Indonesië in een diepe economische crisis verkeert en invoering van goede regelgeving alleen niet voldoende is.

Dadang: De macht van media-eigenaren is zo groot door de hoge werkloosheid. Journalisten kunnen eenvoudig worden ontslagen als ze te veel geld vragen of zich verzetten tegen beinvloeding. Vele anderen staan te trappelen om hun plaats in te nemen. En bescherming van journalisten is alleen dan gegarandeerd als het belang van onafhankelijke verslaggeving door iedereen wordt ingezien en wetten die hun bescherming garanderen worden geïmplementeerd. Er is nog een lange weg te gaan voordat hier totale persvrijheid heerst.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden