Indië als bezit en herinnering

CENTRAAL op de traditionele titelprent van het 18de-eeuwse supernaslagwerk Oud en Nieuw Oost-Indiën zit een gekroonde vrouwenfiguur, die blijkens het bijgevoegde gedicht 'de maatschappij der geurige Oosterlanden' moet voorstellen. Haar zetel wordt geschraagd door de Nederlandse leeuw. Die 'schiet blixems uit zyn oog en dreigt, met scherpe tanden, al wie haar handel stoort'. En om haar heen wemelt het van veelbetekenende emblemata: het 'betulband Asie' dat zijn schatten aanbiedt, de Waarheid die het gordijn voor een duister verleden wegtrekt, halfnaakte slaven, een zwartgerokte predikant, en onderin, te midden van aanbiddelijke cherubijntjes, een serafijn die psalm 107, vers 23-24 gedicteerd krijgt: 'Er waren er die met schepen de zee bevoeren, die handel dreven op de grote wateren. Zij zagen de werken des Heren en zijn wonderen in de diepte.'

Een adembenemend tafereel van Hollandse verwatenheid.

Maar het ging François Valentyn, 'onlangs bedienaar des Goddelyken Woords in Amboina, Banda. enz.', tenslotte ook om de beschrijving van 'Nederlands mogentheyd in die gewesten'.

Mogentheyd te lezen als macht.

In de jaren dat Oud en Nieuw Oost-Indiën verscheen (1724-1726), was de Gouden Eeuw weliswaar al voorbij, maar daar hadden de tijdgenoten nog amper weet, laat staan last van, het Nederlandse handelsmonopolie in Zuidoost-Azië was trouwens nog vrijwel onaangetast, en de 'wydlustige' verhalen over de eilanden van de archipel, over z'n steden, z'n landschappen, z'n kostbaarheden en de eigenaardige zeden en gewoontes van z'n veelrassige bevolking, mochten nog blaken van heersersgevoel en bezitterstrots.

De facsimile-heruitgave van Valentijns tekst in acht (kunst)lederen folianten, die in hun omvang van 22 bij 39 bij 6 centimeter nauwelijks van het origineel verschillen, roept op z'n minst iets van dat politiek incorrecte sentiment terug. Er ontbreken natuurlijk een paar dingen aan het schitterend uitgevoerde initiatief van de Franeker uitgever Dingeman van Wijnen. Het leer is nog niet aangetast door pigmentvlekken, de banden zijn nog niet gebutst, de even muffe als inspirerende archiefgeur van oud papier snuif je nog niet op als je een deel openslaat. Maar dat zal in de loop der eeuwen allemaal wel terechtkomen. Bladerend door de reusachtige replica-exemplaren begrijp je in ieder geval wat je mist als je Valentijn in een paperback zou lezen. Het gewicht van zijn geschiedenis verdient boeken die je bijna niet kunt optillen.

De schrijvende dominee (1666-1727) geldt in de 'Indische' literatuur niet als een erg aangenaam personage, eerder als een nogal ijdele streber, een handige scharrelaar die zich niet ontzag het werk van voorgangers te plunderen en met hun veren te pronken, en bovendien als een chaoot, dat wil zeggen iemand die zijn ganzenveer nooit even liet rusten om enige ordening aan te brengen in zijn overvloedige vertelstof.

Maar juist vanwege die overvloed aan observaties, de rijkdom aan curiosa, anekdotes, zelfbeleefde avonturen, maar ook harde historische feiten en bijvoorbeeld heel exacte tabellen over alle retourvloten (inclusief de veronderstelde waarde van hun lading) die hij van 1597 tot 1724 wist te inventariseren - juist vanwege het fascinerende ratjetoe van wetenswaardigheid en ogenschijnlijk onbenul zijn z'n boeken een onmisbare bron gebleven voor onze kennis van het roemrijke VOC-verleden.

Het oude Indië dat we niet meer bezitten.

Het besef dat dat nooit meer zou terugkomen, lijkt te zijn doorgebroken op een moment dat we precies kennen. Zestig jaar geleden, 7 december 1942, hield koningin Wilhelmina vanuit Londen de memorabele toespraak waarin ze (met gezonde tegenzin, zoals we weten) aankondigde dat na de oorlog een vorm van 'intern zelfbestuur' zou worden gegund aan de rijksdelen overzee. Erg opzienbarend was de belofte op zichzelf nog niet eens. Opzienbarend was het feit dat het staatshoofd in de radioboodschap voor 't eerst van haar leven het woord Indonesië in de mond nam. Dat was een teken aan de wand: alsof ze het verleden al had afgeschreven.

Dat had ze natuurlijk niet. Dat had niemand in haar omgeving. Niemand in Londen wist dat een tien jaar eerder door het Nederlands gezag veroordeelde Indonesiër, genaamd Soekarno, in samenspraak met de Japanse bezetters werkte aan de meest extreme vorm van zelfbestuur die we kennen, namelijk de onafhankelijkheid. Hoe hadden ze dat ook moeten weten? Uit Azië ontsnapten geen Engelandvaarders.

Toen het betrekkelijk kort daarna definitief voorbij was met Nederlands mogentheyd in die gewesten, bleken we van Indië overigens nog lang niet af te zijn. Na de eeuwen van bezit kwamen er, in een aanzienlijk korter tijdsbestek, als het ware nog vier nieuwe 'lndiës' bij waarmee de samenleving, misschien wel veel intenser dan ze zich ooit om het koloniale rijksdeel had bekommerd, tot op deze dag bezig is geweest: het Indië van de Japanse bezetting en de Japanse interneringskampen; het Indië van de militairen die tussen 1946 en 1949 twee 'politie-oorlogen' en een vrijwel permanente guerrilla hebben uitgevochten om nog iets uit de verloren boedel te redden; het Indië waaruit enige honderdduizenden Nederlanders en Indische Nederlanders ten slotte toch voorgoed werden verbannen; en het Indië van de bitterzoete herinneringen die gekoesterd konden, maar vooral verwerkt moesten worden.

Elk van die Indiës heeft planken vol documenten, onderzoeken, evaluaties en wetenschappelijke beschouwingen opgeleverd, waarvan de meeste pas in de loop van de jaren tachtig zijn verschenen, Dat geldt meer speciaal voor de 'kampliteratuur'. De tamelijk vroege studies van Van Velden (1963, over de Japanse burgerkampen) en Beets (1981, over het lot van de krijgsgevangenen) werden gevolgd door een stroom aan individuele dagboeken, waarna het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie pas onlangs onder de titel De Japanse bezetting in dagboeken met de systematische publicatie begon van fragmenten uit de honderden, misschien wel duizenden verzamelingen aantekeningen die in die jaren door geïnterneerde mannen (maar vooral vrouwen) zijn aangelegd en bijgehouden: een documentenverzameling.

Al die ontboezemingen, van overwegend heel 'kleine', alledaagse aard, over eten en drinken, over ruzietjes en eenzaamheid, over wanhoop en vertrouwen, vormden het ruwe materiaal voor het proefschrift van Esther Captain met de mooie titel Achter het kawat was Nederland. Kawat is het Maleise woord voor de uit bamboematten gemaakte (kamp)omheining die met een ander woord gedek heette. Een vrouwelijke gevangene herinnerde zich jaren later: 'Er gebeurde iets merkwaardigs met mijn onbereikbaar Amsterdam. Het zat niet meer achter een onbereikbare wolk, het lag, gewoon met alles waar we naar verlangden, achter de omheining van het kamp waar we op uitkeken. Waar we in gedachten doorheen keken. En hoe! Amsterdarn is nooit zo mooi geweest als achter het gedek.'

Dat werd geschreven in 1995, het jaartal dat ook in Captains ondertitel figureert: Indische oorlogservaringen en - herinneringen 1942-1995. De kamptijd was voorbij in augustus 1945 - de ervaringen en herinneringen zouden ook een halve eeuw later nog onuitwisbaar blijken.

Even typerend aan het citaat is het verlangen naar Nederland. Het oude Indië is nooit een 'volksplanting' geweest. Jan Pieterszoon Coen had het al gewild, maar het zou altijd een illusie blijven: het moederland was er domweg te klein voor. Het relatief handjevol Nederlanders dat in de kolonie verbleef, was er in principe altijd tijdelijk: ze woonden er een poosje, en gingen weer terug, hun ankerplaats bleef - bij alle liefde voor de verre tropen waar ze de luxe genoten van hun blanke dominantie - het thuisland. Niet Indië, maar Nederland was patria. En niet Bandoeng of Medan of Makasar, vanwaar ze in 1942 naar kampen werden gedeporteerd, lag achter het kawat, maar Amsterdam.

De vernederende schok van de plotselinge gevangenschap in een land dat ze hun onvervreemdbare 'bezit' hadden gewaand, wordt door Captain in empathie, maar met gepaste distantie beschreven. Het onbegrip, de wrok, het gemis van de Indonesische bediende, de hoop dat de oude verhoudingen ooit hersteld zullen worden en het (zelf)beklag komen uitvoerig aan de orde. Maar meer dan de helft van haar boek is besteed aan de lange naoorlogse nasleep: de repatriatie naar het in dubbel opzicht kille moederland, het lange grote zwijgen, de geleidelijke publieke discussie over het beladen 'koloniale' verleden - al die fasen van verwerking kortom waarvan zelfs nu, bij een vergrijsde oud-Indische populatie, het allerlaatste hoofdstuk nog niet lijkt geschreven.

De zeer zorgvuldig gedocumenteerde dissertatie 'dubbelt' daar enigzins met de eerder dit jaar verschenen delen van de Stichting Onderzoek en Terugkeer en Opvang, die onder de titels Mensenheugenis en Binnenskamers meer speciaal aan die ervaringen waren gewijd.

Een tweede proefschrift, Last van de oorlog, de Nederlandse oorlogsmisdaden en hun verwerking, is een scherpzinnige reconstructie én analyse van minder oorbaar gedrag in de laatste periode van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Indonesië. 'Excessen' was het zwaarste woord dat het kabinet-De Jong er in 1969, na de onthullingen van Joop Hueting in een uitzending van Achter het Nieuws, op van toepassing wilde verklaren. Stef Scagliola gaat stap voor stap na hoe in dat jaar nogal haastje-repje de Excessennota werd geschreven, en wat daarin wel, maar vooral ook niet was opgenomen: de 'bewijslast' bijvoorbeeld uit de bijna negenhonderd brieven die bij Achter het Nieuws als reactie binnenkwamen en waarin talrijke officieren en soldaten nog met aanvullende aanwijzingen en eigen schuldbekentenissen kwamen.

Ook in Scagliola's voortreffelijke onderzoek speelt de nasleep een grote rol: het hele proces van opwinding, inkeer, schaamte, protest en de roep om 'erkenning', dat het openbare debat sinds 1950, en meer in 't bijzonder sinds 1970 heeft beheerst.

Een halve eeuw 'Indië' dat er eigenlijk niet meer was.

Hebben alle naoorlogse discoursen in die tijd de belangstelling voor het oude Indië een beetje helpen wakker maken? Mogelijk. En de herdenking van vierhonderd jaar Verenigde Oostindische Compagnie heeft daar in het afgelopen jaar zeker aan bijgedragen. Vandaar Valentijn. Vandaar een nieuwe editie van Rumphius' Ambonse Landbeschrijving, het boek waaraan Valentijn (in dit geval onder gedeeltelijke bronvermelding) zoveel heeft ontleend.

De blind geworden Rumphius, grote inspiratiebron van de romanschrijfster Maria Dermout, leefde als dienaar van de VOC op Ambon, waar hij in 1702 ook stierf, en al zijn werk (D'Amboinsche rariteitenkamer, Het Amboinsche kruidenboek, de Ambonse Historie) heeft in dienst gestaan van de even nauwgezette als lucide beschrijving van alles wat hij over heden en verleden van dat eiland door goeddeels eigen onderzoek te weten had kunnen komen.

Vandaar, ten slotte, het fraaie catalogusboek bij de tentoonstelling Nederlandse ontmoetingen met Azië 1600-1950, die nog tot februari volgend jaar in het Rijksmuseum valt te bezichtigen.

Eén ding hebben al die nieuwe uitgaven gemeen: ze zijn geschreven vanuit het Nederlandse gezichtspunt, tot en met Ewald van Vugts Zwartboek van Nederland overzee, al bezingt dat dan niet de heroïsche avonturen, maar betreurt het de schanddaden die van slavenhandel tot opiumkapitalisme onder Nederlandse verantwoordelijkheid moeten zijn bedreven; een boek als teken van Nederlandse boetvaardigheid.

Er is één uitzondering: Soekarno - The Founding Father of Indonesia 1901-1945. Een Engelstalige biografie van Nederlandse herkomst, maar geschreven zoniet vanuit een Indonesisch perspectief dan toch met een maximaal begrip voor wat de flamboyante stichter van de republiek Indonesië in zijn strijd om merdeka bewogen moet hebben. Het boek van Bob Hering, een man die zich als geen ander heeft verdiept in het politieke en sociaal-culturele klimaat van het 'revolutionaire' Indonesië, is in al z'n informatiedichte eenvoud een meer dan welkome aanvulling op de al te onvolledige en al te neerlandocentrische biografie van Lambert Giebels.

Ontdaan van alle demonisering die hem ooit tot het ideale schurkensymbool van veel Nederlands-Indische verongelijktheid maakte, komt Soekarno bij Hering tevoorschijn als het onvermijdelijke antwoord op de Hollandse verwatenheid uit Valentijns prachtige titelprent.

Francois Valentijn: Oud en Nieuw Oost-Indiën.
Facsimile-uitgaven in acht banden. (Tot dusver verschenen drie banden; voltooid in de loop van 2003). Van Wijnen; Intekenprijs ¿ 1132,-
De Japanse bezetting in dagboeken.
Bert Bakker.
Esther Captain: Achter het kawat was Nederland - Indische oorlogservaringen en -herinneringen 1942-1995.
Kok; 440 pagina's; ¿ 29,90.
ISBN 90 435 0592 7.
Stef Scagliola: Last van de oorlog - De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië en hun verwerking.
Balans; 448 pagina's; ¿ 30,-.
ISBN 90 5018 593 2.
G.E. Rumphius: De Ambonse eilanden onder de VOC, zoals opgetekend in de Ambonse Landbeschrijving.
Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers; 254 pagina's; ¿ 27,50.
ISBN 90 767 2929 8.
Ewald van Vugt: Zwartboek van Nederland overzee - Wat iedere Nederlander moet weten.
Aspekt; 352 pagina's; ¿ 19,98.
ISBN 90 5911 045 5.
Bob Hering: Soekarno - The Founding Father of Indonesia 1901-1945.
KITLV Press; 439 pagina's; ¿ 30,-.
ISBN 90 671 8191 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden