In New York op zoek naar Duchamps verloren pispot

Het was maar een pisbak, maar wel een die de kunst voorgoed veranderde. Het vreemde is dat Fountain, Marcel Duchamps readymade, maar een paar weken heeft bestaan. Het verdween spoorloos. Waar is-ie?

Bekijk ook de online special bij dit verhaal. 

Marcel Duchamp in 1927. Beeld Foto: Bettmann Archive

Waar is het kreng? Honderd jaar geleden, begin april 1917, werd het ding bij een New Yorkse sanitairzaak aangekocht, daarna in een atelier opgehangen, vervolgens ingezonden voor een tentoonstelling, daar geweigerd, toen gefotografeerd en uiteindelijk weggegooid. En toch werd het bijna een eeuw later, in 2004, door vijfhonderd vooraanstaande Britse kunstkenners uitgeroepen tot, en ik citeer het voor de zekerheid, want het staat er serieus: 'Het belangrijkste kunstwerk van de 20ste eeuw.'

De verdwenen pispot van Marcel Duchamp roept een hoop verbazing op. Hoe is het toch mogelijk dat een voorwerp, dat maar anderhalve maand heeft bestaan, zo'n historisch waarde heeft gekregen?

De originele Fountain, in 1917 gefotografeerd door Alfred Stieglitz. Op de achtergrond een schilderij van Marsden Hartley.

Maar goed, hij bestaat dus niet meer, die pot. Ja, zestien replica's van latere datum, verspreid over even zovele verzamelingen over de hele wereld. Het origineel zelf is spoorloos. Maar ik zou het vinden. Zeker. Dat was het doel. Ik had er zelfs al een werktitel voor: Looking for a Loo, of wat deftiger, À la recherche du pissoir perdu. Bovendien had ik al een lijst gemaakt wie ik zou inlichten. In de eerste plaats de erven van de Franse kunstenaar Marcel Duchamp, die wel geïnteresseerd zouden zijn. En het Philadelphia Museum of Art, waar ze de meeste werken van de Franse kunstenaar bezitten, plus diens hele correspondentie. En daarna zou ik een paar ervaren topadvocaten bij de arm nemen. Want als ik het zou hebben gevonden, dan wilde ik daar ook mijn duur verdiende vindersloon voor krijgen. Zo eenvoudig lag dat toch. Niet?

Zover was het nog niet. Eerst moesten er vragen worden beantwoord. Zoals: wie was die rare Duchamp (1887-1968) die een pispot in een kunstwerk wilde veranderen als ware hij Hans Klok? Hoe belandde de Fransman in het destijds artistiek onderontwikkelde Amerika? Wat was de geschiedenis achter de anderhalve maand dat de Fountain, zoals de officiële titel luidt, heeft bestaan? En op welke locaties in New York was het te zien geweest? Maar de hamvraag luidde toch vooral: zou ik kunnen achterhalen waar die mieterse pot is gebleven?

118 Fifth Avenue

Waar ik met zoeken zou moeten beginnen? Waar anders dan op de locatie waar de pispot voor het eerst opdook, op de hoek van Fifth Avenue en 17th Street. In een weelderig pand waarin nu de kledingzaak GAP zit, en waar een eeuw geleden J.L. Mott Iron Works was gevestigd. Hoewel het interieur door de tijd flink is vertimmerd, geeft de hoge ruimte nog steeds een goed beeld van de grandeur die je kon verwachten van een luxe sanitairzaak gespecialiseerd in ligbaden, waterclosetten en wastafels. En urinoirs.

Het was hier dat, op 3 april 1917, de toen 29-jarige Franse kunstenaar Marcel Duchamp, samen met collega-kunstenaar Joseph Stella en de Amerikaanse verzamelaar Walter Arensberg, naar binnen wandelde om er, jawel, zo'n urinoir te kopen. Dat was op zich al een memorabele gebeurtenis, omdat het drietal, waarschijnlijk in een uitgelaten stemming, een grap wilde uithalen of de boel gewoon op stelten wilde zetten. Een grap die even eenvoudig als revolutionair zou zijn: eens kijken of ze van een 'piece of plumbing' een heus kunstwerk konden maken?

J.L. Mott Iron Works, tekening uit 1888. Beeld Foto New York Picture Library

En omdat Duchamp niet zomaar met de eerste de beste doorsnee douchekop, ontstopper of closetrol naar buiten wilde lopen, koos hij iets dat waarschijnlijk de meest uitgesproken reactie zou uitlokken: een pissoir. Nu had J.L. Mott daarvan een uitgebreid assortiment in huis. Duchamp, de aanstichter van het plan, liet zijn oog vallen op het model Bedfordshire, hoewel het type later ook voor een Panama is aangezien. Hoe dan ook, het porseleinen geval kon zijn goedkeuring wegdragen vanwege zijn klassieke uitstraling, als van een beeldhouwwerk in marmer. Maar ook door de erotische connotaties die aan de pot waren verbonden, als een 'Madonna van de badkamer', waarin een man - boys will be boys - zijn lid kan hangen.

Wat moeten Duchamp, Stella en Arensberg een lol hebben gehad, die derde april, honderd jaar geleden.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Walter Arensberg. Paspoortfoto uit 1928.
In 2017, met een GAP-filiaal.

33 West 67th Street

Het geelkoperen bordje naast de voordeur is blinkend gepoetst zoals dat hoort bij een pand aan een lommerrijke zijstraat van Central Park. 'The Atelier' staat er in gekrulde letters te lezen. De toegang oogt vorstelijk in zijn Jugendstil, maar de ramen zijn klein, de interieurs lijken donker en de verlichte ingang is voor onbevoegden (ondergetekende) gesloten. Als ik van de doorman een blik achter de voordeur mag werpen, zie ik, wegens de hevige sneeuwval van de laatste winterdagen, een sneeuwschuiver staan. Een frappante aanwezigheid gezien de geschiedenis van een van de vroegere bewoners.

Hier werkte en woonde Duchamp van 1915 tot en met 1918, op de tweede verdieping, boven het appartement van Walter Arensberg, een groot verzamelaar van moderne kunst en Duchamps mecenas. Het was in dit atelier op de tweede verdieping dat Duchamp, kort na aanschaf, zijn Bedfordshire-pispot toevoegde aan het arsenaal voorwerpen dat hij al eerder naar binnen had geloodst: flessenrek, fietswiel (op krukje), hoedenkapstok en sneeuwschuiver (niet die van bij de voordeur). Van het interieur zijn maar een paar foto's bewaard gebleven (wat op zich al een wonder is). Erop is te zien hoe alles kriskras door de kamer stond. En dat de pot aan een ijzerdraad in de alkoof van de kleine achterkamer bungelde.

Wie niet beter wist, dacht in het rommelhok van Malle Pietje te zijn beland; wie Duchamp kende, besefte dat het de kraamkamer betrof van een nieuw soort kunst: 'readymades', zoals Duchamp zijn meegetorste voorwerpen in 1917 begon te noemen, veelal van de straat of uit winkels geplukt. Een nieuwe kunstvorm die een revolutie in de modernekunstgeschiedenis zou veroorzaken.

Nu was een beetje commotie Duchamp niet vreemd. De Franse kunstenaar had een naam hoog te houden. Vier jaar eerder, in 1913, was hij in New York in één klap beroemd geworden met een schilderij dat hij had ingezonden voor de legendarische tentoonstelling de Armory Show, waar voor het eerst op grote schaal Europese moderne kunst werd getoond.

Met dat kubistische schilderij van een naakt dat de trap afloopt, Nu descendant un escalier, was Duchamp plots berucht en het kunstwerk een succès de scandale. 'Hij was in New York net zo beroemd als Napoleon en Sarah Bernhardt', zou zijn vriend Henri-Pierre Roché vertellen.

Joseph Stella.

Twee jaar later ging hij in op een uitnodiging om naar New York te verhuizen. Niet alleen om aan de Eerste Wereldoorlog te ontkomen. Nee, Duchamp zou het gaan maken. Als aanstormende kunstenaar (hij was pas 29). Als een o la la, beau jeune homme met Franse allure en aplomb (vrouwen vielen bij bosjes voor hem). Als een speelse rebel uit Europa die, plagerig, rellerig, ambitieus en opportunistisch, garant stond voor controversiële en baanbrekende kunst. Iemand die had besloten onderscheidend te zijn. Anders.

En dat imago smaakte naar meer. Moest gecontinueerd worden. Niet met een zoveelste schilderij, maar met iets dat de kunstwereld op zijn kop zou zetten. Met een urinoir. Als kunstwerk. En omdat kunstwerken altijd gesigneerd en gedateerd zijn, werd ook deze pispot van een naam en datum voorzien: 'R. Mutt 1917'; een Duchampiaanse verwijzing naar de middenstandszaak op Fifth Avenue waar het allemaal was begonnen.

Het pand in 2017.

Lexington Avenue, tussen 46th en 47th Street

Betekende de Armory Show in 1913 de grootscheepse introductie van Europese moderne kunst in de Verenigde Staten, zo moest de First Annual Exhibition of the Society of Independent Artists van april 1917 de introductie zijn van wat Amerika zelf aan artistieke nieuwlichterij had voortgebracht. De show in het Grand Central Palace aan Lexington Avenue zou een avant-gardistisch tegenwicht moeten geven aan het conservatieve academisme dat de Amerikaanse kunst tot dan toe had gekenmerkt. Het idee was dat iedereen die 5 dollar betaalde, kon meedoen. Met wat voor soort werk ook.

Op 7 april zond Duchamp zijn urinoir anoniem in, als een werk van de Amerikaanse kunstenaar Richard Mutt. Omdat Duchamp en Arensberg in de tentoonstellingscommissie zaten zou de pot zeker door de selectie komen. Alles zou toch worden geaccepteerd, zo lang de 5 dollar inschrijfgeld maar waren betaald. Niet?

Het bleek een catastrofale misrekening.

De studio van Duchamp, 1917/1918. Beeld Foto Artists Rights Society, New York/ADAGP, Parijs

Het merendeel van de jury besloot dat de pot niet meer dan een pot was, en zeker geen kunst. En omdat Duchamp zijn betrokkenheid als maker niet kon prijsgeven, bemoeide hij zich niet met de ontstane onenigheid. Volgens getuigen werd de pot als 'onfatsoenlijk' en 'beledigend' gezien.

Het was al met al een domper. De pot verdween al snel uit zicht, achter een gordijn. Duchamps poging zijn provocatieve daad uit 1913 te herhalen strandde vroegtijdig. Hij had niet alleen het academisme van de New Yorkse kunstscene op de proef willen stellen, maar ook het zogenaamde avant-gardisme van de Independent Artists zelf. In beide gevallen had de Fransman het hardnekkige conservatisme van artistiek Amerika onderschat; ook in het zogenaamd vooruitstrevende New York. Twee dagen na de opening op 9 april diende Duchamp zijn ontslag in als als hoofd van de 'hanging committee'.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

In 2017.
Fountain Avenue, Brooklyn.

Het cynisme tegenover de pot - dit is toch geen kunst? - was overigens wel een voorbode van wat dit soort 'kunst' later te wachten zou staan. Is alles wat een kunstenaar maakt of inzendt vanzelfsprekend kunst? Kan een idee op zich al genoeg zijn? Waar is het artistieke vakmanschap? Eindigt hiermee het idee dat kunst 'de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' is, zoals Willem Kloos het lang gekoesterde kunstdoel verwoordde?

Duchamp introduceerde de veronderstelling dat ook een anoniem vervaardigd, industrieel product artistieke waarde heeft. 'Er is schoonheid te ontdekken in alles wat ons omringt', zou hij bij de beoordeling van de pot hebben gezegd. Later zou hij beseffen dat ambachtelijkheid en individualisme anno 1917 nog steeds belangrijke ingrediënten van de Amerikaanse kunst waren. Dat kunst met de hand gemaakt moet worden, na een zweterige ateliersessie en veel artistiek getob. De controversiële, maar revolutionaire daad van Duchamp, om een urinoir tot kunst te bestempelen, paste daar niet bij.

291 Fifth Avenue

Het oorspronkelijke bakstenen gebouw van vijf verdiepingen werd rond 1920 afgebroken. In plaats daarvan staat er nu, aan Fifth Avenue, een meer dan dertig etages tellende kantoor- en winkelkolos. Misschien ook wel begrijpelijk aan een avenue waar elke bouwlaag de prijs van een kleine 20 duizend dollar (en meer) per vierkante meter oplevert.

Tussen 1908 en 1917 bevond zich hier, op de bovenste verdieping (boven Mary Elizabeth's Candy Shop), de destijds befaamde galerie '291' van Alfred Stieglitz. De pispot van Duchamp mocht dan na de inzending op de Independent Artists Show korte tijd zijn zoekgeraakt, een paar dagen later dook hij op in de galerie van Stieglitz.

Het was een slimme zet van Duchamp: hij wilde zijn vermaledijde urinoir een tweede kans geven tot kunstwerk te worden gepromoveerd. Op de tentoonstelling van de Independent Artists was zijn eerste poging gestrand. Hij wilde revanche. En waar beter dan bij Stieglitz, de begenadigde fotograaf, maar ook degene die haast in zijn eentje (lang voor de Armory Show) verantwoordelijk was voor de introductie van Europese kunstenaars in Amerika. Hij bracht New York het idee bij dat kunst hedendaags kon zijn, van deze tijd, nu, en liet in zijn galerie voor het eerst schilderijen zien van Cézanne, Picasso, Matisse, Ernst en Picabia. Een unicum voor die tijd.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Galerie 291 in 1906. Beeld Foto: Aflred Stieglitz
Oude ansichtkaart van het Grand Central Palace, rond 1917.

De eerste zet die Duchamp en Stieglitz bedachten was om van het porseleinen geval een foto te laten maken, in een enscenering die de pot een artistieke eeuwigheidswaarde zou verlenen. Zo werd het urinoir niet zomaar op zijn kant gelegd, maar als een klassiek beeldhouwwerk gefotografeerd, op een sokkel en tegen de achtergrond van een schilderij van Marsden Hartley, destijds een beroemde Amerikaanse schilder. Bovendien nodigde Stieglitz op voorspraak van Duchamp de belangrijkste kunstcriticus van New York uit, Henry McBride, om te komen kijken en mogelijk een artikel over deze revolutionaire geste te schrijven. Duchamp leek niets aan het toeval over te laten.

Het mislukte. McBride kwam niet langs. En er verscheen geen artikel. Sterker, na mei 1917 is van dat hele urinoir geen spoor meer teruggevonden. Daarmee stierf het object dat Duchamp eeuwige roem had moeten opleveren een tweede dood.

Waar het is gebleven? Het meest waarschijnlijke scenario is toch dat Stieglitz het ding eenvoudig bij het vuilnis heeft neergezet, naast het bloemperkje langs het trottoir van 5th Avenue. Relativeerde Stieglitz het belang van de pot niet eens in een brief, door het enkel als een plaagstoot te zien, geschikt om 'plezier te hebben met kunst en kunstenaars en anderen en handelaren'. Komt bij dat Stieglitz, kort nadat hij het urinoir had gefotografeerd, zijn pand uit moest. In een paar weken tijd ruimde hij zijn hele inventaris op. Eind juli 1917 was Stieglitz verhuisd en zijn galerie leeg.

En Duchamp? Na twee mislukte pogingen om van de pot een erkend kunstwerk te maken, moet hij het ding als een besmet werk zijn gaan zien. Een pijnlijke herinnering aan een blamage. In 1918 scheepte hij zich in aan de SS Crofton Hall richting Buenos Aires. Hij had het gehad met Amerika.

het gouden toilet dat Maurizio Cattelan maakte voor het Guggenheim in New York. Beeld ap

Niet aanraken

De pispot van Marcel Duchamp was de aftrap van vele readymades die de moderne kunst inmiddels kent. Van kreeftentelefoon (Dalí) tot Brillo Box (Warhol), van harige been met schoen (Gober) tot het gouden toilet dat Maurizio Cattelan voor het Guggenheim in New York maakte (onder). Je kunt er echt gebruik van maken, op de toiletafdeling. Overigens zijn er ook bezoekers geweest die hun behoefte deden in een van de replica's die Duchamp van zijn originele pot liet vervaardigen. Geheel tegen de waarschuwing in, 'Niet aanraken'.

Hoe is het dan toch in godsnaam mogelijk dat Duchamps urinoir, ondanks het verloren geraakte origineel, zo'n bekendheid heeft gekregen? En status? Eenvoudig antwoord: dankzij de replica's die ervan zijn gemaakt. De eerste namaakpispot dateert van 1936, toen nog in miniatuurvorm, als onderdeel van Duchamps Boîte-en-valise, zijn minimuseum in kofferformaat, waarin een groot deel van zijn oeuvre tot dan toe was opgeborgen. Veertien jaar later volgde de eerste 'grote' kopie, gekocht op een Parijse rommelmarkt, door Duchamp opnieuw gesigneerd en gedateerd. Het behoort nu tot de vaste collectie van het Philadelphia Museum of Art.

Dat Duchamp zijn eerste replica in 1950 maakte hing samen met de groeiende aandacht voor readymades en 'objets trouvés' (gevonden voorwerpen) na de Tweede Wereldoorlog. Kunstenaars begonnen ze, in aanloop naar de popart, steeds meer in hun werk te gebruiken. In de slipstream daarvan besefte Duchamp maar al te goed dat hij ooit het eerste exemplaar van deze ontwikkeling had gemaakt: zijn Fountain. Omgekeerd verklaarden kunstenaars in die tijd Duchamps pot, met zijn mysterieuze bestaan, al snel als de Heilige Graal van deze vernieuwing; de historische eersteling waarop alles was gebaseerd. Zag Andy Warhol, de maker van levensechte Brillo Boxen, Duchamp niet als geestelijk vader van zijn oeuvre?

Waar het op neerkomt: wat Duchamp tot tweemaal toe niet was gelukt, slaagde nu wel. Het urinoir werd in de jaren zestig tot kunstwerk verklaard. In welke vorm ook: als replica, idee of verdwenen origineel. De rest is geschiedenis. Er zijn door hem zestien 'nieuwe' exemplaren van het handbeschilderde opschrift 'R. Mutt 1917' voorzien. In 2004 werd het uitgeroepen tot belangrijkste kunstwerk van de vorige eeuw.

Feit is zeker dat zonder Duchamps Fountain de museumzalen er anders uit zouden zien. Hoeveel kunst is niet schatplichtig aan het befaamde urinoir dat honderd jaar geleden bij J.L. Mott Iron Works als grap werd aangekocht? Salvador Dalí's ouderwetse draaischijftelefoon met een rode kreeft als hoorn, Tracey Emins onopgemaakte bed inclusief tissues en condooms, Armans ingelijste ontbijttafels met borden, bestek en beleg. En ja, ook de gouden closetpot van Maurizio Cattelan, waarop je in het Guggenheim Museum sinds een jaartje, hoewel officieel als kunstwerk gekwalificeerd, daadwerkelijk je behoefte kunt doen.

Alfred Stieglitz in 1902. Beeld Foto Library of Congress

Fountain Avenue, Brooklyn (slot)

'Hey man, what's up?'

Ik schrik me dood. Naast me staat een robuuste man. Alles aan hem is donker: zijn pet, zijn haar, zijn gelaatskleur, zijn ruimzittende jack, zijn spijkerbroek, sneakers; alles, behalve zijn gebit. Een trits aan 24 karaats gouden tanden grijnst me tegemoet. Een mooi gezicht, maar de toon van zijn vragen klinkt verontrustend.

'What 're you doin' here? You're a tourist, or what?'

'Well, I am looking for a ...' Ik maak de zin maar niet af. 'Just doing some fieldwork on local communitees from Puerto Rico.' Ik verzin het ter plekke. Hij kijkt me niet-begrijpend aan. Veldonderzoek? In Brooklyn, waar nauwelijks een Puerto Ricaan te bekennen valt?

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Bloemenperkje voor de voormalige galerie 291.

'Ye, of course', maar niet in mijn buurtje. 'Stay safe. Better watch out.'

Dat ik hier sta, hartje Brooklyn, is te danken aan het New York City Department of Sanitation, het hoofdkantoor van de plaatselijke vuilnisdienst. En aan hun hulpvaardigheid op mijn wat ongebruikelijke vraag. Want mocht het zo zijn geweest dat de pot van Duchamp inderdaad door Alfred Stieglitz op de stoep voor zijn galerie aan Fifth Avenue is weggegooid, dan moet die toch door de vuilnisdienst zijn opgehaald en ergens gedumpt.

Op het vuilnisarchief lieten ze me oude foto's, landkaarten, correspondentie en een keur aan statistische gegevens zien, waaruit bleek dat huisvuil begin vorige eeuw veelal diende voor landuitbereiding aan de moerassige grenzen van New York. De bevolking was exponentieel toegenomen en er moest ruimte worden gemaakt voor huizen en allerlei infrastructurele projecten, zoals JFK Airport. De 'landfill' die ze daarvoor gebruikten bestond uit 'huisvuil, constructiepuin, asbestresten en maffiadooien', zoals een van de documenten te lezen gaf. En misschien dus ook een enkele weggegooide wc.

En wat blijkt? Ligt er precies in dat gebied een heuse Fountain Avenue. Hoe verzin je het? Natuurlijk, de locatie is eerder symbolisch dan historisch correct. Maar toch, mocht je hier gaan graven, dan zou je, wellicht, maar dan nog alleen in het meest onwaarschijnlijke geval, de pot van Duchamp kunnen vinden. 'Als het urinoir twintig, dertig jaar geleden was gestort hadden we het tot op de vierkante meter nauwkeurig kunnen traceren', hadden ze me op het kantoor gezegd. 'Iets van honderd jaar geleden, dat wordt lastig.'

Wat ook zou kunnen (en even onwaarschijnlijk is): dat iemand destijds op de stortplaats de pot mee naar huis heeft genomen. Er waren in deze omgeving hele gemeenschappen bezig met het 'sorteren' van huisvuil, vooral Italianen. Ze zochten naar bruikbaar materiaal voor verdere verwerking en handel. Het is dus denkbaar dat iemand de pot mee naar huis heeft genomen en daar heeft aangesloten. En dat nu, anno 2017, iemand dagelijks zijn volle blaas ledigt in een pissoir, gesigneerd en gedateerd 'R. Mutt 1917', niet wetende dat als hij het keramische geval zou aanbieden op de kunstveiling van Sotheby's of Christie's, het meer dan 100 miljoen euro kan opleveren.

La-boîte-en-valise, Marcel Duchamp. Beeld Foto: Stedelijk Museum

Spijt 

Nederlandse musea hebben geen pispot van Marcel Duchamp in hun collecties, wel ander werk. Zoals twee Boîte-en-valises, in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en het Stedelijk Museum in Amsterdam (zie links, foto Stedelijk Museum). Het exemplaar van het Stedelijk is een gift van Katherine S. Dreier. In 1917 was zij de presidente van de First Anual Exhibition of the Society of Independent Artists. Precies de tentoonstelling waar de (anonieme) inzending van Duchamps pot werd geweigerd. Ook Dreier wist niet dat Duchamp achter de 'grap' zat. Toen ze dat hoorde, had ze spijt dat ook zij destijds afwijzend had gestemd.

Toch mooi. Misschien moet ik maar eens een advertentie in het plaatselijke Brooklyn-sufferdje zetten: 'Wanted: Old Fashioned Fountain. Used but Still in Good Shape. Signed and Dated. Reward 1 Million Dollar'.

Dank aan: John Vick en Matthew Affron van het Philadelphia Museum of Art, waar tot en met 3/12 de tentoonstelling is te zien: Marcel Duchamp and the Fountain Scandal. Marisa Bourgoin en assistenten van de Archives of American Artists, Smithsonian Institution in Washington. Tal Nadan en assistenten van de The Brooke Russell Astor Reading Room for Rare Books and Manuscripts, New York Public Library. En Maggie Lee en Vito Turso van de New York City Department of Sanitation. Belangrijke bron, naast andere: William A. Camfield, Marcel Duchamp's Fountain: Its History and Aesthetics in the Context of 1917.

Looking for a Loo

Precies honderd jaar geleden raakte 'Het belangrijskte kunstwerk van de twintigste eeuw' spoorloos. Bekijk hier de online special over Duchamps pispot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden