'In musea hangt veel drek, maar zolang het er hangt, houden mensen ervan'

Interview Hedendaagse kunst kan zich van geen kant meten met de meesterwerken uit de 17de eeuw, vindt kunstcriticus Robert Hughes, maar een cultuurpessimist is hij allerminst: ‘Het publiek voor kunst is juist enorm.’ Door Peter Giesen....

‘Ik was een heel goede schutter. Ik kon het oog uit een fazant schieten op 150 meter afstand’, zegt Robert Hughes. ‘Daar ontleende ik veel genot aan. Niet omdat ik een dier doodschoot, maar omdat ik iets zo goed beheerste.’

Robert Hughes is allerminst een stereotiepe kunstcriticus. Hij praat net zo makkelijk over jagen, vissen en timmeren als over Rembrandt of Rauschenberg. Maar kunst is dan ook net zoiets als jagen, zegt hij. Goede kunst berust op technisch meesterschap. Helaas worden er tegenwoordig miljoenen betaald aan kunstenaars die niets kunnen. Hughes heeft een hekel aan de haai op sterk water van Damien Hirst, zoals hij vroeger een hekel had aan de porseleinen varkentjes van Jeff Koons of de commerciële kopieerfabriek van Andy Warhol.

Hughes is dol op timmeren, zegt hij, vooral kasten en tafels. ‘Ik houd van vakwerk, van dingen die goed gemaakt zijn uit materiaal dat weerstand biedt. Daarom kijk ik liever naar een Nederlandse kast uit de 17de eeuw dan naar een urinoir dat volgens Marcel Duchamp kunst is’, zegt hij.

Die weinig modieuze, ambachtelijke opvatting wordt hem in de kunstwereld niet altijd in dank afgenomen. Volgens zijn tegenstanders is Hughes een conservatief die niets van moderne kunst begrijpt. Het sterkt hem slechts in zijn missie: iemand moet zeggen dat de keizer geen kleren draagt.

Lange tijd was hij criticus van het Amerikaanse weekblad Time. Nog altijd woont hij in een zonnige loft in de New Yorkse wijk SoHo. In de jaren zeventig betaalde hij er 30.000 dollar voor, maar toen was SoHo nog een ietwat vervallen artistiek broeinest. Nu zijn galeries verdrongen door dure kleding- en designwinkels en kost een flat al snel een paar miljoen, huizencrisis of niet.

Zijn zelf getimmerde eettafel ligt bezaaid met papieren. Op zijn 71ste werkt hij als een bezetene aan een boek over Rome. Die manische werklust is het gevolg van een zwaar auto-ongeluk, bijna tien jaar geleden in Australië.

‘Het heeft niet zo veel voordelen om bijna dood te zijn geweest’, zegt hij. ‘Maar je beseft wel dat je tijd op aarde beperkt is.’ Bovendien verloor hij de laatste resten van zijn katholieke opvoeding. ‘Ik was zo dicht bij de dood. Maar ik zag God niet, ik zag Jezus niet en ik zag de duivel niet. Ik ben er nu voor 97 procent zeker van dat er geen hiernamaals is.’

Robert Hughes is klein en breed. Zijn markante, vierkante kop verraadt zijn Iers-Australische wortels. Sinds het ongeluk loopt de oude leeuw met een stok. Bovendien is hij kortademig: de uiteinden van zijn gebroken ribben prikten in zijn longen en veroorzaakten een soort astma.

Volgende week geeft hij in Tilburg de Nexus-lezing: A Defence of What is Priceless. Verwacht echter geen cultuurpessimistische waarschuwing over de hoge kunst die weggespoeld dreigt te worden door een smurrie van populistische massacultuur. Kunst is helemaal niet kwetsbaar, zegt Hughes. Er zullen altijd mensen zijn die van kunst houden. Als er iets de kunst bedreigt, dan is het de kunstwereld zelf. Er wordt te veel troep gemaakt, die ook nog eens verhandeld wordt voor belachelijke prijzen. Minder kunstenaars, minder kunst, dat zou een goed idee zijn. Dan zouden we ons tenminste kunnen concentreren op het werk dat echt de moeite waard is.

Staat de kunst niet onder druk in een tijd waarin televisie en amusement de toon aangeven?

‘Nee, het publiek voor kunst is juist enorm. Ik behoor zelf tot een generatie die opgroeide met lege musea. Dat was goddelijk. Nu is het moeilijk om een museum te vinden waar nog een beetje ruimte is. Het Museum of Modern Art in New York is een nachtmerrie. Je hoeft niet als een missionaris tegen mensen te zeggen: u moet zich onderwerpen aan de edele kunst, want dat is goed voor u. Het probleem is eerder overbevolking dan onverschilligheid.’

‘In de musea hangt veel drek. Maar zolang iets in een museum hangt, houden mensen ervan. Veel werken worden voor enorme bedragen verhandeld, terwijl je weet dat de intrinsieke waarde nul is. Dat vind ik wel verontrustend. Let’s face it, dit is geen geweldige periode in de kunst. Daar kun je niet veel aan doen. Je kunt niet tegen schilders zeggen dat ze betere schilderijen moeten maken. Je hebt altijd periodes van artistieke recessie die volgen op spasmen van grote creativiteit. Natuurlijk zijn er tegenwoordig een heleboel goede schilders en beeldhouwers, maar de kunstwereld heeft niet dezelfde energie als, bijvoorbeeld, in 1912 toen het kubisme furore maakte.’

De Nederlandse dichter Lucebert zei ooit: ‘Alles van waarde is weerloos.’ Veel mensen zijn ervan overtuigd dat kunst kwetsbaar is.

‘Dat geloof ik helemaal niet. Ik denk dat mensen altijd op zoek zullen gaan naar ervaringen die complexer en betekenisvoller zijn dan de normale ervaringen in hun leven. Door naar kunst te kijken kun je zulke ervaringen krijgen. Het is niet de enige manier. Je kunt bijvoorbeeld ook de natuur intrekken.

‘Ik geloof ook niet dat kunst therapeutisch is, of dat je er een nobeler mens door wordt. Veel mensen zijn artistiek volkomen ongeletterd en functioneren prima. Ik ervaar zelf een enorm genot als ik naar een Vermeer kijk. Maar dat is iets voor mij. Dat hoeft helemaal niet voor anderen te gelden.’

Waar komt dat genot precies vandaan?

‘Een goede kunstenaar creëert orde. Hij ziet wat mogelijk is en kan dat vervolgens ook uitvoeren. Dat is bijzonder: de meeste mensen zien die mogelijkheden pas, nadat zij zijn uitgevoerd. Bovendien: je kunt een goede kunstenaar niet nadoen, ook al weet je wat hij doet. Ik kan nog altijd in vervoering raken van het kijken naar dingen waarvan ik weet dat ik ze zelf nooit zal kunnen.’

Is dat geen beperkte opvatting van kunst? Er is toch ook kunst die technisch niet zo hoogstaand is, maar wel de gevoelens van de kunstenaar op een overtuigende manier uitdrukt?

‘Mensen willen zichzelf altijd uitdrukken. Maar de fout is dat ze denken dat kunst interessant is alleen omdat iemand zichzelf uitdrukt. Er is veel kunst die puur expressief is. Splotsj, hier zijn mijn emoties. Maar volgens mij is kunst het maken van dingen. Een heel bewuste activiteit.

‘Misschien zijn er te veel kunstenaars. Maar het is onmogelijk om regels uit te vaardigen: jij mag kunst maken, jij niet. Net zomin als je mensen kunt verplichten naar kunst te kijken. Ik heb er ook niets op tegen als mensen zeggen: I don’t give a shit about art.

‘Ieder heeft zijn eigen manier om het genot van orde te ervaren. Er zijn mensen die op die manier genieten van een voetbalwedstrijd. Zelf geniet ik ook van vliegvissen. Als je de vlieg neerlegt waar je hem wilt hebben, als de stroom de vlieg naar de vis brengt, als de vis bovenkomt en bijt, dan voel je je even God. Beter dan God zelfs, want je bent nergens verantwoordelijk voor.’

Is er dan geen hiërarchie in vliegvissen, voetbal en kunst?

‘Nee, volgens mij niet. Een perfect uitgevoerde aanval in een voetbalwedstrijd heeft alle kenmerken van een kunstwerk, behalve dat hij vluchtig is.’

Robert Hughes komt uit een vooraanstaande Australische familie. Zijn grootvader was burgemeester van Sydney, zijn broer minister van Justitie. Hij begon zijn carrière als cartoonist voor het Australische weekblad The Observer. Kunstcriticus werd hij bij toeval. Toen zijn voorganger werd betrapt op het recenseren van een tentoonstelling die hij nooit had bezocht, beet de hoofdredacteur Hughes toe: ‘Nu ben jij de fucking art critic. Als je plaatjes kunt tekenen, kun je er ook over schrijven.’

In 1965 verhuisde Hughes naar Londen. Daar ondervond hij de swingende jaren zestig aan den lijve, zo beschrijft hij in zijn amusante memoires Things I Didn’t Know. Hij trouwde met een meisje dat hem werd aangeprezen als de best fuck in Londen.

Helaas verleende ze die seksuele gunsten niet alleen aan haar echtgenoot. Volgens Hughes was hij per ongeluk getrouwd met een ‘gestoorde zwerfkat’. Op een ochtend kwam ze binnen, na weer een nacht op zoek te zijn geweest naar nieuwe ‘ervaringen’, terwijl Hughes op hun baby had gepast. Toen ze in een hysterische huilbui uitbarstte, streelde Hughes door haar haar, totdat zijn vingers stuitten op het opgedroogde sperma van haar laatste minnaar.

In deze periode kreeg Hughes nog een curieus rocksouvenir: via zijn vrouw nam hij de syfilis van Jimi Hendrix over. Met de baby, Danton, zou het overigens slecht afgelopen. Hughes raakte van hem vervreemd, en in 2002 pleegde hij zelfmoord door zijn garage te laten vollopen met uitlaatgassen.

Zo maakte Robert Hughes de gekte van de jaren zestig in volle hevigheid mee, inclusief de utopische verwachtingen van drugsgebruik en vrije seks. Toch behoort hij niet tot de cultuurpessimisten die geloven dat de samenleving sindsdien duurzaam van de rails is geraakt.

Hughes: ‘Er zijn in die tijd zo veel dingen gebeurd, zowel goede als slechte. Je kunt niet zeggen wat ‘de’ gevolgen van de jaren zestig zijn geweest. Dat is een veel te complexe vraag om te beantwoorden. In elk geval liepen er destijds heel wat goede kunstenaars rond, zoals Robert Rauschenberg en James Rosenquist. En slechte, zoals Andy Warhol.’

De jaren zestig kwamen voor Hughes op een zeer merkwaardige manier ten einde. In 1969 was het weekblad Time op zoek naar een nieuwe kunstcriticus. Toevallig had Hughes’ geprezen maar geflopte boek Heaven and Hell – over de afbeelding van het hiernamaals in de kunst – de aandacht van de redactie getrokken.

In die dagen was hij echter praktisch onvindbaar. Huwelijk en loopbaan waren naar de knoppen. De meeste tijd zat hij depressief in zijn flat, hasj rokend en whisky drinkend. Zijn telefoon was afgesloten en hij deed de deur niet meer open uit angst voor de deurwaarder en andere schuldeisers. Koeriers van Time belden meerdere malen vergeefs aan. Time legde echter een ijzeren volharding aan de dag. Uiteindelijk werd contact gelegd met de achterbuurman, een Australische kunstenaar die op Hughes’ balkon klom om hem te waarschuwen. Als Time hem niet te pakken had gekregen, was hij waarschijnlijk met hangende pootjes naar Australië teruggekeerd. In plaats daarvan opende zich een wereld vol internationale roem.

Door uw tegenstanders wordt u een conservatieve criticus genoemd.

‘Ik bén een conservatieve criticus. Omdat er zo veel te conserveren valt. Dat drong tot me door toen ik in 1966 in Florence was, waar de kunstschatten werden bedreigd door een overstroming. In de jaren zestig werd oude kunst vaak voorgesteld als waardeloos. Maar in Florence zag ik de kwetsbaarheid van oude kunst. Oude kunst is delicaat, moeilijk te bewaren, snel beschadigd. Als het vernield wordt, is het voor altijd verloren. Nieuwe kunst kun je altijd maken, oude kunst niet.

‘Schrijven over oude kunst vind ik ook een taak van de criticus. Oude kunst is net zo moeilijk te begrijpen als nieuwe kunst. Soms zelfs moeilijker, omdat het verleden echt een buitenlandse beschaving is. Rembrandt is moeilijker te begrijpen dan Marcel Duchamp.’

Heeft u daarom zo’n hekel aan termen als ‘vernieuwend’ of ‘radicaal’?

‘In de kunstkritiek worden ze te pas en te onpas gebruikt, maar ze hebben weinig te betekenen. De gedachte dat kunst altijd vernieuwend moet zijn, berust op een aanname van vooruitgang die helemaal niet opgaat voor kunst.

‘Het is een valse analogie met wetenschap. Daar is wel sprake van vooruitgang: een eerstejaars student weet tegenwoordig meer van het menselijk lichaam dan een briljante 17de eeuwse anatoom als Tulp. Maar hedendaagse kunstenaars tekenen echt niet beter dan Rembrandt of Vermeer.’

We ervaren toch graag de schok van het nieuwe?

‘Natuurlijk is het prachtig om een schilderij te zien dat je werkelijk verrast. Iets dat je nog nooit zo gezien hebt. Dat is waar. Maar het pakt doorgaans rampzalig uit om aan het andere eind te beginnen: nu ga ik iets doen wat nog nooit iemand gedaan heeft. Dat levert heel gekunsteld werk op.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden