In memoriam Gerard Reve (1923-2006)

Weinig mensen moeten zo vertrouwd met de dood zijn geweest als Gerard Reve. Hij herkende hem in de sombere schoolgebouwen vol kwetterende kinderen...

De dood, wist Reve, huisde in alle leven, liet ons bungelen, vermaakte zich met ons, en reduceerde alles wat wij meemaken en nastreven tot een Zinloos Feit.

Gerard Reve die dood is, dat is zoiets als iemand die eindelijk volstrekt samenvalt met zijn thema. Dat is raar, en ongepast. Er is in zijn grote, grootste en hartverscheurende oeuvre eigenlijk geen passage, geen gedicht, aan te wijzen waarin de dood niet voorkomt. De dood was zijn hoofdpersoon. In al zijn werk bezong en vierde hij de dood. Hij verlangde naar hem, daagde hem uit, en maakte hem belachelijk. De dood kon wel tegen een stootje.

De Dood, die wandelde met zijn moeder ‘boven', in het woud. Dat was geen plaats die hem angst inboezemde. Zijn moeder was er eindelijk gelukkig, stelt hij vast in het gedicht ‘Droom', in Nader tot U (1966). ‘Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.' Daarboven zit ook nog altijd zijn oude vriend en lievelingsdichter Gerard den Brabander, achter een goed glas jenever. Want óf er iets was als een hiernamaals, daar waren ze samen nog niet uit. Maar dat daar geen bocht geschonken werd, stond vast.

Want in de Dood, de Doodt, ook wel de Verlossing, openbaarde zich God. Reves hoogstpersoonlijke God, die samen met zijn tweelingbroer Satan vlees wordt in een Meedogenloze Jongen, maar tegelijk een menselijke God is. Iemand met feilen en angsten, zoals wijzelf, die stevig drinkt, masturbeert en getroost wil worden. Een Almachtige, die zijn ereplaats moet delen met de Moeder, die bij wangedrag een oogje dichtknijpt. Maar een God die hoe dan ook Liefde is.

Reves werk is door generaties lezers, en collega-schrijvers bewonderd en bejubeld. Hij is eindeloos geïmiteerd en gepersifleerd, maar dat wonderlijke ‘romanties-dekadente' godsbeeld, de vermenging van erotiek, kunst en oude roomse dogma's, hoe glashelder uiteengezet ook, daarvan konden maar weinig lezers chocola van maken.

Van de Grote Drie van de vorige eeuw - W.F. Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch, is er nu nog maar eentje over. Drie schrijvers die als puber de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt, en die elk een groots oeuvre schreven dat, bij grote verschillen, één ding gemeen had: elk van hen ontvouwde een persoonlijk, tamelijk hermetisch en in zichzelf kloppend wereldbeeld.

Maar waar Hermans aan het denken zette over de absurditeiten van het bestaan, Mulisch imponeerde met zijn zelfontworpen genialiteit, was het Reve die zijn lezers het diepst wist te raken en te ontroeren. Reve had van de drie het meest oog voor het alledaagse gehompel, voor kinderachtige angsten, voor de gebrekkige uitrusting waarmee de mensen zich door het leven moeten slaan. ‘Warme mensenboeken', jawel. Plechtig verklaarde hij dat hij het liefst schreef voor plichtsgetrouwe huisvrouwen en simpele zielen, maar het was nog waar ook: Reves werk, waarin niet één onhelder geformuleerde zin voorkomt, kan naar inhoud en strekking door iedereen, belezen of niet, begrepen worden.

Wat was zijn beste boek? Nader tot U, dat onnavolgbare brievenboek, zo ongelooflijk geestig en keelafsnoerend verdrietig dat je het onder alle omstandigheden kunt lezen en herlezen, ter troost, opbeuring of bevestiging? Toch misschien de sublieme novelle Werther Nieland, die over drie eeuwen vast nog moeiteloos gelezen kan worden. Maar het grootse, melancholieke Oud en eenzaam dan, of de ontwapenende roman Moeder en Zoon, waarin Reve zelfs voor de traagste leerling in de klas duidelijk probeert te maken hoe het zit met zijn geloof en zijn toetreding tot de katholieke kerk?

Voor veel van zijn generatiegenoten was Reve vooral de schrijver van één boek: De avonden. Het was het debuut van de 23-jarige Simon van het Reve en zelden bracht een debuut zo'n schok teweeg. Het is 1947 in dat boek, maar weinig in het verhaal, tien dagen uit het leven van kantoorbediende Frits van Egters, verwijst naar de actuele gebeurtenissen in dat jaar. Frits registreert, en er gebeurt bijna niets. Landerig draait hij aan de knoppen van de radio, hij peutert wat in zijn neus en pulkt tussen zijn tenen. Uit verveling bezoekt hij vrienden die hij ongevraagd onderhoudt met theorieën over kaalhoofdigheid, doofheid, suikerziekte, kanker, en andere 'heel mooie ziektes'.

Frits beziet zijn sukkelige ouders, de boeren en winden latende vader die boven ieder boek in slaap valt en de goedwillende moeder die, in plaats van wijn, een dure fles bessen-appel koopt om oudejaarsavond te vieren. ‘Heb erbarmen met mijn ouders', vraagt hij de ‘eeuwige God'. Hij, Frits, heeft het gezien, ‘Het is niet onopgemerkt gebleven.' Terwijl hij zijn speelgoedkonijn omklemt, fluistert hij, aan het eind van de roman: ‘Konijn, ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef'. Meer valt er over zijn toekomst niet te zeggen.

Het boek was een gruwel voor veel literaire critici. Een door oorlogsellende getekend jongmens, dat zouden zij begrepen hebben, of juist moedig nieuw elan, maar dít, deze ‘morele leegte' (Garmt Stuiveling), ‘geestelijke verwording' (Ben Stroman), ‘pathologisch geschrijfsel' (Rico Bulthuis), daar moest duchtig tegen gewaarschuwd worden. Jef Last vreesde dat ‘de jonge arbeider' na lezing van dit boek ‘behoefte zal voelen zijn mond te spoelen'. De toch niet van humor gespeende Godfried Bomans vond het boek 'zó cynisch, zó naargeestig' dat hij vreesde voor de ‘geestelijke gezondheid' van de jonge schrijver.

Maar Van het Reves jonge collega-schrijvers waren vol bewondering. ‘Een knap, beklemmend relaas van een ziel in nood' schreef Anna Blaman. W.F. Hermans vond het meteen ‘een Hollandse roman van internationale allure'. Simon Vestdijk herkende de ‘wanhopige humor' waarmee Frits zich staande houdt.

Reve schreef de roman, zei hij later, op aanraden van zijn psychiater. Schrijven bleek voor hem de enige manier om niet krankzinnig te worden. Hij moest zijn angsten bezweren. In een televisie-interview in de door de Avro uitgezonden reeks Literaire ontmoetingen, in 1963, vertelt hij voor het eerst openlijk over zijn jeugd. ‘Vrees, gevaar, eenzaamheid, de huizen evenzovele grotten en holen, bewoond door onberekenbare demonen, dat is eigenlijk mijn jeugd. Al kan ik met de beste wil van de wereld niet verklaren waarom het zo is, evenmin als ik zou kunnen verklaren waarom ik eigenlijk in mijn leven niet één gelukkige dag gekend heb.'

Gerard Kornelis van het Reve werd op 14 december 1923 geboren in de Amsterdamse Van Hallstraat, als tweede zoon van Gerard van het Reve en Janetta Doornbusch. Met zijn 2 1/2 jaar oudere broer Karel, later ook schrijver, en slavist, zou hij als volwassene niet goed kunnen opschieten. Later zou zijn Geleerde Broer in zijn ogen het toonbeeld zijn van een ‘symboolblind', rationeel en daardoor kortzichtig mens.

Toen Gerard één jaar oud was, verhuisde het gezin naar het Betondorp in de Watergraafsmeer. Dit frisse tuindorpje, vooral bewoond door socialisten en communisten, was een ‘oase van licht en lucht' die een kweekvijver zou blijken voor talentvolle jeugd uit de arbeidersklasse. Maar in de ogen van het kind was het een afschrikwekkend oord: ‘Wie hier binnengaat, laat elke hoop varen', vond hij. Annie Romein-Verschoor - ‘tante Annie', want het echtpaar Romein was bevriend met de Van het Reves - zou ‘Gerardje' beschrijven als een ‘somber en verlegen kind'. Vriendjes en klasgenoten herinnerden hem zich later als een buitenstaander, die nooit meedeed maar een superieure indruk maakte.

Het gezin-Van het Reve was communistisch en dat zou Reves jeugd, zijn werk en zijn wereldbeeld voor altijd bepalen. Zijn woede-aanvallen tegen alwat ook maar vaag rook naar linksigheid en zijn afkeer van 'door lediggang geperverteerde artistiekelingen' die kunst maakten op staatskosten, leken grappig, maar waren gemeend. De haat zat er diep in. Zijn vader was redacteur van het communistische dagblad De Tribuneen actief lid van de partij; hij bezocht enkele malen Moskou. De slurpende sukkel uit De avondenwas in werkelijkheid een belezen man die zijn talen sprak. Maar het kind wordt thuis ondergedompeld in de gesloten denkkaders van het historisch materialisme, met zijn ijzeren categorieën ‘goede' en ‘slechte' mensen, zijn afkeer van religie en iedere vorm van fantasie, zoals sprookjes en mythen.

Hij moet een gevoelig, magisch denkend jongetje zijn geweest, dat droomde van een kerstboom met lichtjes, maar van zulke ‘burgerlijke' afgoderij kon natuurlijk bij hem thuis geen sprake zijn. Zo'n jongen als Elmer, de hoofdpersoon in Werther Nieland. Elmer zoekt veiligheid in zelfbedachte rituelen; hij bezweert zijn demonen met tempeldiensten en offerandes.

Het is precies wat Reve een oeuvre lang zou proberen. Hij verzon eigenlijk nauwelijks verhalen - iedere ‘plot' in een roman hielp hij al tijdens het verhaal om zeep - maar je kunt ook moeilijk volhouden dat hij een realistisch schrijver was. Stelselmatig ontwierp hij een eigen, mythische gedachtewereld, een eigen symbolentaal die hij in stelling kon brengen tegen de ‘levensvijandige' leer van zijn jeugd.

Maar die leer heeft hem wel voor het leven verminkt, schrijft hij in zijn roman Oud en eenzaam (1973). De ‘communistische pornografie' die thuis werd voorgelezen, zoals bij een ander thuis de bijbel, verhalen waarin ‘kameraadjes' worden gemarteld door wrede kapitalisten, heeft hem ‘besmet met een preoccupatie met wreedheid, die alle andere gevoelens op de achtergrond drong'. In Reves ‘liefdesboeken' is de geliefde altijd óf een onbereikbare aanbedene, of een laf, geminacht wezen, dat langdurig aan martelingen wordt onderworpen.

In 1948 trouwt Reve met de dichteres Hanny Michaelis; elf jaar later zouden ze scheiden, nadat Reve openlijk had verklaard homoseksueel te zijn. Met het schrijverschap ging het in de tussenliggende jaren niet best. In 1951 wordt hem, op basis van een fragment uit Melancholia, een reisbeurs ontzegd door minister Cals. Woedend vertrok hij naar Engeland, in het vaste voornemen alleen nog in het Engels te publiceren. Zijn Engelse verhalenbundel, The acrobat and other stories, wordt geen succes, hij werkt een tijdje in een Londens ziekenhuis, en keert terug.

In 1963 publiceert hij het boek waarin hij de vorm vindt waarin hij zich het beste kan uitdrukken: Op weg naar het einde. Dit boek met ‘brieven', oorspronkelijk gericht aan de lezers van Tirade,wordt in 1966 gevolgd door het treuriger getoonzette brievenboek Nader tot U, dat eindigt met de adembenemende 'Geestelijke liederen'.

In deze twee verbluffend mooie, en in literair opzicht zeer vernieuwende boeken ontwikkelt hij de theorie van het ‘revisme', een liefdesdienst waarin een geliefde mooie jongens ter onderwerping krijgt aangeboden. Eigenlijk weet hij wel zeker dat hij nooit ‘bij enig mensenkind begrip zou vinden voor de revistiese Sprookjes van Vader de Ezel'.

Ook in het echte leven zullen zijn geliefden en minnaars vreemd hebben opgekeken van zijn ingewikkelde erotische programma. Het moet moeilijk zijn geweest om met hem samen te leven. Na Wimie, zijn liefdesvriend in de jaren zestig, volgden Teigetje, Woelrat, allerlei kortstondige Verloofdes, en ten slotte Matroos Vos, Joop Schafthuizen, die sinds 1975 zijn levenspartner was.

De reisbrieven veroorzaken evenveel tumult als De avonden. AR-kamerlid Algra stelt in 1963 vragen over de ‘aanstootgevende' inhoud van de brieven. In 1967 staat Reve terecht voor een ‘godslasterlijke' passage waarin de ik-figuur God, die voor deze gelegenheid de gedaante heeft aangenomen van een éénjarige, muisgrijze ezel, ‘drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezit.' Na een beroemde ‘pleitrede', waarin de schrijver het recht op een eigen verbeeldingswereld opeist, wordt hij vrijgesproken. Intussen heeft Reve van het geld dat hij met de brievenboeken verdiende - eindelijk bracht zijn werk wat op - een huisje in Friesland kunnen kopen, dat hij pesterig Huize Algra doopte.

In 1966 treedt Reve toe tot de rooms-katholieke kerk. Daarmee ruilt hij, zoals hij zelf zei, 'de ene heilsleer voor de andere in'. Hij acht weliswaar, zoals hij uitlegt in Moeder en Zoon, de katholieke leer ‘gebrekkig, infantiel en verkitscht', maar niettemin bestempelt hij het tot het Ware Geloof. De symbolen, rituelen en oervoorstellingen sluiten nu eenmaal feilloos aan bij zijn eigen verbeeldingswereld.

In Greonterp schreef Reve dit gedicht, dat nu tot richtsnoer kan dienen:

Eind goed, al goed

Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp.

De mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken,

de kinderen ook, dat staat geschreven.

Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:

GOD IS DE LIEFDE, verder niks.

Dan komt de harmonie, en speelt een lied,

langzaam en vroom, met veel koper.

Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel

een sluier van stilte, en er daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.

(1965)

Je mag het hopen, dat de God die Reve op zijn sterfbed kwam bezoeken, Liefde bleek te zijn. Hij kon wel wat liefde gebruiken. ‘Was er maar iemand die me uit allerlei sprookjesboeken voorlas' - nog zo'n dichtregel van hem die te binnen schiet.

De schepper van een fenomenaal oeuvre, de geestigste schrijver van de vorige eeuw, de grootste stilist, de meest nagevolgde maar onnavolgbare, een pias en een wijs man, stierf met de blanco geest van een pasgeborene. Hij wist niet meer wie hij was. Misschien is dat een genade, maar voor ons is het verschrikkelijk dat hij er niet meer is. Zonder Gerard Reve was de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw niet half zo groot geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden