InterviewMarcus King

In Marcus Kings gitaar grommen en huilen de stemmen van Aretha Franklin en Janis Joplin

Als jochie van 11 stond Marcus King bij zijn vader op het podium. Al gauw ontwikkelde hij zich tot de gitarist met dat typerend scheurende én emotioneel beladen geluid. Hij legt uit hoe je in zijn muziek de Appalachen terughoort. 

Zanger en gitarist Marcus King.Beeld Daniel Cohen

Als we Marcus King spreken, vlak voordat zijn wereldtournee strandt door de coronacrisis, vertelt de bluesgitarist en zanger iets moois over zijn ‘happy place’, zijn persoonlijke geluksplek. Die staat niet op Google Maps maar ligt bovenop een van de groene heuvels van de Blue Ridge Mountains, in de staat South Carolina. 

King, in 1996 geboren in het stadje Greenville, ontdekte deze plek toen hij net zijn rijbewijs had gehaald en als jongen van 18 een oude bak de bergen op stuurde, weg van de wereld. Hier schreef hij zijn eerste songs, dacht hij na over het leven en het lot van de mensheid. Want inderdaad: vooral de diepere gedachten komen op als je de blik laat gaan over kilometers woest landschap. Als je de regen van de volgende dag al ziet aankomen in dikke wolkenpartijen.

‘Het is moeilijk dat landschap te beschrijven’, zegt King. ‘Maar voor mij is het de enige plek op de planeet die nog gezond lijkt, op een of andere manier.’ Zoek zelf even naar afbeeldingen van die waanzinnige Blue Ridge Mountains om te begrijpen wat King bedoelt. Een mystiek landschap, zegt hij. ‘Waar je muziek door de bomen hoort gaan.’

Marcus King, een 24-jarige gitaar- en bluesheld in onstuitbare opmars, vertelt over zijn slopende leven van de afgelopen jaren, van constant toeren door de Verenigde Staten, Europa en Azië. Hij heeft zijn best gedaan er enigszins fris uit te zien, vlak voor een memorabele want steengoede show in de Amsterdamse Paradiso, maar in zijn oogopslag zie je de vermoeidheid. ‘Dit leven is zwaar’, zegt King. ‘En ik kom dus veel te weinig op die plek in de bergen. Maar als ik eindelijk weer eens thuis ben, rijd ik er gelijk heen. Dat heb ik dan ook echt nodig.’ We kunnen ervan uitgaan dat King nu, met een land in lockdown en een uitzichtloos concertverbod op zijn agenda, op zijn geluksplek zit te mijmeren.

In de muziek van King hoor je de omgeving waar hij is opgegroeid: de bergen aan de voet van de Amerikaanse Appalachen, het gebergte waar de blues en de folk samenkwamen, waar de country ontwaakte en waar dus feitelijk de popmuziek is geboren. ‘Die geschiedenis voel je daar, zoals je de Velvet Underground en de punk voelt als je door New York loopt. In South Carolina is de muziek altijd contemplatief geweest, bedachtzaam. En ja, dat komt natuurlijk door dat landschap.’ 

Marcus KingBeeld Daniel Cohen

Marcus King was als heel klein mannetje al een gitaarversnipperend bluesmonster. Zijn vader Marvin was een knappe gitarist, die altijd een band onder zijn hoede had. ‘En ik greep de gitaar dus ook, als kind van net 3 jaar oud’, zegt King. ‘Ik pakte dat ding en liet hem nooit meer los, zo ging het echt. Mijn vader leerde me mijn eerste akkoorden. Als hij ging werken zat ik acht uur achter elkaar te oefenen. Tot hij thuiskwam, dan gingen we eten. En ik ging door, ook toen ik naar school moest. Ik had geen vrienden. Dus speelde ik. Dag in, dag uit, uren achter elkaar. Het was niet zo dat ik geen vrienden had omdat ik obsessief met een gitaar bezig was hoor, eerder andersom. Het lukte mij gewoon niet zo om vrienden te maken, dus ik ging spelen. Om mezelf bezig te houden.’

King vrat de muziek uit het grote Amerikaanse liedboek, de soul van Otis Redding, de blues van B.B. King. En hij ontpopte zich als wonderkind. ‘Toen mijn vader eindelijk wat minder kon gaan werken, omdat het financieel wat beter ging met ons gezin, begon hij heel serieus met optreden. Ik stapte in zijn band, als kind van 11. Eerst als gitarist, later ging ik zingen.’ King ontwikkelde een scheurende maar tegelijkertijd emotioneel beladen gitaarstijl, én die scherpe, prachtig jankende soulstem die zijn pas verschenen plaat El Dorado aan elkaar zingt. 

‘Ik bewonderde de vocalisten uit de Amerikaanse muziektraditie: Otis Redding en James Brown. Maar vooral de grote vrouwelijke stemmen: Aretha Franklin en Janis Joplin. Ik wilde proberen dat ongrijpbare in hun stem, dat grommende en huilende geluid, over te brengen naar mijn gitaar. Want op die onbenoembare plek ergens tussen de noten in hoor je volgens mij de spirituele bevrijding, van zowel Joplin als Franklin. De mystieke kracht van hun stemmen. Ik had geluk: ik kon als kind al gebruikmaken van de spullen van mijn vader. En dus die stapel Marshall-versterkers, waarop ik mijn gitaar ook kon laten grommen en janken.’

Als je het eenmaal weet, omdat King het zo helder uitlegt in de kleedkamer van Paradiso, hoor je de achtergrond daarna ook echt in zijn spel. In zijn solo’s op brandende soultracks als The Well, die inderdaad bevrijdend en spiritueel rocken. ‘Ik wilde niemand kopiëren’, zegt King. ‘Niet zo gaan spelen als de gitarist Stevie Ray Vaughan, maar klinken als mijzelf.’ De kerk sloop zijn stijl binnen, en dan uiteraard vooral de gospel van het koor. En King dook in de boeken: hij studeerde jazz en muziektheorie, luisterde naar John Coltrane en Miles Davis én naar muziek die ons westelijke bevattingsvermogen te boven gaat. Naar de Pakistaanse zanger Nusrat Fateh Ali Khan bijvoorbeeld, en de Indiase sitarspeler Ravi Shankar.

‘Muziek is een onvoorspelbaar beest’, zegt King. ‘Muziek is zo groots en veelomvattend, ik denk dat er niemand is die kan zeggen dat hij de muziek in de volle omvang heeft doorgrond. Maar je kunt in ieder geval proberen zo veel mogelijk over muziek te weten te komen. En de taal die je al spreekt uit te breiden met nieuwe woorden, nieuwe uitdrukkingen. Zo zie ik mijn ontwikkeling. Ergens is het een trieste constatering dat je nooit de perfectie zult bereiken. Tegelijkertijd is juist dat het mooiste aan de muziek: de zoektocht is de kunst. En de manier waarop je alles wat je hebt geleerd aan elkaar knoopt. Als je heel bewust en omslachtig blues, rock, jazz en wereldmuziek samenvoegt, dan val je denk ik gelijk door de mand. Ook mensen die niet veel van muziek weten, hebben een bullshit-detector: je hoort direct of muziek gefabriceerd is of een ziel heeft.’

De gitaarheld Marcus King (24) komt uit de stad Greenville in South Carolina, aan de voet van het Appalachen-gebergte. Een stad met een bloeiende muziekcultuur: de zangeres Nikki Lane komt er vandaan, net als de deathmetalband Nile. ‘Maar het is niet zo dat je nu omarmd wordt in Greenville, als je bekend bent geworden. Het is eerder zo dat de interesse in Greenville voor je muziek afneemt als je het gemaakt hebt’, zegt King. ‘Alsof je de stad in de steek hebt gelaten.’

King werd de afgelopen jaren snel groot met zijn Marcus King Band. Eerst was hij vooral geliefd in kleine kringen rond kennersfestivals en bescheiden clubs in de Verenigde Staten. ‘Ik realiseerde mij dat ik met mijn blues en soul voor een beperkt publiek zou spelen, het zijn nu eenmaal niet de jaren van de blues en de soul. Ik streefde er niet naar grote podia te bespelen waar het publiek naar mij toe zou komen, maar ik bracht mijn muziek zelf naar een select publiek toe, in heel veel cafés en de kleinere concertzalen.’ 

Dat deed King onvermoeibaar, met een trouwe band van vrienden en stijlgenoten. En zijn aanpak werkte heel goed, want Marcus King werd een jaar of vijf geleden vanuit dat liefhebberscircuit een rondzingend gerucht over ‘een nieuwe Stevie Ray Vaughan’, een gitaarheld met een uitmuntende soulstem en bovendien heel aanstekelijke eigen liedjes die het vooral live goed deden. Voor hij het wist, kon hij de wereld over: naar Japan, naar Nederland. Zijn shows in de grote zaal van de Amsterdamse Paradiso in 2019 en 2020 waren uitverkocht en dit jaar zou King zelfs optreden op Pinkpop.

‘Ik betwijfel of ik het allemaal te danken heb aan een plotselinge uitbarsting van nostalgie. Volgens mij is er meer aan de hand. Je hoort vaak dat rock dood is, maar dat weiger ik te geloven. Muziek met een diepe traditie heeft niet voor niets een diepe traditie. Het is muziek die kan helpen en helen, dat was al zo in de tijd waarin de blues en soul opkwamen. Omdat het niet gaat over mode maar over universele menselijkheid, over hoe wij mensen leven. Kijk nu om je heen: er is een virus dat mensen doodt, en in de Verenigde Staten hebben we een president die niet weet waarover hij praat.  De aarde staat in de fucking fik. Er moet zo ontzettend veel gebeuren om de ellende te keren. Daar is eigenlijk opnieuw een revolutie voor nodig, net als in de jaren zestig. Dan is het toch niet vreemd dat we bij dezelfde muziek uitkomen? Bij muziek die ons hopelijk kan leren dat we weer van elkaar moeten houden, in plaats van haten?’

De plaat El Dorado van Marcus King is verschenen bij Fantasy/ Universal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden