recensie Verzamelde verhalen Jean Rhys

In luttele pagina’s roept Jean Rhys een hele wereld op ★★★★☆

Uit de verzamelde verhalen van Jean Rhys klinkt het unieke geluid van een groot talent. Als eeuwige buitenstaander beziet ze de wereld.

Beeld Leonie Bos

Ze heeft nogal wat gereisd, maar vermoedelijk greep de belangrijkste verhuizing in het leven van Jean Rhys (1890-1979) al op haar 16de plaats. Toen stuurden haar ouders haar van Dominica, het Caribische eiland waar ze was geboren, naar een kloosterschool voor meisjes in Cambridge. Daar moest ze aan alles wennen, en vanaf dat moment bleef ze een ander. Die status had ze meteen, zoals ze vertelt in het autobiografische verhaal ‘Opening en beginners, alstublieft’, wanneer ze midden in de winter met een paar meisjes bij de open haard zit en er buiten iets tegen het raam klettert: ‘Lang voordat ik de West verliet had ik al over sneeuw horen vertellen, maar hagel was een toegift en in zekere zin wel spannend. Als ik vroeg wat het was zouden ze me uitlachen, denk ik.’ Het valt niet mee zich een plaats te verwerven tussen de gereserveerde Britten: ‘Mijn beste herinnering aan Cambridge was de dag toen een student me bij het oversteken met zijn fiets aanreed. Ik had me niet bezeerd, maar hij hielp me zo bezorgd op de been, putte zich zo uit in verontschuldigingen dat ik nog lang aan hem heb gedacht.’

Ze is zelf Engels, althans afkomstig van Brits West-Indië, maar ook in menig opzicht niet-Engels, want zit vol heimwee naar de heuvels, woestheid, de zee en de veranda op Dominica. Als ze in een café op Montparnasse een echtpaar met kind uit de Antillen ziet, beschrijft ze hen zowat gulzig, zo heftig is de confrontatie met vroeger.

Die houding van de buitenstaander die alles waarneemt en voelt, doortrekt de ruim vijftig verhalen van Jean Rhys die nu voor het eerst bijeen in Nederlandse vertaling worden gepubliceerd. Dat is een verstandig besluit van uitgever Orlando, want zo kunnen we zien hoe ze bij elkaar horen, de verhalen van de bereisde Rhys (Dominica, Londen, Parijs, Wenen, Boedapest), die driemaal trouwde en al in de 70 was toen ze furore maakte met De wijde Sargassozee (1966), waarin ze de rol van de ongenaakbare Mr. Rochester in Jane Eyre (1847) van Charlotte Brontë eens van een andere dan de dweepzuchtige kant bekeek, namelijk vanuit Bertha, zijn krankzinnig geworden eerste echtgenote.

Bovendien voegde Rhys aan dat bekende verhaal haar eigen muzikale stijl toe. In het voorwoord bij Alle verhalen schrijft Jan Brokken dat Rhys het derde deel van die roman aanvankelijk geheel in versvorm wilde schrijven, en dat is niet verwonderlijk: haar proza heeft dikwijls het ritme van liedjes en de herhalingen die ze naar believen toepast zijn dan de refreinen van die eigenzinnige melodieën.

Groot talent

Eén eigenschap van Rhys’ grote talent springt in deze bundel naar voren: haar verhalen tellen soms luttele pagina’s maar zijn nooit te kort, doordat ze met één detail een gehele atmosfeer oproepen. Rhys beschrijft een keurige Engelse vrijgezelle schilderes in Parijs, mevrouw Bruce, die thuis in haar kledingkast een verzameling uitzinnig gekleurde japonnen heeft hangen. Niet om ze te dragen, bekent ze de verteller in een restaurantje, dat durft ze niet, maar om ze te bekijken. En te dromen. Rhys blikt het etablissement rond: ‘Even verderop verdronk een mollig, donkerharig meisje in de ogen van haar mollige, donkerharige vriend en stak met de licht geaffecteerde gebaren van een niet-roker een sigaret op.’ Kijk aan, daar vlakbij, binnen gezichtsafstand, gebeurt het wél, al is het meisje mollig: die durft het aan om verder te gaan dan alleen de verbeelding. Die sigaret, die ze nooit eerder in haar hand heeft gehad, dat is het zo treffende gebaar dat Rhys registreert – en dat de kloof met de onberispelijke en geremde mevrouw Bruce weergeeft.

De schrijver kon lang schaven en schrappen aan haar typoscripten. Het resultaat was dikwijls een verhaal waaraan geen woord gemist kan worden en dat binnen enkele alinea’s doel treft, ongeacht de complexiteit van de gevoelens die erin worden verwoord.

Jean Rhys (1890-1979). Beeld Jean Rhys

In ‘Moeder leren zijn’ beschrijft de verteller in vier pagina’s hoe uitgeput ze is als ze hoogzwanger op de Parijse ziekenhuisafdeling ligt, ze slaat de ervaren vroedvrouw gade, vindt haar pasgeboren zoontje een arm scharminkel (‘Ik mocht hem niet’) en wordt ’s nachts wakker van zijn huiltje. En dát is de ommekeer: zij alleen met haar kindje, ze sust hem in haar armen, het is midden in de nacht, bij het licht van een nachtlampje kijkt hij haar aan, ingebakerd en wel, en ze meent dat zijn blik verdrietig is. ‘Mannetje toch! Om te zoenen.’ Ineens besefte ze dat ze gelukkig was.

Varen op eigen indrukken

De vrouwen van Rhys horen er nooit helemaal bij, of denken dat dat nooit gaat lukken. Ze moeten varen op eigen ervaringen en indrukken, want ze hebben geleerd dat die zelden aansluiten bij die van de anderen, die er meestal op uit zijn ‘je gedachten te verstoren, energiek en vastberaden, vanuit de vurige wens alles en iedereen op één lijn te krijgen’.

Mooi gezegd, en het laat ook zien waarom Rhys zo’n uniek geluid heeft: ze kon zelf al geen gelijkgestemde vinden. In het prachtige ‘Hitte’ herinnert ze zich een vulkaanuitbarsting uit 1902 (toen ze 12 jaar was) op het nabijgelegen eiland Martinique, een hele stad verdwenen, 40 duizend doden. Maar hóé herinnert ze zich dat: de ene dag viel er een laag as op Dominica, en toen was iedereen al bang. Die nacht haalt haar moeder haar uit bed, en brengt haar naar het raam. Boven Martinique ziet het meisje geen maan, geen sterren, maar alleen een grote zwarte wolk. ‘De rand van de wolk had de kleur van vlammen, en in het midden flikkerde onophoudelijk een soort bliksem.’ Ze valt weer in slaap. De volgende dag valt er geen as meer. Haar vader gaat een kijkje nemen op Martinique bij de troosteloze resten. ‘Hij kwam terug met een stel kandelaars, hoge koperen kandelaars die waarschijnlijk in een kerk gestaan hadden. De hitte had ze tot merkwaardig verwrongen vormen gesmolten. Hij hing ze aan de muur van de eetkamer, en onder het eten kon ik mijn ogen er niet van afhouden, ik probeerde uit die vormen wijs te worden.’

De grote en onvatbare natuurramp teruggebracht tot iets tastbaars, dat nog steeds onbegrijpelijk is. Die verwrongen kandelaars zeggen alles, méér dan het enorme aantal slachtoffers, want die blijven zonder gezicht. Rhys heeft haar kinderlijke verbazing zo helder verwoord dat haar lezers die – mét de verschroeiende hitte – ook na ruim een eeuw nog kunnen navoelen.

Jean Rhys: Alle verhalen

Uit het Engels vertaald door W.A. Dorsman-Vos en Lisette Graswinckel. Orlando; 413 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden