MemoiresVakantie in de Volksrepubliek

In het voetspoor van A. den Doolaard: (ongerieflijke) vakanties in de volksrepubliek Joegoslavië

De familie Van Walsum kamperend in Zabljak, zomer 1971.

Met het lyrische proza van A. den Doolaard als leidraad trokken zijn ouders in de vroege jaren zeventig door Joegoslavië, meestal kamperend buiten de gebaande paden. Redacteur Sander van Walsum ging als kind mee – maar kon de charme moeilijk zien.

Ik betwijfel of mijn (in 2014 overleden) moeder ooit iets van Oswald Spengler heeft gelezen. Toch maakte ze, net als deze Duitse somberaar, een onderscheid tussen cultuur en beschaving. Beschaving werd door het verstand voortgebracht, maar cultuur wortelde in de ziel. En waar de beschaving bloeide, verdorde de cultuur. Dat was althans de particuliere opvatting van mijn moeder. Ze wilde zich best eenmaal per jaar blootstellen aan de Matthäus Passion en ze nam ons – de kinderen – weleens mee naar een museum, maar voor cultúúr moesten we verder van huis wezen: in de landen aan gene zijde van het IJzeren Gordijn, waar ‘onbedorven volken’ nog niet achter de ondoordringbare vernislaag van de beschaving waren geplakt. Die volken leden weliswaar onder het communisme, maar daardoor waren zij ook geen deelgenoot geweest van de vooruitgang die de mensen in ons deel van de wereld had gepolijst.

In de zomers van de jaren zestig en zeventig trok zij dus met mijn vader naar de streken waar deze nobele wilden zouden leven – eerst in een Volkswagen Kever, later in comfortabeler auto’s. Van alle reisbestemmingen was de toenmalige Socialistische Federale Republiek Joegoslavië hun het liefst. Want in het land van Tito ademde het toch wat vrijer dan in de volksrepublieken die trouw aan Moskou waren gebleven. En dáár konden ze reizen in de voetsporen van schrijver A. den Doolaard – in wiens lyrische proza naar het oordeel van mijn ouders de puurheid van de Balkan besloten lag.

Binnenlanden

Het proza van Den Doolaard werd lyrischer (en naar huidige maatstaven toenemend ongenietbaar) naarmate hij dieper in de binnenlanden van Joegoslavië doordrong. Ongeremd bedreef hij de cultus van de krijger – zoals Ernest Hemingway de schoonheid van het stierenvechten beschreef. In het universum van Den Doolaard figureren roverhoofdmannen in witte hemden met zilveren knopen ‘groot als de oorhangers van kaffervrouwen’. Montenegrijnse schaapherders die aan de buitenzijde van het echtelijk bed sliepen om bij onraad met één snelle beweging het geweer te kunnen pakken dat boven de haard hing. Mensen die elkaar bij het afscheid vele zonen en schapen toewensten. Dansende derwisjen bij wie de naam van Allah als een ‘koortshuivering door de kronkelende lichamen’ schoot.

Van deze exotische mannenwereld wilde mijn moeder, die in haar jeugd maar hoogst zelden buiten de eigen provincie was geweest, graag getuige zijn. Dus dienden de Joegoslavische vertellingen van Den Doolaard als leidraad voor de verre reizen van mijn ouders: Oriënt-Express, De herberg met het hoefijzer, De bruiloft der zeven zigeuners en Het land achter Gods rug. Na vier weken kwamen zij terug – gebruind, enigszins vermagerd, met smeedwerk en keramiek uit Macedonië en met verhalen waarin Den Doolaard nagalmde. Wij, de drie kinderen, werden gedurende hun afwezigheid op logeeradressen gestald. Pas in 1970 hadden we een leeftijd bereikt waarop de ruwe charme van de Balkan aan ons besteed zou zijn en vergezelden we onze ouders bij hun re-enactment van vroegere reizen.

Beeld Olivier Heiligers

Al snel werd ons, met z’n drieën op de zweterige achterbank geklemd, duidelijk dat we in Slovenië en Kroatië – toen nog deelstaten van de Joegoslavische federatie – niets te zoeken hadden, omdat die zich landschappelijk te weinig van respectievelijk Oostenrijk en Italië onderscheidden. En dat waren landen die mijn ouders altijd hadden gemeden – vanwege de oorlog, vermoed ik. Pas in de binnenlanden van Bosnië-Herzegovina, Servië, Macedonië en Montenegro – waar de snelwegen van Tito (soms abrupt) overgingen in scenic routes langs diepe ravijnen – hadden we onze bestemming bereikt.

Baltsende nachtdieren

Waarmerken van het land van Den Doolaard waren rivieren met namen als Zwarte Drim en Vardar, bergketens als Bistra Planina en Kara Dagh, plaatsen als Podgorica, Struga en Niksic. Zelfs bij het open riool in de Kosovaarse stad Prizren kon mijn moeder nog in een staat van vervoering raken. Als in dit soort plaatsen een ‘familieraad’ werd belegd over de vraag waar we die avond zouden gaan eten, ging haar voorkeur steevast uit naar tentjes waar culinair avontuur al snel in buikloop resulteerde. Naar de opvatting van mijn moeder was alles beter dan de restaurants van staatshotels die de klandizie wilden behagen met gepaneerd vlees, doorgebakken aardappels en andere variaties op de Duitse cuisine.

Ook als verblijfplaats doorstonden die hotels niet de toets aan het oeuvre van Den Doolaard. Alleen bij uitzonderlijk zware regenval overnachtten we weleens in een hotelletje met optimale mogelijkheden voor een ontmoeting met de plaatselijke bevolking. Maar in de regel kampeerden we. Soms op een camping, meestal buiten de gebaande paden: op een sportveld waar we bij het krieken van de dag door de terreinknecht werden gewekt, op het erf van een boer die de volgende ochtend met zijn hele familie op bezoek kwam, of aan de rand van een bos waar zich veel ritselende, grommende of baltsende nachtdieren bleken op te houden.

Als we in de nabijheid van de bewoonde wereld kampeerden, gingen we ’s avonds naar cafés die uitsluitend door besnorde mannen werden bezocht. Het was dan zaak om meteen bij binnenkomst de naam van Johan Cruijff te laten vallen, om elk misverstand over het land van herkomst weg te nemen. Vervolgens kon het geen kwaad om alle aanwezigen een pruimenjenever aan te bieden. Als het ijs eenmaal was gebroken, stond ons tafeltje in een mum van tijd vol met drankjes die mijn ouders met drie, vier delen water zouden hebben aangelengd als de lokale mores zich daar niet tegen hadden verzet. En als later op de avond de accordeon en de klarinetten ter hand werden genomen, waande mijn moeder – minzaam lachend naar alle stamgasten – zich onderdeel van De bruiloft der zeven zigeuners.

Beeld Olivier Heiligers

Het dichtst bij Den Doolaard stonden we nog in Montenegro, het ‘land achter Gods rug’ waarover hij in de gelijknamige roman zo bewogen heeft geschreven. Het (in 1956 verschenen) boek gaat over de Montenegrijnse ingenieur die tijdens de Tweede Wereldoorlog, op last van de partizanen, de brug over de rivier de Tara opblies die hij enkele jaren eerder zelf had ontworpen ‘om ons kleine volk uit zijn achterlijkheid en isolement te verlossen’. De Italianen bestraften deze daad van sabotage door de ingenieur aan zijn eigen brug op te hangen.

Bedevaart

Mijn ouders hadden verteld over de lotgevallen van Wolf Crnojevic, zoals hij heet in de roman. De tocht naar zijn schepping voelde dus als een bedevaart. Al helemaal omdat de echte bouwer van de brug, Lazar Jaukovic, ernaast begraven ligt. De gekromde constructie, rustend op ijle bogen, oogt breekbaar in het woeste landschap eromheen. Volgens de overlevering is dat landschap letterlijk het werk van de duivel: toen God met drie zakken – een met grond, een met zaden en een met stenen – over de nog lege Aarde trok om elke landstreek zijn deel te geven, sneed de duivel de zak met stenen open, juist toen de Schepper Montenegro passeerde. Gelukkig herinnerde Wolf zich, kort voor zijn terechtstelling, de woorden waarmee zijn grootvader hem van de betrekkelijkheid van menselijke creaties had willen overtuigen. ‘Wat zijn huizen, wegen, bruggen? Dingen van steen en stof. Bouw ze, en bouw ze goed, maar veracht ze tegelijk. Want als je voor de dood staat, dan zullen ze je niet helpen maar hinderen. Er is maar één brug naar de eeuwigheid: een dapper hart.’ En dapper wás Wolf Crnojevic, wilde Den Doolaard maar zeggen.

In Zabljak, een plaatsje aan de voet van de – eveneens legendarische – berg Durmitor heeft Den Doolaard volgens zijn biograaf Hans Olink een nacht doorgebracht ‘op een bed van dennennaalden met een jonge vrouw die op doktersadvies in de ijle lucht verbleef’. Dát verhaal kenden mijn ouders vermoedelijk níét toen wij er zelf in de zomer van 1971 onze tenten opsloegen. Behalve het feit dat het er koud en mistig was, dat het kampvuur hooguit wilde smeulen en dat ik mij afvroeg waarom mijn ouders zich uitgerekend door Den Doolaard op sleeptouw lieten nemen, heugt mij van dat verblijf vooral een conflict tussen mijn vader en mijn destijds 15-jarige broer. Die maakte – terecht, zoals uit foto’s van toen blijkt – onvriendelijke opmerkingen over de manier waarop mijn vader zijn Carl Denig-tent had opgezet. Daarbij hield hij zó weinig maat, dat mijn minzame vader een rubberen tenthamer in zijn richting slingerde. Mijn broer trok zich daarop voor langere tijd terug in het dicht begroeide naaldbos.

Of het met dit voorval samenhing weet ik niet, maar mijn broer ging het jaar daarop zeilen. En de rest van het gezin ging ditmaal naar Polen met vakantie, waar we zoveel gewicht verloren vanwege de onregelmatige openingstijden van restaurants en bakkerijen dat we het jaar dáárna gewoon naar Frankrijk gingen. Tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Of ik iets heb overgehouden aan die vakanties in verdwenen volksrepublieken? Een afkeer van de geleide economie en van kamperen. En A. den Doolaard kan ik ook niet zo goed meer verdragen. Maar daar is best mee te leven.

A. den DoolardBeeld Hollandse Hoogte / ANP

A. den Doolaard schreef tientallen novellen en romans
A. den Doolaard is het pseudoniem van Cornelis Johannes George (Bob) Spoelstra (1901-1994). Na een vreugdeloos bestaan als boekhouder bij de Bataafse Petroleum Maatschappij debuteerde hij in 1926 met De verliefde betonwerker, een bundel ‘vitalistische gedichten’. Vanaf 1928 maakte hij zwerftochten door Frankrijk en de Balkan, waar hij in zijn onderhoud voorzag als druivenplukker, steenhouwer, dokwerker en landarbeider. De indrukken die hij daarbij opdeed, vonden hun weerslag in tientallen novellen en romans, zoals De druivenplukkers (1931), De herberg met het hoefijzer (1933), Oriënt-Express (1934), De grote verwildering (1936) en Het land achter Gods rug (1956). De meeste boeken zijn uitsluitend nog in antiquariaten te vinden.

In de vroege jaren dertig ageerde Den Doolaard nog tegen de bewapening, maar daar kwam hij van terug toen hij tijdens zijn reizen doordrongen raakte van de gevaren van het fascisme en nationaal-socialisme. Bij het begin van de Duitse bezetting ontkwam Den Doolaard naar Engeland, waar hij emplooi vond bij Radio Oranje, ‘de stem van strijdend Nederland’. In 2011 verscheen de door Hans Olink geschreven biografie van Den Doolaard: Dronken van het leven. Daarin werd onder andere onthuld dat Den Doolaard in 1933 de Macedonische minnaar van zijn eerste vrouw om het leven heeft gebracht. Aan de waardering voor Den Doolaard in de Republiek Noord-Macedonië doet dit geen afbreuk: in de stad Ohrid wordt hij met een standbeeld geëerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden