Column De jonge Rembrandt

In het spoor van de jonge Rembrandt

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jongere jaren en doet daarover een jaar lang wekelijks verslag in de Volkskrant. Hier lees je al zijn verhalen.

Onno Blom In het spoor van de jonge Rembrandt Beeld VK

Over één ding waren vriend en vijand het eens: lui was Rembrandt niet
Over Rembrandts karakter is door de eeuwen heen veel boosaardigs gezegd en naar veel van zijn overwegingen moeten we gissen. Maar over één ding waren vriend en vijand het eens: lui was hij niet.

We streven naar het oplossen van de raadsels rond Rembrandt, maar er is niets onbevredigender dan een opgelost mysterie
Rembrandt is een mysterie. Veel van wat we van zijn leven en werk denken te weten, berust op veronderstelling en indirect bewijs. Soms wordt het mysterie nog eens vergroot door de overvloed aan interpretaties. Dat is het geval bij de pogingen die geleerde kunsthistorici hebben gedaan om het raadsel van zijn Leids historiestuk uit 1626 op te lossen.

Eerste stappen in het spoor van Rembrandt gaan naar diens geboortehuis. Of wat daarvan over is
‘Waar kon ik anders beginnen dan in de Weddesteeg? Alleen hoog boven me schitterde het hemelsblauw. Links de hoge muur van een oude kazerne, verderop rechts, net boven ooghoogte, herinnerde een steen in de gevel van een affreus appartementencomplex aan wat hier ooit was gebeurd:
HIER werd geboren
op den 15 den juli 1606
REMBRANDT VAN RIJN

Rembrandt had in Wolkers niet alleen de schilder, maar ook de schrijver tot leven gewekt
‘‘Rembrandt ging door mijn bloed als koorts’, schreef Wolkers. Van jongs af aan was hij door de schilder betoverd, omdat die hem zo schitterend de taferelen voor ogen had getoverd die Jans steil gelovige vader driemaal daags uit de Bijbel voorlas. ‘Geloof en penseelstreek leken samen te vallen.’

De familie van molenaarszoon Rembrandt leefde van de wind
‘Sommigen denken dat op het schitterende, dreigende schilderij uit 1645 – toen Rembrandt al lang en breed in Amsterdam woonde – de molen van zijn ­vader wordt verbeeld. Ik denk van niet.

Dit is geen zelfportret (wél een Rembrandt)
‘De geschilderde gezichten vloeien langzaam in elkaar over. Je ziet Rembrandt ouder worden, zijn haar grijzer, zijn rimpels dieper en zijn gezicht pafferiger. Maar je hebt ook het gevoel dat je bij hem naar binnen kijkt. Alsof niet alleen zíjn leven als een film aan je voorbijtrekt, maar ook dat van jezelf.

Rembrandt was niet in de wieg gelegd voor geleerde, werd op de Latijnse school snel duidelijk; maar hij stak er genoeg op om de verhalen prachtig te verbeelden
‘Orlers schrijft dat Rembrandt ‘geen lust ofte genegenheyt’ had om te leren of de wetenschap te gaan dienen, dat zijn hart alleen maar uitging naar schilderen en tekenen. Zijn ouders haalden hun zoon na een paar jaar weer van school en deden hem in de leer bij de plaatselijke schildersmeester Jacob van Swanenburg. Toch moet die jongen wat hebben opgestoken in de les. Rembrandts werk geeft blijk van een diepgaand inzicht in de mythische verhalen die hij in verf vertelde – en die verhalen hoorde hij voor het eerst op de Latijnse school.

De hand van God op de snijtafel van Rembrandts meesterwerk
‘Hoe een anatomische les zich werkelijk afspeelde, zag Rembrandt voor het eerst in Leiden. Honderden mensen, lang niet alleen artsen of studenten, betaalden een paar stuivers om vanaf de tribunes toe te kijken bij de ontleding van een lijk – steevast een geëxecuteerde misdadiger wiens ziel toch niet meer kon worden gered. Op 17de-eeuwse prenten van het Leidse academische amfitheater is te zien dat skeletten vlaggen vasthouden met spreuken als homo bulla, ‘de mens is een zeepbel’ en memento mori, ‘gedenk te sterven’. Op de bovenste ring rijdt het skelet van een Franse edelman, die zijn zuster had verkracht en vermoord, op het geraamte van een paard.’

In het atelier van Rembrandts eerste leermeester rook het niet alleen naar verf, maar ook naar knoflook, Parmezaanse kaas en truffel
‘De eerste leermeester van Rembrandt was Jacob Isaacsz van Swanenburg. Jacob was de oudste zoon van de protestante burgemeester en schilder Isaac Claesz van Swanenburg, die in Leiden meester Nicolaï werd genoemd. Er bestond geen opdracht in de stad waar deze magistraat en artistieke duizendpoot niet bij betrokken was.

Volgens Constantijn Huygens was de jonge Rembrandt een genie
‘Constantijn Huygens had een genie ontdekt. ‘Bij geen Protogenes, Apelles of Parrhasius is ooit opgekomen of zou, mochten zij op aarde terugkeren, ooit kunnen opkomen wat door een jongen, door een Hollander, door een molenaar die nog geen baard heeft, in één mensenfiguur is bijeengebracht en in zijn totaliteit weergegeven. Verbazing overvalt mij als ik dit zeg. Hulde, Rembrandt!’

Op een zelfportret van Rembrandt als 26-jarige etaleert hij zich als volwassen, maar nog net niet
Wanneer is de jeugd voorbij en begint het volwassen leven? In mijn biografie van de jonge Rembrandt houdt het op als de schilder Leiden verlaat en naar Amsterdam vertrekt. We schrijven 1632. Rembrandt is 26 jaar, meester geworden van de ‘academie’ van de succesvolle kunsthandel van ­Hendrick Uylenburgh in de hoofdstedelijke Breestraat.

Toen Rembrandt 4 was, kreeg zijn vader een ongeluk met een musket. Spookte dat door zijn hoofd toen hij De Nachtwacht schilderde?
‘Rembrandt zette het groepsportret - inmiddels is het wereldberoemd als De Nachtwacht - met bravoure naar zijn hand. Geen colonne mannen in slagorde, maar een compagnie in beweging, op het rommelige moment net voor ze wegmarcheren. Een van de schutters oefent de houding voor het lossen van een schot, een ander staart naar de haan van zijn musket. En weer een ander, de musketier Jan van der Heede, getooid in mooi rood pak, gebruikt nog snel zijn laadstok om de kogeltjes in de loop aan te stampen. Volgens kenners houdt de rode musketier zijn geweer verkeerd vast bij het laden.’

De paradijsvogel van Rembrandt was gedoemd om eeuwig door de hemel te zweven
‘Van de 363 inventarisnummers spreken die in ‘de kunstcaemer’ van Rembrandts huis het meest tot de verbeelding. Daar bewaarde hij niet alleen zijn kunstboeken en mappen met werk van Lucas van Leyden, Rafaël en Michelangelo, maar richtte hij ook een rariteitenkabinet in met onder andere: twee globes, ‘aerdtclooten’, beelden van Socrates, Homerus en Aristoteles, Nero en Caligula, een Oost-Indische poederdoos, een Japanse helm, een pistool, een Turkse kruitfles, doosjes mineralen, een grote hoeveelheid horens, 47 stuks naturalia van land en zee en ‘een laede daarin een paradijsvogel en ses wayers’.’

Het wiegje van wilgentenen van de familie Van Rijn
‘Karl Marx heeft eens geschreven: ‘Rembrandt schildert de moeder van God als een Hollandse boerin.’ Marx zat er voor de verandering niet heel ver naast. Dat is juist het mooie van dit schilderij: het is geen pompeus tafereel. Maar Rembrandt ontroert je door dat ene, tedere, liefdevolle gebaar. Het gebaar van een moeder die, om te zien of haar zoontje nog slaapt, met al dat getimmer in de kamer, even de sluier oplicht die is gedrapeerd over de kap van het uit wilgentenen gevlochten schommelwiegje.’

Biograaf Onno Blom ziet ziel van Rembrandt in zelfportret
‘Wat me raakt is de schoonheid van de lelijkheid: we zien een pafferige papzak met pokdalige huid, een knol van een aardappelneus en zwabberende onderkin. Wat een lef dat hij zich zo onbarmhartig heeft geportretteerd. Een echt mens komt op je af. Dwars door de eeuwen heen kijkt hij je aan.

Een heerlijk boek is het, Orlers’ liefdesverklaring aan Leiden: een grabbelton aan stadsbeschrijving, geschiedenis en faits divers
Nog mooier wordt het als ik door Orlers’ ogen rondkijk in gebouwen die niet meer bestaan. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waarvan slechts een paar brokken steen resten, als rotte kiezen na het ouwels vreten. Of in de kapel van de Faliede Bagijnhof, waar de jonge Academie haar bibliotheek uitstalde en een anatomisch theater oprichtte.’

Dat de oude vrouw Rembrandts moeder is, kan ik niet bewijzen, ik kan het alleen maar geloven
‘In 1631, een jaar nadat zijn vader was gestorven en een jaar voordat hij Leiden zou verlaten en naar Amsterdam vertrok, schilderde Rembrandt dezelfde oude vrouw, gehuld in een donkere mantel en met gouddraad doorweven sluier. Ze is verzonken in een boek, buigt licht voorover en tast de letters af – ze zijn onleesbaar, maar lijken wel Hebreeuws – met de vingers van haar verweerde, gerimpelde hand.’

Als je goed kijkt, wemelt het in Rembrandts werk van de honden
‘Mijn favoriete hond staat op het schilderij uit 1631 waarop de Rembrandt zichzelf heeft afgebeeld als oosterling. De kunstenaar draagt een glanzend goud gewaad, een donkere fluwelen mantel en een tulband met een veer erop. Aan zijn voeten zit een poedel. Met zijn donzige krullen, warme snoet en die witte baan over zijn kop, ziet hij er heel aaibaar uit. Dit schilderij zag er eerst anders uit. Dat weten we omdat er een kopie van bestaat zonder hond, en omdat de röntgenfoto van het origineel als twee druppels water lijkt op de kopie. Dus moet het dier er later op zijn geschilderd.

Wie de portretten bekijkt die Rembrandt van zichzelf in de spiegel maakte, kan met de beste wil van de wereld niet volhouden dat hij een mooie man was
Een lelijk en volks gezicht had Rembrandt. ‘Una faccia brutta e plebea’, schreef Filippo Baldinucci in zijn Vita di Reimbrond Vanrein. De 17de-eeuwse Italiaanse biograaf voegde er nog aan toe dat de meester nurks, smerig en slordig was, ‘want hij had de gewoonte om onder het werk zijn penseel aan zijn kleding af te vegen en meer van dat soort dingen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden