In haar poëzie schetst Radna Fabias een confronterende wereld die van taal aan elkaar hangt ★★★★☆

Radna Fabias: Habitus
De Arbeiderspers; 112 pagina’s; € 19,99.

Beeld rv

In haar stevige debuutbundel benadert Radna Fabias (1983) vragen als wat het betekent om een (zwarte) vrouw te zijn, op mannen en vrouwen te vallen, ontheemd te zijn en het idee van ‘thuis’ te moeten construeren. De gedichten getuigen van een scherp observatievermogen en zelfspot: tegen een schepsel dat sapioseksueel zegt te zijn, zeg ik steeds minder/ ze zegt dat ze haar liefde liever vrij laat/ ik zeg dat honden graag spelen met frisbees/ ze vraagt of mijn liefde ook een boomerang is ik zeg/ mijn liefde is een geasfalteerde snelweg het asfalt is nog heet, maar ik denk niet aan een ander

Er is geen hoofdletter te bekennen in de hele bundel − op te vatten als stijlvorm voor een kritische houding ten opzichte van hiërarchieën. Omdat veel gedichten zijn opgebouwd als opsommingen, werken de hoofdletterloze strofes bovendien als hulpmiddel om het oog over de pagina te laten verspringen, waardoor de regels op meerdere manieren leesbaar zijn.

Fabias, die opgroeide op de Nederlandse Antillen, studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. In het Nederlands is zij thuis, in Nederland niet per se. Dat blijkt misschien nog wel het meest uit het openingsgedicht ‘wat ik verstopte’, dat over haar thuisland moet gaan. Het is alsof Fabias een camera aanzet in haar hoofd en de lezer een zes pagina’s tellende, levendige documentaire biedt met beschrijvingen als ‘de onberispelijk opgepoetste in de zon glimmende velgen/ te groot en te duur voor de auto’s waaronder ze draaien’, en ‘haarvet: groen/ of de zwarte versie/ ruikt naar olieraffinaderij/ perfect/ voor het haar van de moderne neger/ perfect/ om de natuurlijke zwartheid te onderstrepen, te laten glinsteren.’

Soms staat Fabias zich een onderkoelde interpretatie toe: het gras in de tuin van mensen die wel een sproeier kunnen betalen/ groener/ de kleur van de mensen die wel een sproeier kunnen betalen/ bleker dan/ de junk in de tuin van de mensen die wel een sproeier kunnen betalen. Onnadrukkelijk  door het gebruik van dat alles onderuithalende woord ‘wel’  en bezwerend  door de herhaling  opent zich een kloof tussen arm en rijk, zonder dat daarover iets hoeft te worden uitgelegd.

Via een omweg gaat Fabias maatschappelijke ongelijkheid te lijf, zoals wanneer ze taalvormen op de Nederlandse Antillen registreert:

de moedertaal

de officiële taal

de officieuze taal

de officieus gesegregeerde supermarkten

de officieus gesegregeerde scholen

de onthoofde haan in de tuin van de overbuurvrouw

de tarotkaarten van de overbuurvrouw

de wierook van de overbuurvrouw

de wierook in de banaangele kerken

de kerken

de waarzegsters

de heksen die de gokker bedienen

het gokken

De soorten taal die Fabias opsomt, gaan moeiteloos over in andere fenomenen. Zo suggereert ze dat ook de onthoofde haan, de banaangele kerken, de tarotkaarten van de waarzegsters zich laten aanzien als vormen van taal.

Fabias beheerst deze vormen, speelt ermee en zet een confronterende wereld neer. Met haar gedichten laat ze zien hoe onze wereld van betekenisgeving, van taal aan elkaar hangt.

Beeld RV - Wouter le Duc
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden